jun 20

De stapels boeken voor de zomervakantie liggen vast al klaar, gezien de Italiaanse tips van de afgelopen maanden, maar vandaag iets leuks voor de wat jongere lezers (al heb ik er zelf ook erg van genoten!). De reis naar Italië is in een oogwenk voorbij met dit spannende avontuur op de achterbank!

In Gladiator is de hoofdrol weggelegd voor Marcus Cornelius Primus, een jonge rekruut die wordt ingewijd in het harde bestaan van gladiator. Zijn dagen worden beheerst door strikte discipline en afmattende trainingen. Maar hij kan zijn verleden niet zomaar vergeten: zijn vader, ooit een gevierde centurio, werd door soldaten vermoord, en zijn moeder werd ontvoerd en als slavin verkocht. Marcus is vastbesloten om Pompeius de Grote, die destijds commandant van zijn vader was, te vinden en hem om hulp te vragen. Het recht moet zegevieren en zijn moeder moet bevrijd worden.

Wat Marcus echter niet weet is dat hij een levensgevaarlijk geheim met zich meedraagt. Als de andere Romeinen hier lucht van krijgen, is hij zijn leven niet meer zeker…

Een fragment:

‘Marcus wist meteen dat het mis was toen de oude Aristides op een vroege zomerochtend de binnenplaats op stormde. Marcus was enthousiast met Cerberus aan het spelen en probeerde de ruigharige jachthond te leren om op zijn bevel te gaan zitten en daarna te gaan liggen. Maar Cerberus had alleen zijn kop schuin gehouden, met zijn tong uit zijn bek, en niet-begrijpend naar zijn jonge baasje gekeken. Zodra hij Aristides in het oog kreeg, rende hij met grote sprongen op de oude man af en begon te kwispelen.

De geitenhoeder was buiten adem en leunde hijgend op zijn staf tot hij was bijgekomen en weer iets kon uitbrengen.
‘Drie mannen.’ Met een trillende vinger wees hij naar het pad dat vanaf Nidri de heuvel op liep.
‘Grote mannen… Soldaten, volgens mij.’

De vader van Marcus zat aan de lange, oude tafel in de schaduw van een houten latwerk waar polsdikke wijnstokken doorheen kronkelden. Titus Cornelius was druk bezig geweest met de boekhouding van de boerderij, maar nu legde hij zijn stylus op de wastafeltjes, kwam overeind en liep met grote passen de kleine binnenplaats over.
‘Soldaten, zei je?’
‘Ja, meester.’
‘Juist.’ Titus glimlachte licht voor hij op een toegeeflijke toon verderging. ‘En wat weet jij van soldaten, oude man? Dieren, ja, natuurlijk. Maar soldaten?’

Aristides rechtte zijn rug en staarde zijn meester in de ogen. ‘Twee van de mannen hebben speren bij zich, en ze dragen allemaal een zwaard.’

Marcus keek naar zijn vader en zag heel even een bezorgde blik over zijn gezicht trekken. Marcus had zijn vader nog nooit ongerust gezien. Hij had meerdere littekens in zijn verweerde gezicht, overgehouden aan zijn tijd in de legioenen van generaal Pompeius. Hij was centurio geweest, een officier, gepokt en gemazeld door alle veldslagen, toen hij ontslag had genomen en de adelaars de rug had toegekeerd. Hij had de boerderij op het eiland Lefkas gekocht om daar met Marcus’ moeder, die een paar maanden daarvoor het leven aan een zoon had geschonken, een rustig leven te beginnen. In de jaren daarna had hij een vast inkomen opgebouwd met een kleine kudde geiten die door Aristides werd verzorgd en de druivenplanten die op zijn grondgebied stonden.

Marcus kon zich van zijn vroege jeugd betere tijden herinneren, maar nu had het al drie jaar niet meer geregend en de gewassen waren verwoest door droogte en meeldauw. Titus had zich genoodzaakt gezien om geld te lenen. Marcus wist dat het om een groot bedrag ging – hij had zijn ouders er ’s avonds over horen fluisteren als ze dachten dat hij sliep, en lag dan nog uren te piekeren als zij allang stil waren.

Toen hij een zacht geschuifel hoorde draaide Marcus zich om en hij zag dat zijn moeder haar kamer uit was gelopen, die aan de binnenplaats lag. Ze was een nieuwe tunica voor hem aan het maken, maar zodra ze had gehoord wat Aristides zei, was ze achter haar weefgetouw vandaan gekomen.

‘Ze hebben speren,’ mompelde ze, en toen keek ze naar Titus. ‘Misschien zijn ze op weg naar de heuvels om op wilde zwijnen te jagen.’
‘Dat lijkt me sterk,’ zei de oud-centurio hoofdschuddend. ‘Als ze op zwijnenjacht gaan, waarom hebben ze dan zwaarden bij zich? Nee, hier is iets anders aan de hand. Ze komen naar de boerderij.’ Hij deed een stap naar voren en gaf Aristides een schouderklopje. ‘Goed dat je me hebt gewaarschuwd, oude vriend.’

