sep 23

Hoe mooi is de hemel boven de Via Margutta, zo zingt Luca Barbarossa over deze sfeervolle Romeinse straat waar we gisteren doorheen wandelden. Voor iedereen die graag wegdroomt bij prachtige Italiaanse muziek is dit liedje een absolute aanbeveling, zowel qua tekst als qua setting! Luister maar: Via Margutta

‘Sta cadendo la notte
sopra i tetti di Roma,
tra un gatto che ride
e un altro che sogna
di fare l’amore,
sta cadendo la notte
senza fare rumore.

Sta passando una stella
sui cortili di Roma
e un telefono squilla,
nessuno risponde
a una radio che parla,
è vicina la notte,
sembra di accarezzarla.

Amore vedessi
com’è bello il cielo
a via Margutta questa sera,
a guardarlo adesso
non sembra vero
che sia lo stesso cielo
dei bombardamenti e dei pittori,
dei giovani poeti e dei loro amori
consumati di nascosto
in un caffè.
Amore vedessi
com’è bello il cielo
a via Margutta insieme a te,
a guardarlo adesso
non sembra vero
che sia lo stesso cielo
che ci ha visto soffrire,
che ci ha visto partire,
che ci ha visto ..

Scende piano la notte
sui ricordi di Roma,
c’è una donna che parte
un uomo che corre,
forse vuole fermarla,
si suicida la notte,
non so come salvarla.

Amore vedessi
com’è bello il cielo
a via Margutta questa sera,
a guardarlo adesso
non sembra vero
che sia lo stesso cielo
dell’oscuramento e dei timori,
dei giovani semiti e dei loro amori
consumati di nascosto
in un caffè.

Amore sapessi com’era il cielo
a Roma qualche tempo fa,
a guardarlo adesso
non sembra vero
che sia lo stesso cielo,
la stessa città,
che ci guarda partire
e volerci bene,
che ci guarda lontani
e di nuovo insieme,
prigionieri di questo cielo,
di questa città,
che ci ha visto soffrire,
che ci ha visto partire,
che ci ha visto.

È vicina la notte
sembra di accarezzarla…’

Voor iedereen die het Italiaans nog niet zo machtig is, hieronder een zeer vrije vertaling van mijn hand:

‘De nacht begint te vallen
over de daken van Rome,
tussen een kat die lacht
en een ander die droomt
over het bedrijven van de liefde,
begint de nacht te vallen
zonder geluid te maken.

Er komt een ster voorbij
over de binnentuinen van Rome
en een telefoon rinkelt,
niemand antwoordt
op een radio die aanstaat,
de nacht is dichtbij,
lijkt haar zachtjes aan te raken.

Liefje, als ik zou zien
hoe mooi de hemel
boven de Via Margutta deze avond is,
nu ik daar zo naar sta te kijken
lijkt het niet dezelfde hemel te zijn
van de bombardementen en van de schilders,
van de jonge dichters en hun liefdes
waarvan ze stiekem genieten
in een café.
Liefje, als ik zou zien
hoe mooi de hemel
boven de Via Margutta samen met jou is,
nu ik daar zo naar sta te kijken
lijkt het niet dezelfde hemel te zijn
van degene die ons heeft zien lijden,
ons heeft zien vertrekken,
ons heeft zien…

De nacht daalt langzaam neer
over de herinneringen aan Rome,
er is een vrouw die vertrekt
en een man die rent,
misschien wil hij haar tegenhouden,
de nacht maakt er een einde aan,
ik weet niet hoe ik haar moet redden.

Liefje, als ik zou zien
hoe mooi de hemel
boven de Via Marguatta deze avond is,
nu ik daar zo naar sta te kijken
lijkt het niet dezelfde hemel te zijn
van de verduistering en de angst,
van de jonge semieten en hun geliefden
waarvan ze stiekem genieten
in een café.

Liefje, als ik zou weten
hoe de hemel boven Rome
enige tijd geleden was,
nu ik daar zo naar sta te kijken
lijkt het een andere hemel,
een andere stad,
die ons ziet vertrekken
en ons een warm hart toedraagt,
die ons op grote afstand ziet
en weer opnieuw bij elkaar,
gevangenen van deze hemel,
van deze stad,
die ons heeft zien lijden,
die ons heeft zien vertrekken,
die ons heeft gezien.

De nacht is dichtbij,
en lijkt ons zachtjes aan te raken.’

Getagd met:
jun 24

De beeldschone Venussen en Madonna’s die Botticelli schilderde, zijn waarschijnlijk portretten van de mooiste vrouw uit de geschiedenis van de stad: Simonetta Cattaneo de Vespucci (1453-1476). Niet alleen Botticelli viel voor de betovering van deze jonge schoonheid, heel Florence lag aan haar voeten, inclusief Lorenzo en Giuliano de’ Medici. Esther van Veen, auteur van de nieuwe Dominicus stedengids Florence, vertelt:

‘Simonetta Cattaneo groeide op aan de Ligurische kust. Ze kwam in Florence wonen nadat ze rond haar vijftiende in het huwelijk trad met de edelman Marco Vespucci, een verre neef van de beroemde zeevaarder Amerigo Vespucci. Net zoals het merendeel van de Florentijnse mannen én vrouwen, waren beide De’ Medici-telgen al snel onder de indruk van Simonetta’s haast etherische, engelachtige schoonheid.

