apr 27

Gisteravond kon ik niet meer stoppen met lezen. Waarin ik was verdiept? In de mooiste Italiaanse roman van 2012, als we uitgeverij De Bezig Bij mogen geloven. ‘Een magistrale debuutroman die ver voor de Italiaanse verschijningsdatum internationaal al erkend wordt als meesterwerk. Alle internationale redacteurens die het boek in handen kregen waren het er unaniem over eens: dit is een grandioos debuut, een roman die je de adem beneemt vanaf de eerste zinnen tot het onvergetelijke einde.’

Ik kan die internationale redacteuren niet anders dan gelijk geven. Dankzij dit boek tik ik dit stukje diep in de nachtelijke uurtjes, want nu het eenmaal uit is, wil ik het boek nog niet loslaten. En uiteraard wil ik het ook zo snel mogelijk met jullie delen. Zo’n bijzondere leeservaring gun ik iedereen. Koop dit boek, lees het en laat je meesleuren naar de hitte in de straten van Palermo.

Zo ook op aarde gaat over Davidù, een jongetje van negen dat ziet hoe zijn buurjongen Gerruso door een groep jongens wordt mishandeld. Als ze daarna ook Gerruso’s nichtje Nina aanvallen, grijpt Davidù in. Zijn oom Umbertino is getuige van Davidu’s kracht en begrijpt dat zijn neefje voorbestemd is net als hijzelf een groot bokser te worden.

Davidù groeit op in de vieze straten van Palermo, zonder vader maar met een opa en oma. Zij brengen hem de waarden bij die hij nodig zal hebben om te kunnen overleven in het arme Palermo waar de maffia heerst, het recht van de sterkste geldt en het leven draait om eergevoel.
In een virtuoze stijl die varieert van rauw tot gevoelig, van humoristisch tot passioneel, vertelt Davide Enia het genadeloze verhaal van de straatjongen Davidù tegen de achtergrond van de veelbewogen Siciliaanse geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog tot nu. Een voorproefje:

‘Ze staan met z’n tweeën in de ring.
De een weegt zevenenvijftig kilo, is één meter vijfenzestig lang, zesentwintig jaar oud.
De ander heeft een onbekend gewicht, hoe lang hij is doet er niet toe, hij zal nog wel groeien.
Hij heeft zijn handen niet ingezwachteld, hij draagt handschoenen, huppelt door de ring.
Hij is negen jaar.

Achter in de zaal staat een rokende man aan de telefoon te praten.
‘Zina, wees gerust, hij is bij mij, alles is goed, over hooguit een half uur zijn we thuis, ciao.’
Hij hangt op, pakt de krant van tafel, bestudeert de uitslagen van de paardenraces om te kunnen inzetten op een memorabel trio dat wellicht voor een ommekeer in zijn leven zal zorgen, in elk geval voor een paar maanden.

Aan de rand van de ring, leunend tegen de touwen, staat een man met een baret te schreeuwen: ‘Ik tel tot drie!’
De boksers stoppen met oefenen tegen de zak en opdrukken.
‘Een, twee, drie.’
Het jongetje bewaart meteen een geruststellende afstand tussen zichzelf en de tegenstander. Hij vertoont een interessant benenspel: hij springt en landt voortdurend op de tenen van beide voeten tegelijk.

Achter in de zaal slaat de rokende man met de rug van zijn hand op de krant.
‘Wat een trio: Asansol, Regolo, Mastino III, daar ga ik als de bliksem op wedden.’
Hij scheurt de pagina eruit, stopt hem in zijn zak en loopt naar de ring.
De zesentwintigjarige bokser heet Carlo. Hij is geconcentreerd: dekking hoog, knieën gebogen, ogen recht in die van de tegenstander.

Het jongetje maakt een schijnbeweging naar rechts en dan een onverwachte sprong naar links. Hij is zich niet bewust van zijn bewegingen, hij voert ze uit en meer niet. Carlo behoudt zijn verdedigende positie. Hij is gesloten als een kerkdeur in de nacht. Zodra hij de grond weer raakt laat het jongetje zijn linkerhandschoen omhooggaan. Carlo weert de stoot af met zijn rechterelleboog. De man met de baret aan de rand van de ring wil iets roepen, maar de opdracht blijft in zijn keel steken: onverwacht heeft het jongetje zijn stoot herhaald.