‘Oude vriend?’ De ogen van de geitenhoeder glinsterden. ‘Ik ben nog geen tien jaar ouder dan u, hoor, meester.’
Titus lachte, een volle, bulderende lach die Marcus al zijn hele leven hoorde en die hem elke keer weer geruststelde. Ondanks een zwaar leven in de legioenen was zijn vader altijd goedgehumeurd gebleven. Soms pakte hij Marcus wel streng aan – zo had hij erop gestaan dat Marcus zijn eigen ruzies uitvocht met een aantal kinderen uit Nidri, maar het was overduidelijk dat zijn vader van hem hield.

‘Waarom komen ze hierheen?’ vroeg zijn moeder. ‘Wat zoeken ze hier?’
Marcus zag zijn vaders lach verflauwen. ‘Problemen,’ gromde hij. ‘Dat zoeken ze hier. Ze zijn vast door Decimus gestuurd.’
‘Decimus?’ Marcus zag hoe zijn moeder geschokt haar hand naar haar mond bracht. ‘Ik zei toch dat we ons niet met hem hadden moeten inlaten.’
‘Nou, daar is het nu te laat voor, Livia. Nu moet ik dit met hem afhandelen.’

Marcus schrok van zijn moeders reactie en kuchte zacht.
‘Vader, wie is Decimus?’
‘Decimus?’ Titus lachte spottend en spuugde op de grond. ‘Dat is een hond van een afperser die al jaren geleden eens flink op zijn nummer gezet had moeten worden.’
Marcus staarde hem wezenloos aan en Titus grinnikte terwijl hij zijn hand uitstak om liefdevol door zijn donkere krullen te woelen. ‘Het is niet bepaald een fijne man, onze Decimus. De rijkste woekeraar op Lefkas, en dankzij zijn banden met de Romeinse gouverneurs is hij nu ook aangesteld als belastinginner.’

‘Geen prettige combinatie,’ voegde Livia daar zachtjes aan toe. ‘Hij heeft al meerdere boeren rondom Nidri te gronde gericht.’
‘Nou, deze boer krijgt hij niet!’ snauwde Titus. ‘Aristides, haal mijn zwaard.’
De geitenhoeder trok verontrust zijn wenkbrauwen op en haastte zich toen naar binnen. Cerberus keek hem nog even na en liep vervolgens op een drafje terug naar Marcus, die de hond liefkozend over zijn kop aaide. Livia kwam naar voren en greep Titus’ stevige arm beet.

‘Wat bezielt je, Titus? Je hebt toch gehoord wat Aristides zei? Ze zijn met z’n drieën en gewapend. Soldaten, zei hij. Daar kun je niet tegenop. Geen denken aan.’
Titus schudde zijn hoofd. ‘Ik heb wel eens een grotere overmacht tegenover me gehad, en verslagen. Dat weet jij ook.’

Zijn moeders gezicht verstrakte. ‘Dat is heel lang geleden. Je hebt al ruim tien jaar niet meer gevochten.’
‘Ik zal alleen met ze vechten als het niet anders kan. Maar Decimus heeft ze ongetwijfeld gestuurd om geld te innen, en ze zullen niet weggaan voor ze het hebben.’
‘Hoeveel geld?’
Titus sloeg zijn ogen neer en krabde in zijn nek. ‘Negenhonderd sestertiën.’
‘Negenhonderd!’

‘Ik loop drie termijnen achter,’ legde Titus uit. ‘Ik had dit wel verwacht.’
‘En kun je ze betalen?’ vroeg ze bezorgd.
‘Nee. Ik heb bijna niets in de kluis. Genoeg om ons de winter door te krijgen, maar daarna…’ Hij schudde zijn hoofd.

Livia fronste boos haar wenkbrauwen. ‘Dit mag je me straks allemaal haarfijn uitleggen. Marcus!’ zei ze tegen haar zoon. ‘Ga de geldkist halen die onder het altaar in het atrium staat. Nú!’
Marcus knikte en wilde het huis in rennen.
‘Hier blijven, jongen!’ riep Titus, hard genoeg om tot buiten de poort nog gehoord te worden. ‘Laat die kist staan. Ik laat me niet dwingen om ook maar één munt te betalen voor ik er klaar voor ben.’

‘Ben je gek geworden?’ vroeg Livia. ‘Je kunt niet in je eentje tegen gewapende mannen op.’
‘Dat zullen we nog wel eens zien,’ antwoordde Titus duister.
‘Ga met de jongen naar binnen. Ik regel dit wel.’
‘Straks raak je gewond, Titus, of je wordt vermoord. En wat gebeurt er dan met Marcus en mij? Nou?’
‘Ga naar binnen,’ beval Titus.

Marcus zag dat zijn moeder haar mond opendeed om tegen te sputteren, maar ze kenden de staalharde blik in Titus’ ogen allebei maar al te goed. Ze schudde geërgerd haar hoofd en stak haar hand uit naar Marcus. ‘Kom mee.’