Haar fijne, bleke gelaat werd namelijk omringd door een waterval aan goudblonde lokken die tot op de heupen vielen. Ze voldeed hiermee aan alle geldende schoonheidsidealen van die tijd.

De De’ Medici-broers streden allebei om haar gunst. Giuliano, die veel knapper en romantischer was dan Lorenzo, slaagde erin haar te veroveren. Ter ere van Simonetta organiseerde hij in 1475 een riddertoernooi, La Giostra genaamd, op het Piazza di Santa Croce. Hij had Botticelli een vaandel met Simonetta als Pallas Athena laten schilderen, waarop stond geschreven La Sans Pareille, oftewel ‘Zij die geen gelijke kent’.

Dat ze al getrouwd was, bleek geen probleem te zijn voor Giuliano. Voor Simonetta blijkbaar ook niet, want ze trok zelfs bij hem in, in het Palazzo Medici. Haar echtgenoot, die vernederd werd door haar publieke overspel, zou proberen zijn gezicht te redden door te beweren dat zo’n grote schoonheid publiek bezit was.

Na haar voortijdige dood in 1476 (ze stierf vóór haar vierentwintigste verjaardag aan de tering) was heel Florence in diepe rouw gedompeld. Duizenden Florentijnen namen deel aan haar rouwstoet, die naar de Ognissanti-kerk leidde, waar ze begraven werd.

Velen meenden dat de stad een deel van haar ziel was kwijt geraakt. Hierop ontstond een ware cultus, waarin Simonetta bijna als een Madonna werd vereerd. Botticelli bleef zijn muze de rest van zijn leven schilderen, zelfs toen ze al lange tijd dood was. Op zijn verzoek werd hij na zijn eigen dood (34 jaar later, in 1510) in dezelfde kerk ‘aan haar voeten’ begraven.

Ook andere kunstenaars droegen ontelbare schilderijen en gedichten aan haar schoonheid op. Lorenzo il Magnifico schreef zelfs zijn beroemdste dichtregels naar aanleiding van Simonetta’s dood:

Quant’ è bella giovinezza,
che si fugge tuttavia!
Chi vuol esser lieto sia,
di doman non c’è certezza.

Zoet en zalig is de jeugd,
maar kortstondig is haar vreugd!
Maak je los van alle zorgen:
niemand kent de dag van morgen.

(vertaling Frans van Dooren)

Simonetta staat ook op het fresco van de Madonna della Misericordia, dat Domenico Ghirlandaio schilderde in de Ognissanti kerk in Florence. Hierop is de hele familie Vespucci te zien, die beschermd wordt door de maagd Maria. Direct links van Maria knielt Amerigo Vespucci, Simonetta zie je onder Maria’s linkerhand (rechts op het fresco dus).’

Simonetta heeft overigens ook model gestaan voor Venus op Botticelli’s La Primavera. Over dit bijzondere schilderij en het spannende verhaal erachter gaat het nieuwste boek van Marina Fiorato, Het raadsel van Botticelli. Voor wie nieuwsgierig is naar dit verhaal; via deze link kun je alvast het voorproefje dat ik 30 april jl. gaf lezen. Een intrigerend verhaal over een intrigerende vrouw!

Meer verhalen van Esther van Veen lezen? De nieuwe Dominicus stedengids Florence, die in de week van 4 juli 2011 verschijnt, onthult alle geheimen van de hoofdstad van Toscane! Kijk voor meer informatie op www.florencestedengids.nl  

mei 10

Vandaag blijven we even bij het thema van de liefde, al verplaatsen we het object van Rome naar de virtuele wereld met het toneelstuk Wikilove, van de Italiaanse toneelgroep Quelli di Astaroth. Wikilove confronteert het publiek met de betekenis van informatie, liefde en seks, zowel in de echte wereld als in de virtuele.

Dankzij internet worden we overspoeld door een tsunami van nieuws en actualiteiten. Internet is zo doodgewoon geworden dat we vergeten zijn dat informatie niet alleen makkelijker verkrijgbaar is, maar ook veel moeilijker omzeilbaar. Het schijnt dat een mens anno 2011 in een week tijd meer informatie te verwerken krijgt dan iemand die in de achttiende eeuw werd geboren in een heel mensenleven.

Het web staat enerzijds synoniem voor grote vrijheid. Alles is te vinden, te zien, te delen. Maar hoe vrij is internet eigenlijk? En weten we wel precies wat we erin zoeken en wat we eigenlijk willen? In de virtuele wereld verdwalen gebeurt zo vaak dat we het eigenlijk niet door hebben. Commercie staat altijd klaar achter het scherm van onze computers. Online winkels die alles verkopen, zelfs wat we in de analogische wereld niet zouden vinden.

Wikilove bestaat uit verschillende momenten. Centraal staat De ideale echtgenoot van Dario Fo (Nobelprijswinnaar voor de literatuur) en Franca Rame, twee beroemdheden van het Italiaanse theater. De droom van de perfecte man voor een vrouw die tussen een petit bourgeois leventje en emancipatie balanceert, wordt hier werkelijkheid – met behulp van een online huwelijksbureau.