Met zijn linkerhand schampt hij Carlo’s gezicht.
Hij heeft het geprobeerd.
Hij heeft gefaald.
De rokende man beveelt zonder emotie: ‘Sla hem neer.’
De kerkdeur gaat open.

Carlo geeft een directe, midden op de wang van het jongetje, waardoor hij tegen de mat gaat.
Na een paar tellen staat het jongetje op, maar hij raakt meteen uit evenwicht.
Hij zet zijn tanden op elkaar om niet opnieuw te vallen.

De man met de baret vraagt hem: ‘Kun je touwtjespringen?’
‘Ik ben duizelig.’
‘Dat was de vraag niet,’ preciseert de andere man kalm, voordat hij zijn rook uitblaast.
Hij kijkt als een voetballer vlak voor hij schiet.
‘Ik kan niet touwtjespringen.’
‘Zorg dat je het leert.’

Het jongetje trekt zijn bokshandschoenen uit, stapt uit de ring, pakt een springtouw en probeert het. Het gaat steeds mis.
‘Nou,’ zegt de rokende man tegen die met de baret.
‘Je hebt het zelf gezien, hij verdubbelde zijn stoot.’
‘En het voetenwerk is er ook.’
‘Ja.’
‘Het moment is gekomen.’
‘Je ziet dat hij echt een zoon van zijn vader is.’
‘Tot morgen, Franco.’

De man met de sigaret pakt het touw uit de handen van het jongetje, nadat hij elke poging om te springen heeft zien mislukken.
‘Dit zul je ook nog wel leren, met de tijd. Nu gaan we naar huis. En denk erom, je mag je moeder alles vertellen wat er gebeurd is, behalve dat ik je heb meegenomen naar de boksschool. Zweer het me.’

Het jongetje zweert het.
‘Maar je opa, die ga je wel alles vertellen.’
‘Mag dat?’
‘Dat moet.’

Ze lopen naar buiten net op het moment dat de man genaamd Franco de baret van zijn hoofd pakt en tegen de bokser genaamd Carlo schreeuwt dat hij een schijnbeweging met links moet maken en die moet kruisen met een rechtse uppercut, nog eens, nog een keer, godverdegodver, nog eens.

Buiten, in een lucht die roerloos is van de hitte, klinken politiesirenes. Groepjes mensen staan stil in de schaduw en wijzen in de verte. Iemand vertelt iets van horen zeggen, de een formuleert vragen, een ander waagt zich aan een antwoord, allemaal slaan ze een kruisteken wanneer hij het woord ‘maffia’ uitspreekt.

De rokende man loopt met de handen in de zakken.
Hij trekt zich van niets en niemand wat aan.
Hij kijkt niet op of om.
Hij heet Umbertino.
Hij is mijn oom.
Het jongetje van negen jaar ben ik.’

Dit fragment is afkomstig uit

Zo ook op aarde
Davide Enia
vertaald door Manon Smits
ISBN 9789023468691
€ 18,90
uitgeverij De Bezige Bij

PS: Op donderdag 3 mei interview ik Davide Enia. Mocht je deze veelbelovende Italiaanse auteur graag een vraag voorleggen, laat het me dan even weten. Dan zorg ik ervoor dat hij jouw vraag beantwoordt!

feb 06

Volgende week is het zover, dan vallen er weer anonieme kaartjes door de brievenbus, worden er etentjes bij kaarslicht georganiseerd en gedichten opgedragen aan de grote liefde. Om alvast in de stemming te komen vandaag op Ciao tutti een aankondiging van een prachtige ode aan de liefde: Saint Amour.

Saint Amour in Nederland
Van 8 tot en met 15 februari trekt de zevende editie van Saint Amour langs een aantal Nederlandse theaters. Dit keer neemt Saint Amour je mee naar de bakermat van de liefde: la bella Italia. Er zijn meesters en leerlingen in de kunst van het verleiden, en het meesterschap begon zonder twijfel daar, in het land van Berlusconi en la Cicciolina, maar ook van Catullus en Casanova.

Saint Amour kleurt in 2012 azuurblauw en eert de liefde met de voorhoede van de Italiaanse literatuur. Na afloop van de succesvolle Saint Amour Italia-tournee in Vlaanderen (februari 2011) bevestigden Irene Lamponi, Francesco Pacifico, Ilja Leonard Pfeijffer en Sandro Veronesi graag hun medewerking aan deze Nederlandse tournee. Ook Thom Hoffman, Herman Koch en Arjen Lubach zegden hun deelname toe.

Sandro Veronesi, die met Kalme chaos de prestigieuze Premio Strega won, leest uit zijn nieuwe roman XY een verhaal over de verwoestende invloed van achterdocht op het liefdesleven. Francesco Pacifico schreef met Geschiedenis van mijn puurheid een boek over de fanatieke katholiek Piero Rosini, die zijn ‘puurheid’ op het spel zet voor de wulpse heupbewegingen van zijn schoonzus Ada.

Tijdens Saint Amour krijgen Pacifico en Veronesi het gezelschap van hun Nederlandse collega’s Herman Koch, Arjen Lubach en Ilja Leonard Pfeijffer. Italofielen Koch en Lubach brengen een tekst waarin de twee thema’s van deze voorstelling, liefde en Italië, een prominente rol spelen. Pfeijffer, die op de fiets naar Italië reed en in Genua bleef hangen, schreef speciaal voor Irene Lamponi de theatermonoloog La pace denunciata. De Italiaanse actrice laat het Nederlandse publiek voor het eerst kennismaken met Pfeijffers Italiaanse werk en brengt ook een tekst van de Italiaanse dichter Gabriele D’Annunzio ten gehore. Acteur Thom Hoffman declameert klassieke Latijnse teksten, onder andere van de reeds genoemde Catullus, de allereerste liefdesdichter. In het Latijn, welteverstaan.

Saint Amour in Vlaanderen
Bij onze zuiderburen kennen ze deze ode aan de liefde al wat langer. Op 10 februari gaat daar de negentiende editie van Saint Amour van start, die in het teken van De Onbereikbare staat. Dat de ideale liefde vaak onbereikbaar blijft, wist de Romeinse dichter Ovidius tweeduizend jaar geleden al toen hij Eurydice in de onderwereld liet verdwijnen. Of Dante, die zijn leven lang verliefd was op Beatrice en haar de hoofdrol gaf in zijn Divina commedia. Sindsdien adoreren en vervloeken tal van schrijvers de onbereikbare geliefde, die te jong is of te oud, te ver, te nabij, te mooi, te dood, te getrouwd.

De Onbereikbare wordt tot en met 19 februari bezongen door een voortreffelijk gezelschap jonge en gevestigde schrijvers: Peter Buwalda, Wim Helsen, David Mitchell, Connie Palmen, P.F. Thomése, David Vann en Floortje Zwigtman.

De Onbereikbare leidt in Peter Buwalda’s vuistdikke en veelgeprezen debuutroman Bonita Avenue naar pornografie en schizofrenie. P.F. Thomése (J.Kessels: The Novel) kiest uit zijn verschillende stijlen de hilarische. David Mitchell heeft het in zijn merkwaardige meest recente roman De niet verhoorde gebeden van Jacob de Zoet (2010) over een jonge domineeszoon, die verliefd wordt op een Japanse vroedvrouw voor die bij een brand verminkt raakt. David Vann beschrijft in Caribou Island perfect de menselijke eenzaamheid en het onvermogen om geluk te verwerven.

In de trilogie Een groene bloem van Floortje Zwigtman gaat de zestienjarige Adrian Mayfield in het Londense homomilieu op zoek naar zijn Grote Liefde. Grande dame van de Nederlandse literatuur Connie Palmen confronteert het publiek met de ultieme onbereikbaarheid en cabaretier-acteur Wim Helsen brengt een nieuwe tekst op z’n wimhelsens. Naast treurdichten, lofzangen en andere literair gehunker zal er naar goede gewoonte ook film en muziek zijn.

Kijk voor meer informatie over beide festivals op www.behouddebegeerte.nl.

okt 20

Een prachtig boek voor deze tijd van het jaar, zowel qua verhaal als qua omslag. Als je de eerste zin hebt gelezen,verkeer je bijna tweehonderd pagina’s in een andere wereld. Susanna Tamaro neemt je mee op reis naar Matteo, die een teruggetrokken leven leidt hoog boven op een berg.