Een ander moment van de voorstelling is het interview met Mister Giuliano Assangio, geboren en opgegroeid in New York’s Little Italy. De inspiratie voor het personage komt, dat mag duidelijk zijn, van media-activist Julian Assange die via Wikileaks een andere kijk op journalistiek heeft geworpen. Maar Wikilove is geen Wikileaks. Het gaat hier om de diepe eenzaamheid van de mens. Mister Assangio weet dat. Tijdens zijn interview legt hij uit dat contacten eigenlijk het beste online product zijn.

Wikilove bestaat verder uit verschillende theatrale situaties. De toon van de voorstelling is satirisch met veel humor en gags. Tijdens de voorstelling is er ook altijd Italiaanse livemuziek te horen, niet alleen als ondersteuning maar ook en vooral als trait-d’union. Verder zijn er speciale video’s en andere media-uitingen ontworpen. Het resultaat is een gevarieerde, maar toch organische voorstelling.

Wikilove is een productie van Quelli di Astaroth. Dit collectief staat al jaren voor Italiaanse cultuur in Nederland. Meer informatie over Quelli di Astaroth en hun activiteiten vind je op www.ondaitaliana.org

mei 09

In het Latijn zie je het meteen: Roma en amor, de stad Rome en de liefde, bestaan uit dezelfde letters. Dat kan geen toeval zijn!

‘Je kunt in Rome niet leven zonder er de liefde te bedrijven,’ schrijft Pavese in Il Compagno. En in Femmes beweert Philppe Sollers dat alle romans naar Rome leiden. Het aloude palindroom Roma-Amor heeft op tal van auteurs en in alle tijden aanstekelijk gewerkt. Zowel in gedichten als romans, brieven en dagboeken, toneel en essays komt het thema ‘liefde in Rome’ in al zijn variaties aan bod.

Patrick Lateur stelde een bloemlezing samen die, chronologisch geordend van de oudheid tot vandaag, een kleurrijke selectie van amoureuze en erotische bladzijden uit de wereldliteratuur samenbrengt. Rome krijgt een heel apart gelaat in teksten van Apollinaire en Apuleius, Bachmann en Brodsky, Couperus en Claus, Gide en Gogol, Marquez en Martialis, Salomé en Sand en tientallen anderen.

Patrick Lateur schrijft in de inleiding van Amor in Roma: ‘Er wordt beweerd dat Rome een geheime naam had. En dat men hem op straffe van de dood niet mocht uitspreken. Die naam was alleen bekend aan de Pontifex Maximus en een kleine elite van aristocraten, die zich op die manier van de macht over de stad verzekerden. Zo gaat het verhaal. Maar wat was die naam dan wel? In zijn De mensibus 4.73 beweert Johannes Laurentius Lydus, een Byzantijns auteur uit de zesde eeuw, dat het Amor was, en velen zijn hem in die veronderstelling gevolgd. In 1911 opende Giovanni Pascoli zijn patriottische Latijnse Hymne voor Rome met De mysterieuze naam en in die eerste beweging vraagt hij zich af met welke naam de Italianen Rome nu zullen benoemen. Even verder geeft het zevende vers reeds het antwoord: o, Amor, o vere – dicant – invicte! De onoverwinnelijke Amor is dé naam voor Rome!

Die naam is ongetwijfeld ingegeven door het palindroom dat de Romeinen in Roma-Amor al heel vroeg moeten hebben gezien. Maar afgezien van een paar vermeldingen op Pompejaanse inscripties zijn de antieke literaire bronnen die met het palindroom spelen quasi-onbestaand en ook niet zo oud. Sidonius Apollinaris (430-485), een van de laatste vertegenwoordigers van de grote klassieke cultuur, citeert een nog breder palindroom. In brief veertien van zijn negende brievenboek heeft hij het over versus recurrentes, teruglopende verzen, palindromen dus. Als voorbeeld citeert hij: Roma tibi subito motibus ibit amor. Wat zoveel betekent als: Rome, voor jou zal liefde plots en vol passie komen. Of: Voor jou zal Rome plots door hartstocht Amor worden. […]

Merkwaardig genoeg zorgde het oude Rome ervoor dat het palindroom naast het klank- en letterspel ook een betekenisvolle inhoud kreeg. De woorden werden synoniemen: de stad riep liefde op, en omgekeerd: liefde riep Rome op. De grondslag daarvan is zowel mythologisch als literair-historisch. De stad werd mogelijk gemaakt door de werking van de liefde.

De stichting van de stad heeft alles te maken met het verhaal van Romulus en Remus, zonen uit het liefdesavontuur van Mars en Rea Silvia. Maar in de stichtingsmythen van de stad speelt ook Aeneas, de zoon van de liefdesgodin Venus, een belangrijke voorbereidende rol. De godin zelf kreeg in Rome een reeks tempels. Als Venus Erycina, afkomstig uit het Siciliaanse Erice, waar Aeneas zijn vader Anchises heeft begraven, kreeg zij een tempel op het Capitool en een tweede nabij de Porta Collina. Pompeius bouwde in zijn theatercomplex een tempel voor Venus de Overwinnares, Caesar liet op zijn forum de tempel van Venus de Stammoeder bouwen en de tempel van Venus en Roma was een belangrijk onderdeel in het bouwprogramma van keizer Hadrianus.’

Nu de tempel van Venus en Roma op het Forum Romanum onlangs in oude glorie is hersteld, heerst de liefde weer als vanouds over de stad. Wanneer je Rome ook bezoekt, in de hete zomermaanden of hartje winter, je kunt niet anders dan verliefd worden op de gebouwen, de straten, de mensen, het dialect en het prachtige geheel dat deze componenten vormen. In Rome word je verliefd op de liefde zelf – vereeuwigd in haar stenen, straten en standbeelden – en deze liefde wordt nergens anders zo gevierd als in Rome…

Getagd met:
feb 17

Vorige week schreef ik over het boek De vrouwen van Casanova en hier in Venetië duikt zijn naam regelmatig op, tijdens wandelingen door de stad en tijdens gesprekken met Venetianen en toeristen. Nieuwsgierig geworden naar Casanova duik ik op een koude februarimiddag een gezellig Venetiaans koffiebarretje in, bestel ik een warme chocolademelk en verlies ik me in Een schitterend gebrek van Arthur Japin, misschien wel het mooiste liefdesverhaal dat ik ooit heb gelezen.

Op een groot feest nabij Venetië wordt de veertienjarige Lucia verliefd op de zeventienjarige Giacomo Casanova. Voor haar, maar ook voor de jongeman die de geschiedenis in zou gaan als ’s werelds grootste minnaar, is dit de eerste grote liefde. Zij beloven elkaar eeuwige trouw, maar kort daarna verdwijnt Lucia zonder een woord of een blik uit Casanova’s leven, een verraad dat zijn kijk op vrouwen voor altijd heeft bepaald.

In zijn memoires vermeldt Casanova terloops dat Lucia een van de weinige vrouwen is die hij ooit onrecht heeft aangedaan. Maar hoe? Wat is er werkelijk gebeurd? Waarom deed Lucia afstand van haar geluk? Een schitterend gebrek is haar verhaal, het verslag van een uitzonderlijk leven.

Het begint wanneer Lucia, vele jaren later, Casanova bij toeval opnieuw tegen het lijf loopt in Amsterdam. Hij heeft er geen weet van dat zij het is omdat ze haar door de pokken mismaakte gezicht onder een sluier verbergt, en hij probeert haar te veroveren op de van hem bekende wijze.

Voor Lucia is de schokkende confrontatie aanleiding tot een reconstructie: haar jeugd in de Veneto, haar kortstondige maar heftige liefde voor Giacomo, de verwoestende ziekte die haar trof, haar vlucht naar Amsterdam en haar werk als hoer. Langzaam wordt duidelijk dat haar verdwijning geen verraad was maar een daad van liefde. Ze wilde zijn carrière niet dwarsbomen. Ten slotte verricht zij de truc die hem verlost van zijn herinnering aan haar en die haarzelf bevrijdt van haar verleden.

‘Ik heb toen niet gehuild. Daar heb ik weleens spijt van. Nadat ik Giacomo voorbij de bocht van de weg tussen de heuvels van Pasiano had zien verdwijnen, heb ik geen traan gelaten. Het zou zo’n zoet verdriet zijn geweest, zo meisjesachtig hevig; zo’n diepgevoeld alleen maar doodwillen, waarin geen plaats is voor iets anders, even absoluut als zich een tel later de euforie over ons toekomstig weerzien alweer zou hebben aangediend. Ik had mijn longen leeg kunnen snikken, woedend op het lot in plaats van op mijzelf. De volgende ochtend zou ik gesterkt zijn opgestaan, misschien zelfs als enigszins tegen het ergste bewapend. Later ja! Later was alleen de gedachte aan zijn handpalm, die mijn geliefde ten afscheid tegen het achterraam van de koets had gelegd, al genoeg om mij te breken, maar toen was de dood al een keer aan mij voorbijgegaan zonder een uitweg te willen bieden.

Meteen na Giacomo’s vertrek begon een drukte waarin er voor mijn rouw gewoon geen ruimte was. Nog diezelfde middag kwam Adriana’s oude mentor de tuinkamer binnen terwijl ik het bed van mijn lief stond af te halen. Mijn plakkerige haar en opgebonden rok sloegen monsieur De Pompignac zichtbaar uit het lood, maar hij herstelde zich en liet weten mij de volgende ochtend om tien uur in de bibliotheek te verwachten. Daarop vroeg hij mij een van mijn voeten op het bed te zetten. Vol ongeloof bestudeerde hij het eelt en vertrok met hangende schouders.’

Wees wel gewaarschuwd: als je eenmaal in Een schitterend gebrek begint, kun je niet meer stoppen. Zoek dus net als ik een Venetiaanse ober die je af en toe van een nieuwe kop warme chocolademelk en een schaaltje met koekjes voorziet, zodat je het verhaal in één ruk uit kunt lezen. Als je dan daarna over de vele bruggetjes van de stad dwaalt, weet je dat Venetië nooit meer hetzelfde zal zijn – het is nog mooier, nog mysterieuzer dan voorheen!