Matteo heeft zijn jonge vrouw Nora en hun zoontje voor zijn ogen zien verongelukken, en sindsdien wordt hij gekweld door de vraag of het zelfdoding was of een ongeval. Lange tijd heeft hij geprobeerd zijn verdriet te dempen met alcohol en vluchtige seks. Niemand kon hem helpen of bereiken. Inmiddels vindt hij troost in de natuur en de wisseling van de seizoenen, maar nog steeds vraagt hij zich af of hij Nora’s dood had kunnen voorkomen.

In Voor altijd richt Matteo zich tot zijn geliefde Nora en vertelt hij haar het verhaal van zijn intense liefde en van de verschrikkelijke fouten die hij na haar dood maakte. Susanna Tamaro schreef een uitzonderlijke roman over de kracht van de menselijke geest, over het helend vermogen van de natuur en over de liefde, de basis van alles.

Een fragment:

‘Er is zoveel over mezelf dat ik je nooit heb verteld. We waren nog zo jong, zo vol van enthousiasme voor de tijd waarin we leefden. Er was het heden – de tijd van onze liefde – en de toekomst, de tijd die we in de komende jaren met z’n tweeën zelf vorm zouden geven: werk, een huis, kinderen. We waren vast van plan de wereld beter achter te laten dan we hem aangetroffen hadden. Alles wat achter ons lag was van geen enkel belang, we waren ervan overtuigd dat onze hartstocht en liefde elk obstakel zouden overwinnen.

Jij vergeleek ons leven altijd met water dat stroomt. ‘Nu zijn we een bergbeek,’ zei je dan, ‘onstuimig schieten we vooruit, springen we over steenmassa’s heen, vormen we watervallen; ons kolkende geraas vult de hele omgeving, van de bergtop tot het dal. Maar op een dag worden we rivieren in vlak land – bedaard, gezwollen, lui – en verstommen we, dan hoor je alleen nog het gefluit van de wind die door de wilgen strijkt.’

‘Is dat saai?’
‘Nee, dat is de natuur.’
’s Nachts in bed, starend naar het plafond, speelden we vaak ‘Welke-rivier-wil-je-zijn?’
‘Wil jij de Dora Baltea zijn?’ vroeg ik aan je. Waarop jij in de dekens begon te trappelen en riep: ‘Nee! Niet de Dora Baltea!’ Die vond je te klein, te bescheiden en daarbij stond het idee je tegen uit te komen in de Po. ‘Ik wil geen zijrivier zijn,’ zei je. ‘Ik wil een rivier zijn die direct in zee uitstroomt.’

Jouw ideaal was de Amazone, Uren kon je me vertellen over de schitterende fauna die je waarnam op je tocht: vlinders, papegaaien en roze dolfijnen, die tegen je stroom in zwommen. […]

In die lange eenzame winters heb ik me vaak afgevraagd hoe de wereld om me heen zou zijn als die nog gezien werd door jouw ogen. Toen ik zei: ‘Ik ben een saaie man,’ sprak ik de waarheid. Jij was voor mij een slangenbezweerder, als je begon te spelen, kwam ik uit de mand. Maar zonder jouw muziek werd mijn denkwereld zo klein als die van een reptiel.

Jouw fantasie was in staat ook het meest banale om te toveren tot iets schitterends. Ik daarentegen heb altijd met een onderzoekende blik naar de dingen gekeken. Ik heb de neiging de diepte in te gaan, de aarde om te woelen, te graven, op de tast en de reuk mijn weg te vinden, in plaats van te bepalen wat de werkelijkheid is.

Zo probeer ik te ontdekken wat er schuilgaat onder de banaliteit van alledag. Ik denk dat dit mij tot een goede arts heeft gemaakt. En het is ook de verklaring voor het feit dat ik hier op de berg nooit echt alleen ben. Altijd ben ik in gezelschap van mijn gedachten, die alles om me heen ontleden met de nauwgezetheid van een entomoloog.’

Lees Matteo’s prachtige verhaal aan en over Nora in

Voor altijd
Susanna Tamaro
vertaald door Philip Supèr
ISBN 9789045802633
€ 16,50
uitgeverij Mouria

Getagd met:
aug 17

Op een van de mooiste plekjes in Amsterdam, aan het Entrepotdok, vind je een klein stukje Amsterdam dat eigenlijk geen Amsterdam is. Althans, voor ingewijden niet. Op nummer 26 waan je je namelijk even helemaal in Italië.