Een schitterend gebrek
Arthur Japin
ISBN 9789029573641
€ 12,50
uitgeverij De Arbeiderspers

feb 14

Een Italiaanse Valentijnswens voor alle lezers van Ciao tutti:

Albarighet – Fotolia.com

 

Voor een dag vol liefde, met volgens het hart:

*affetto – affectie, genegenheid
*amare – houden van
*amarsi – van elkaar houden
*amore – liefde, maar ook, als koosnaampje, liefje
*bellezza – schoonheid
*coppia – stelletje, paartje
*cuore – hart
*dolcezza – zoetheid, tederheid
*felicità – geluk
*fidanzati – verloofden
*gioia – vreugde
*incontro – ontmoeting
*innamorati – verliefden
*passione – passie
*rapporto – relatie
*relazione – relatie, verhouding
*rispetto – respect
*romantico – romantisch
*rose – rozen
*rosso – rood
*sentimento – gevoel

Wie zijn geliefde een uitgebreidere Italiaanse liefdesverklaring wil geven, kan nog even een kijkje nemen op mijn blog van Valentijnsdag 2010, met nog meer Italiaanse inspiratie.

Getagd met:
feb 13

Egidia Degrassi – Fotolia.com

 

Speciaal voor morgen, Valentijnsdag, een recept waarvan je geliefde in vuur en vlam zal staan – en dat geblust dient te worden met een heerlijke Italiaanse wijn: penne all’arrabbiata!

Ingrediënten
(voor 6 personen)

500 g penne
500 g ontvelde tomaten
2 teentjes knoflook
2 rode pepers
een paar blaadjes basilicum
5 eetlepels extra vergine olijfolie
zout

Hak de knoflook fijn en snijd de rode pepers in ringetjes. Verhit de olijfolie in een koekenpan en bak hierin de knoflook en de peper. Voeg na een paar minuten de fijngeprakte tomaten en een snufje zout toe. Doe het deksel op de pan en laat ongeveer 20 minuten koken. Roer af en toe door.

Voeg vlak voor het einde van de kooktijd een paar blaadjes basilicum toe. Kook in de tussentijd de penne volgens de aanwijzingen op de verpakking in voldoende water met zout al dente. Giet af en meng de penne door de saus.

Buon appetito!

Getagd met:
feb 12

Eigenlijk had het stukje van vandaag dezelfde titel kunnen hebben als het stukje van gisteren. Als er iemand aangemerkt kan worden als de Italiaanse minnaar, dan is dat immers Casanova wel, de Venetiaanse avonturier die zijn magnetische persoonlijkheid gebruikte om meer dan tweehonderd vrouwen te versieren. Hij wist de strikte sociale regels van de achttiende eeuw te ontstijgen om in het gezelschap van koningen te verkeren en mooie vrouwen te charmeren. Voor wie hij werkelijk beminde was hij de ideale minnaar – attent, gul en vindingrijk. Tegenover anderen gedroeg hij zich wreed en egoïstisch.

In De vrouwen van Casanova toont Judith Summers ons de man achter de legende. Ze laat Casanova zien door de ogen van degenen die hem het best kenden – de vrouwen die hij verleidde, onder wie Angela, een preutse maagd en Marina, een non met een libido dat haar religieuze overtuiging verre oversteeg. Ook de ervaringen van Henriette, een aristocrate die op de vlucht was voor haar agressieve echtgenoot, en van Teresa, de vrouwelijke impresario van een exclusieve nachtclub en moeder van Casanova’s dochter, Sofia, die op haar beurt met de charmes van haar vader te maken kreeg, komen aan bod.

Een stukje uit het hoofdstuk Maagden van de Veneto, over Bettina Gozzi:

‘De zestienjarige Bettina Gozzi zat op haar bed in het kleine kamertje naast haar vaders slaapkamer in hun huis in Padua. Ze opende het pakje dat signora Casanova, de moeder van de lievelingsleerling van haar broer, haar uit Venetië had gestuurd. Tot haar grote verbazing bevatte het twaalf paar fijne handschoenen en vijf lappen zwarte zendale, de sindaalzij waarmee modieuze dames hun hoofd en schouders bedekten. Bij deze schitterende geschenken zat een boodschap van de actrice aan de schoenmakersdochter; zou Bettina het haar van Giacomo voortaan beter willen verzorgen, zodat hij de afschuwelijke pruik die zijn grootmoeder voor hem had gekocht niet meer hoefde te dragen?

Bettina vouwde een van de lappen stof open en drapeerde hem over haar hoofd. Ze nam zichzelf aandachtig op in een stukje spiegelglas. Misschien zou ze beledigd zijn geweest als signora Casanova haar verzoek niet met deze weelderige geschenken had omkleed: ze had de haren van de jongen immers verzorgd sinds hij in de zomer van 1734 bij haar familie was ingetrokken.

De signora betaalde Bettina’s ouders, Apollonia en Vincenzo Gozzi, een kost- en kleedgeld van twee zecchinen per maand en hoewel Bettina daar zelf natuurlijk niets van terugzag, was het haar taak Giacomo ’s ochtends te baden en aan te kleden en ’s avonds naar bed te helpen. De jongen had meteen een grote genegenheid voor de zus van zijn leraar opgevat zonder precies te beseffen waarom; dat zou hem na verloop van tijd pas duidelijk worden. Later zei hij hierover: ‘Zij was het die heel langzaam de eerste vonken deed oplichten van de hartstocht die mijn leven zou overheersen.’