Wanneer je door de deur van nummer 26 binnenstapt, vergeet je op slag waar je al fietsend door de stad nog over nadacht. Boodschappenlijstjes, dingen die je echt niet moet vergeten, mensen die je nog moet bellen… alles blijft buiten wachten, op de stoep voor nummer 26. Tenminste, als je net zo gefascineerd bent door Italië en door boeken en woorden zoals ik. Want op nummer 26 huist Libreria Bonardi, de enige Italiaanse boekwinkel van Nederland.

Binnen vind je een keur aan boeken over of uit Italië: de laatste nieuwe literaire successen uit Italië, zowel in het Italiaans als in het Nederlands, boeken over de geschiedenis van Italië, over de cultuur, over bijzondere fenomenen die mensen buiten Italië steeds weten te boeien, kookboeken, gedichtenbundels, Italiaanse klassiekers, luisterboeken, tijdschriften…

Ik heb me zelf een rantsoen opgelegd: ik mag niet vaker dan vier keer per jaar langs deze boekhandel fietsen, want de verleiding is te groot. Ik kom er altijd met een enorme stapel boeken vandaan, terwijl ik eigenlijk alleen een boek voor mijn studie Italiaans nodig had (want van studie- en grammaticaboeken hebben ze uiteraard ook een hele kast). Het verhaal van vandaag was echter een goede reden om dit rantsoen niet helemaal na te leven en een extra bezoekje aan Bonardi te brengen.

Na een uurtje heerlijk te hebben rondgeneusd en, ja ik geef het toe, een stapeltje nieuwe boeken te hebben verzameld, vroeg ik Marina Wanders, de eigenaresse, of ze nog een leuke tip had voor mijn stukjes over Italiaans Amsterdam. Marina vroeg of ik de verhalenbundel kende die Libreria Bonardi ter ere van haar 25-jarig bestaan had uitgebracht, La mia Olanda – Denkend aan Holland, met verhalen van Italiaanse schrijvers over Nederland en Amsterdam, zowel in het Italiaans als in het Nederlands. Daar was ik natuurlijk wel nieuwsgierig naar, dus mijn stapeltje groeide nog wat verder uit.

Eenmaal thuis dook ik meteen in de Italiaanse verhalen over Amsterdam. Het is grappig hoe je de stad al snel alleen nog maar door de ogen van de Italianen ziet, alsof je er zelf nooit eerder rondwandelde. Met Valerio Aiolli sta je te wachten voor het huis van Rembrandt, Aldo Gianolio neemt je mee naar NEMO, immers het werk van een Italiaan, en Giulio Mozzi ontroert met zijn prachtige symfonie van woorden die Amsterdam treffender weergeven dan een ansichtkaart of foto zou kunnen doen.

Ook echt Amsterdamse verschijnselen blijven niet onvermeld. Bij het lezen van het verhaal Aringa – Haring van Mauro Covacich moest ik denken aan de reactie van het zoontje (7) van een Italiaanse vriendin toen ik vertelde over de specialiteiten van de Nederlandse keuken. Pannenkoeken, dat leek hem nog wel wat, zeker als ontbijt, maar bij stamppot keek hij al wat twijfelachtiger en bij haring kon hij me alleen nog maar vol ongeloof aanstaren. ‘Maar, eten jullie dan rauwe vis?,’ stamelde hij, ondertussen zijn stoel een beetje verder van me afschuivend. Amsterdam leek hem ineens niet zo leuk meer, en ik evenmin. Gelukkig won zijn nieuwsgierigheid het al snel van zijn afkeer (hij zat immers ook fijn thuis in Italië, veilig voor die rare gewoonten in die gekke stad) en vol trots verkondigde hij aan iedereen die het maar horen wilde dat ik, zijn vriendin in Amsterdam woonde, waar ze scheve huizen hebben en rauwe vis eten…

Inmiddels word ik zo standaard door hem geïntroduceerd, en ik kan natuurlijk niet wachten op het moment dat ik hem die scheve huizen kan laten zien en een stukje haring kan laten proeven. Ik heb na het verslinden van La mia OlandaDenkend aan Holland dan ook gelijk het verhaal over haring overgetikt en naar zijn moeder gemaild, zodat ze hem al een beetje kan voorbereiden… Ook voor jullie een klein stukje:

‘Ik besluit onmiddellijk ook een fiets te huren – oranje, glimmend chroom, perfecte remmen, zadel zacht als een sofa, tien euro per dag – en sluip het feest binnen. Meteen bij de eerste meters voel je het plezier opkomen. Waarschijnlijk komt dat door hoe de wereld om je heen beweegt, dat bruisende waarmee de huizen en de bomen voorbij flitsen, heel even op je netvlies tintelen, om vervolgens achter je te verdwijnen.

Dagenlang fiets ik rond, zo’n twintig, vijfentwintig kilometer per uur, in een stad waar het huisvuil wordt weggestopt in ondergrondse containers, waar Caribische, Indonesische en blinde autochtone jongeren in de parken vrolijk in groepjes staan te lachen zoals ik alleen in reclames heb gezien, waar geen enkel, maar dan ook echt geen enkel huis een beeldintercom heeft, noch rolluiken, en waar de ramen nooit kleiner zijn dan een pingpongtafel en met halogeenlampen verlichte interieurs laten zien waarin altijd iemand onverstoorbaar onder de blikken van de voorbijgangers leest, werkt of eet.

Ik fiets door de volksbuurten – zoals de wijk ten zuiden van het Oosterpark, die voornamelijk door moslims wordt bewoond – waar de parken lijken op botanische tuinen. Af en toe verdwaal ik en dan vraag ik de weg. Er is altijd wel iemand die me met een vrolijke kwinkslag behulpzaam is. Het zijn opgewekte, hartelijke mensen, die je niet verwacht in een westerse hoofdstad (probeer bijvoorbeeld maar eens iemand in Parijs de weg te vragen). Urenlang dwaal ik rond en doe ik niets anders dan mijn ogen vullen met gezichten. […]

Ik dwaal door de arbeidersbuurt de Jordaan, werp een blik op de beroemde vlooienmarkt, ga een boekwinkel binnen waar naast de fauteuils waar je kunt gaan zitten om boeken in te kijken, thermoskannen met thee en een doos met tientallen leesbrillen staan.’

Verderop in het verhaal stelt Mauro Marina voor van land te ruilen: ‘Misschien moeten we van land ruilen. Eens kijken, we zouden een proeftijd kunnen instellen van één regeringsperiode van vijf jaar. Wij gaan allemaal naar Nederland, we wonen dan in straten waar het huisvuil in ondergrondse containers ligt en oranje fietsen rondrijden, en jullie gaan allemaal – bijna allemaal want er zal toch iemand moeten blijven om stages te geven – genieten van de zon, onze heerlijke zon, en worden lekker opgezadeld met onze kantoren, onze banken, onze ministeries, onze faldoni… nooit van gehoord, hè? van die kolossale archiefmappen van ons… kortom, al onze toestanden die op een oplossing wachten. Jullie kennen al vierhonderd jaar onafhankelijkheid en democratie, wij niet. Volgens mij kan het jullie lukken.

Marina kijkt me even aan. Het is duidelijk dat ze zou willen zeggen dat de zaken veel gecompliceerder liggen, ik weet dat ze zou willen zeggen dat het in Holland ook niet allemaal rozengeur en maneschijn is. Maar nee, ze wil haar gast niet tegenspreken en zegt daarom ten slotte: ‘Nou, dat lijkt ons wel wat. Wie houdt er niet van zon en pizza? Maar zouden jullie dan bereid zijn om haring te eten?’ En ze pakt een haring bij de staart vast en reikt me die aan.

Haring is niet hetzelfde als sushi. Het is wel rauw, maar het is een hele vis, alleen de kop is eraf gesneden. Marina pakt er een vast, haalt hem door de uitjes, laat hem boven haar mond bungelen, hapt erin en bijt er bijna de helft vanaf. Ik kijk naar de haring tussen mijn vingers. De haring, denk ik. Een probleem waar ik nog niet aan had gedacht.’

Ik weet zeker dat jullie, net als mijn Italiaanse vriendin, zullen genieten van de verhalen in La mia Olanda – Denkend aan Holland. Ik ga in elk geval snel nog een keer afwijken van mijn rantsoen om bij Libreria Bonardi een paar exemplaren te halen voor vrienden in Italië. Dan kunnen ze alvast een beetje wennen aan die gekke Nederlanders met hun haring…

preload preload preload