Elizabetta Maria Gozzi, zoals Bettina in 1720 was gedoopt, was een aantrekkelijk, opgewekt meisje van zestien, vrolijk, slim en speels, een kind, kortom, dat het verdiende aanbeden te worden. Haar ouders leverden echter constant kritiek op haar. Als de jongens uit Padua bewonderende blikken op haar wierpen, berispten Vincenzo en Apollonia hun dochter omdat ze zich te veel voor het raam vertoonde. En hoewel ze er uiterst trots op waren dat hun zoon Antonio zich had opgewerkt tot priester, leraar en doctor in het civiel- en kerkelijk recht, schepten ze geen enkel genoegen in het feit dat Bettina kon lezen en schrijven.

In verlichte kringen begon het onderwijs steeds meer aandacht te krijgen. Zo had de Academie van de Ricovrati in Padua in juni 1723 nog een publiek debat georganiseerd over de vraag ‘Moeten vrouwen worden toegelaten tot de studie van de wetenschap en de edele kunsten?’ Het gerucht deed zelfs de ronde dat de universiteit van Bologna in 1732 een vrouwelijke professor in de wijsbegeerte en natuurwetenschappen had aangesteld. Desondanks beperkte het onderricht aan vrouwen zich zelfs onder de Italiaanse adel tot een enkele vreemde taal, naailes, zangles en beleefde conversatie. En bij gewone families als de Gozzi’s was een geletterde dochter eerder een reden tot zorg dan een welkome aanwinst. […]

Bettina maakte er het beste van: ze was van nature een tevreden kind en hield veel van haar vrome, geleerde broer. Haar grootste plezier ontleende ze aan boeken. Die kocht ze van de venters die met een mars vol boeken van de drukkerijen in Venetië naar Spanje, Duitsland en Rusland trokken of uit Leipzig naar Rome afzakten. Tijdens de jaarmarkten in Padua was Bettina op de piazza te vinden, waar ze urenlang stond te luisteren naar de verhalen die de marskramers uit hun boeken declameerden. Weer thuis verloor ze zich in vertellingen van nobele bandieten, avonturen op zee en romantiek, boeken die haar streng religieuze broer afkeurde.

Mocht Bettina Giacomo’s ochtendtoilet ooit haastig hebben afgewerkt voor ze Zanetta’s geschenken ontving, nu spande ze zich dubbel in om hem goed te verzorgen. Iedere ochtend liep ze de trap op naar de grote kamer die hij met haar broer deelde, ging op het bed zitten waarin leraar en leerling naast elkaar sliepen en begon zorgvuldig het haar van de jongen te kammen voor hij opstond. Vervolgens waste ze zijn gezicht en bovenlichaam en kietelde en kuste hem, zoals een zus met haar jongere broertje zou doen. Giacomo’s korte krullen waren al snel lang en dik; de dwaze pruik verdween voorgoed in de kast.’

Summers baseerde haar unieke beeld van de legendarische rokkenjager op dagboeken, brieven en memoires uit Casanova’s tijd en geeft een stem aan de vrouwen aan wie Casanova zijn reputatie ontleende. De vrouwen van Casanova is een levensecht portret van de befaamde versierder en de vrouwen die veel te lang in zijn schaduw hebben gestaan.

Lees het complete verhaal van Bettina en alle andere vrouwen van Casanova in

De vrouwen van Casanova
Judith Summers
vertaald door Hanneke Bos
ISBN 9789029079709
€ 10,00
uitgeverij Meulenhoff

feb 11

Italië, 1930. De zussen Tessa en Freddie Nicolson zijn geboren en getogen in Italië. Wanneer ze in hun tienerjaren naar Engeland worden gestuurd, verandert hun leven drastisch. De onconventionele en mooie Tessa wordt een succesvol model en krijgt een relatie met een getrouwde man. Wanneer zijn echtgenote daar achter komt, vlucht Tessa naar Italië.

Aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog reist Freddie af naar Toscane om Tessa op te zoeken. Onderweg ontmoet ze Jack Ransome, reiziger en parttime spion. De aantrekkingskracht tussen de twee is duidelijk aanwezig, maar Freddie laat de kans op een romance aan zich voorbijgaan. Wanneer de oorlog echter in alle hevigheid losbarst, lijkt elke kans op geluk voor de twee zussen verkeken…

Een heerlijk boek voor Italiëliefhebbers, zeker nu vlak voor Valentijnsdag! Vandaag op Ciao tutti alvast een voorproefje dat zich afspeelt tijdens de zomer van 1933, in villa Millefiore:

‘Vanaf het terras achter het huis kon Tessa de terracottakleurige daken en koepels van Florence zien liggen, glinsterend in de heiige nevel van hitte. ’s Avonds bereikte het geluid van de kerkklokken de villa op de heuvel. Tessa rende de stenen trap van het terras af en een pad op dat tussen een muur van buksbomen en cipressen door liep. Aan een kant van de tuin lagen een moestuin en een boomgaard; aan de andere kant stonden eikenbosjes die werden omringd door laurier. Achter de tuin lagen wijn- en olijfgaarden die ooit bij de villa hadden gehoord, maar die al lang geleden waren verkocht om de rekeningen te kunnen betalen.

Tessa was dol op de tuin van villa Millefiore. Er waren overal hoekjes en boogjes waarachter je zomaar op iets heel bijzonders kon stuiten: een laantje met pioenrozen, een border vol enorme witte lelies waarboven dikke bronskleurige motten als kolibries zoemden, of een vijver vol goudkleurige karpers, met een schelpvormige fontein, die stroompjes water recht omhoog spoot. Overal klonk het geluid van water, dat in een strak gordijn achter de zeemeermin in haar grot stroomde en via smalle kanaaltjes uiteindelijk samenkwam in een diepe, ronde vijver, waar een stenen zeemonster met zijn staart vol schubben om zich heen sloeg, terwijl er water uit zijn open bek liep.

Tessa trok haar sandalen uit en liep blootsvoets over de bovenrand van een muurtje dat om de vijver stond. Langs de muur stond een hele rij standbeelden. Tessa wist niet meer of het muzen of nimfen waren. Hun witte borsten en bolle billen waren bedekt door schaarse marmeren gewaden. Hun vingers grepen vruchteloos naar de ontsnappende flarden stof. Tessa vond dat ze karakterloze, stomme gezichten hadden.

Onder haar zomerjurk droeg ze haar badpak. Ze trok haar jurk over haar hoofd uit en legde hem op het muurtje. Toen dook ze het water in.
De vijver was diep, ruim drie meter. Mevrouw Hamilton had haar verteld dat de huishouding er in perioden van grote droogte water uit had gedronken. Tessa hoopte maar dat ze het eerst hadden gekookt, want het stikte van het wier in de vijver. Ze dook er altijd in zonder erover na te denken, bijna als in een reflex, voor ze tijd had om zich voor te stellen hoe die zachte, kleverige draden wier, die als spinnenwebben tussen haar vingers en tenen wriemelden, aan haar lichaam voelden. Het water onder de oppervlakte was donkergroen en troebel. Midden in de vijver stond de stenen pilaar waarop het beeld van het zeemonster steunde. Toen het gezin Zanetti op bezoek was geweest, hadden ze een wedstrijdje gedaan wie er het meest om de zuil kon zwemmen zonder boven te komen om lucht te happen. Guido had gewonnen; Tessa zag zijn lenige, donkere lichaam nog voor zich in het water.

Het gezin Zanetti – de tweeëntwintigjarige Guido, zijn achttienjarige broertje Alessandro, die ze Sandro noemden, en hun veertienjarige zusje Faustina – was bevriend met het gezin Nicolson en mevrouw Hamilton. Guido’s vader, Domenico, was de minnaar van Tessa’s moeder. Dat had Guido vorig jaar aan Tessa verteld, waarop Tessa het weer aan Freddie had verteld.

Tessa en Freddie hadden er geen van beiden moeite mee dat hun moeder en Domenico elkaar hadden gevonden. Domenico maakte mama gelukkig, op een manier waarop hun vader, die een opvliegend karakter en een scherpe tong had gehad, dat nooit had gedaan. Tessa had de neiging haar moeder, van wie ze erg veel hield, te beschermen. Domenico Zanetti was de eigenaar van een zijdeatelier in het San Frediano-district in Florence. Zijn vrouw, Olivia, had een lang gezicht en een kleine boezem. Haar bruine en crèmekleurige japonnen vielen ondanks de goede kwaliteit niet mooi om haar lange, magere lichaam: kraagjes hingen af over haar hoekige schouders en gekreukte mouwen vielen over haar knokige vingers. Als iemand ernaar zou hebben gevraagd, zou Tessa haar koraalroze of zeegroen hebben aangeraden, kleuren die Olivia’s grauwe huid veel beter zouden doen uitkomen.

Tessa vermoedde dat Guido haar over haar moeder en zijn vader had verteld om haar te choqueren. Als dat zo was, had het geen effect gehad. Tessa was opgegroeid tussen de voortdurend wisselende populatie van schilders en dichters in Italië die de beklemmende mistroostigheid van hun Noord-Europese thuislanden waren ontvlucht en er was maar weinig wat haar choqueerde. Haar longen ontploften bijna en daarom zwom ze naar het smaragdgroene licht aan de oppervlakte. Toen haar hoofd boven water kwam, hapte ze naar adem. Met gesloten ogen zwom ze op haar rug rond.

Ze gingen die avond bij het gezin Zanetti eten. Tessa zou haar nieuwe violetkleurige zijden jurk aantrekken, en Freddie haar amandelroze. Domenico Zanetti had mama de stof gegeven, die was geweven in zijn atelier, en mama en Tessa hadden de jurken gemaakt. Tessa was dol op mooie kleding; als ze de kans kreeg verslond ze modebladen en ze was een uitstekende naaister. Ze besloot mama te vragen of ze haar Wakeham-granaten erbij mocht dragen. Ze waren van mama’s grootmoeder geweest en behoorden tot de weinige sieraden die het huwelijk van Christina met Gerald Nicolson hadden overleefd. Ze zouden prachtig staan bij haar nieuwe jurk.

Een stem zei: ‘Er zit wier in je haar.’
Tessa opende haar ogen. Guido Zanetti stond aan de rand van de vijver, met één voet op het muurtje. ‘De huishoudster zei dat jullie allemaal lagen te slapen,’ zei hij, ‘dus ik ben even gaan wandelen. Kom eens hier, Tessa.’
‘Waarom?’
‘Zodat ik dat wier uit je haar kan halen.’

Zijn ogen lachten. Guido zag er erg zelfingenomen uit, vond Tessa. Hij had Romeinse trekken, met krullend zwart haar en donkerbruine, vurige ogen. Hij droeg een lichtgekleurd linnen pak met een lichtblauw overhemd. Hij was ijdel, zich ervan bewust dat hij aantrekkelijk was – Tessa zag voor zich voor hoe hij zijn revers op hun plaats had geklopt voordat hij het palazzo van het gezin Zanetti verliet, en hoe hij zijn haar met zijn hand zou hebben gladgestreken. Guido hield graag afstand van de rest: zij waren kinderen, leek hij ermee aan te willen geven, en hij was een man.’

Benieuwd hoe dit afloopt? Lees dan verder in:

De Italiaanse minnaar
Judith Lennox
vertaald door Titia Ram
ISBN 9789047516040
€ 18,99
uitgeverij Van Holkema & Warendorf

feb 10

‘Deze roman is een soort spoedcursus in geluk, een duik in de wereld van sprookjes.’ Zo berichtte La Stampa, een Italiaanse krant, laatst over het boek L’ultima riga delle favole. Dat klonk veelbelovend, dus ik noteerde de titel op mijn verlanglijstje voor mijn volgende bezoek aan een Italiaanse boekhandel.

Gelukkig is het boek vanaf vandaag ook in Nederland verkrijgbaar, dus nu kan ik jullie eindelijk deelgenoot maken van de belevenissen van Tomàs, een mens als ieder ander. Net als zoveel mensen is hij onzeker en denkt hij dat hij niet bij machte is zijn leven te veranderen. Zijn leven is dan ook een continue vlucht, maar op een avond bevindt hij zich opeens in de mysterieuze Thermen van de Ziel, waar in hem weer de vonk van nieuwsgierigheid ontsteekt die in elk kind sluimert. Is hij dood, droomt hij, of is hij terechtgekomen in een magisch parallel universum?

Zo begint een symbolische reis waarbij Tomàs door bijzondere ontmoetingen met zeer uiteenlopende personen geconfronteerd wordt met zijn denkwijze, zijn verleden en toekomst, zijn ziel, en met zijn ultieme verlangen: het vinden van een  zielsverwant. Na een reeks avontuurlijke beproevingen komt hij uiteindelijk tot de laatste regel van het sprookje, het ogenschijnlijk simpele ‘ze leefden nog lang en gelukkig’.

Om jullie alvast een beetje te laten meegenieten vandaag de eerste regels uit De laatste regel van het sprookje:

‘Arianna was precies het soort meisje waarop hij verliefd zou kunnen worden. Hij moest de benen nemen en verdwijnen eer het te laat was.
Over nog geen uur was de afspraak en bij de gedachte alleen al moest hij niezen. Hij zou haar dus bellen om mee te delen dat een besmettelijke verkoudheid zijn neus verhinderde om met haar uit eten te gaan.

Hij diepte een bankbiljet op dat onder in zijn broekzak verging van de eenzaamheid. Aan de rand had hij in zijn hanenpotenhandschrift een telefoonnummer gekriebeld, maar bij het intoetsen van de cijfers kwam de onvermijdelijke aarzeling en het toestel begon in zijn handen te rinkelen.

‘Vanavond kan ik niet met je uit…’ begon het soort meisje waarop hij verliefd zou kunnen worden.
Hij werd er verliefd op.
‘Heb je navraag naar me gedaan?’
‘Ik had al een andere afspraak… Dat was ik vergeten…’
‘Ik begrijp het.’
‘Dat kun je niet begrijpen en ik kan het niet uitleggen… Er zit iemand tussen…’

Arianna liet een langere stilte vallen dan tevoren, waarin ze totaal vergat adem te halen. ‘Misschien… de komende dagen…’
‘Tuurlijk, de komende dagen.’
‘Welterusten, Tomàs… Heb fijne dromen…’ en ze hing op.

Tomàs bleef met de hoorn aan zijn oor zitten een ongeladen pistool. Het bankbiljet stopte hij onder in zijn broekzak en hij begon weer te niezen.’

Massimo Gramellini (Turijn, 1960) laat Tomàs een sprookjesachtig verhaal beleven dat tot de laatste regel blijft boeien. Gramellini is journalist, columnist en adjunct-hoofdredacteur van La Stampa. De laatste regel van het sprookje is zijn eerste roman, die sinds publicatie onafgebroken in de Italiaanse bestsellerlijsten staat en wereldwijd in vertaling zal verschijnen.

De laatste regel van het sprookje
Massimo Gramellini
vertaald door Jan van der Haar
ISBN 9789023458555
€ 19,90
uitgeverij Cargo

preload preload preload