Marcus keek van zijn moeder naar zijn vader en bleef staan waar hij stond, vastbesloten om zijn vader te bewijzen wat hij waard was.
‘Marcus, kom mee. Nu meteen!’
‘Nee. Ik blijf hier.’ Hij maakte zich groot en zette zijn handen in zijn zij. ‘Cerberus en ik kunnen vader bijstaan als het op een gevecht aankomt.’ Hij wilde dapper klinken, maar zijn stem bibberde een beetje.

‘Wat krijgen we nu? Wou je blijven?’ vroeg Titus verbaasd.
‘Jij bent er nog niet aan toe om je al in het strijdgewoel te mengen, mijn zoon. Ga met je moeder mee.’
Marcus schudde zijn hoofd. ‘U hebt me nodig. Ons.’ Hij knikte naar Cerberus en de oren van de hond gingen rechtop staan terwijl hij met zijn staart kwispelde.

Voor Titus bezwaar kon maken, kwam Aristides weer naar buiten. Met zijn ene hand omklemde hij zijn staf en in de andere had hij een zwaardschede waaraan een leren band bungelde. Titus nam het wapen aan, sloeg de band over zijn hoofd en bewoog een paar keer met zijn schouder tot het zwaard goed hing en hij makkelijk bij het gevest kon. Aristides liep naar de poort om het pad dat langs de helling naar Nidri leidde in de gaten te houden. Plotseling pakte Titus de greep van het zwaard beet en trok de kling in één vloeiende beweging uit de schede, zo snel dat Marcus in elkaar kromp. Hij slaakte een kreet en Cerberus gromde.

Zijn vader keek hem lachend aan en stak het wapen weer weg. ‘Rustig maar. Ik wilde alleen even controleren of ik het zwaard makkelijk kon trekken. Daarom zorg ik er altijd voor dat de schede en de kling geolied zijn… voor het geval dat.’
Marcus slikte nerveus. ‘Voor het geval dat wat, vader?’
‘Voor het geval dat er zoiets als dit gebeurt. En nu laat je dit aan mij over. Ga naar binnen tot ik je roep.’

Marcus keek opstandig terug. ‘Ik hoor aan uw zijde te staan, vader. Ik kan vechten.’ Hij legde zijn hand op het leren lapje en de bandjes van de katapult die in de riem rond zijn middel was gestoken. ‘Hiermee kan ik op vijftig passen afstand een haas raken.’

Zijn moeder had het gesprek tussen haar man en zoon zwijgend aangehoord, maar nu riep ze: ‘Marcus, alsjeblieft! Kom onmiddellijk naar binnen!’
‘Livia,’ kwam haar man tussenbeide. ‘Ga jij maar. Verstop je in de keuken. Ik bespreek dit wel met Marcus. Hij komt er zo aan.’

Ze wilde protesteren, maar toen ze de vlammende blik in zijn ogen zag, draaide ze zich om en liep weg; haar sandalen schuifelden over de terrasstenen. Titus keek weer naar Marcus en glimlachte hem toe. ‘Mijn zoon, je bent echt nog te jong om mijn ruzies te kunnen uitvechten. Ga alsjeblieft met je moeder mee.’
Maar het was al te laat. Voor Titus uitgesproken was liet Aristides een fel gesis horen. De geitenhoeder zette zijn hand aan zijn mond en riep zo hard hij durfde: ‘Meester! Ze komen eraan!’

De rest van het avontuur lees je in

Gladiator – Vechten voor vrijheid
Simon Scarrow
ISBN 978 90 257 4970 5
€ 14,95
uitgeverij Gottmer

Getagd met:
aug 21

In Rome las ik Italianen voor gevorderden, een onmisbaar boek voor elke Nederlander die zichzelf een Italiëkenner of een Italofiel wil noemen. Beppe Severgnini maakt in zijn boek een studie van het meest interessante onderdeel van Italië: de Italiaan zelf.

De tocht op weg naar het innerlijk van de Italianen is zeer de moeite waard, maar niet zonder gevaren, en sommige reizigers aarzelen om eraan te beginnen. Ze worden weerhouden door gemakzucht en de angst om het geromantiseerde beeld van de Italianen dat ze voor zichzelf hebben opgebouwd te vernietigen. Voor de meeste Italianen zelf is het beangstigend om ongemakkelijke waarheden aan het licht te brengen, maar Beppe Severgnini heeft daar absoluut geen moeite mee. In Italianen voor gevorderden maakt hij een systematische vertaling van zijn thuisland, het werkelijke Italiaanse universum van de werkelijke Italianen.

Hij vertelt over de onbegrijpelijke regels van de straat, de anarchie van het kantoor en de omslachtige treinreizen. Over de zintuiglijke geruststelling van een kerk en het belang van het strand, over de eenzaamheid van het voetbalstadion en de overvolle Italiaanse slaapkamer. In tien dagen doet hij dertig plaatsen aan, reist hij van noord naar zuid en weer terug. Praat hij over eten en politiek, over de deugdelijkheid van het platteland en over de dierentuin die de televisie feitelijk is. Hiermee is Italianen voor gevorderden dé gids voor iedereen die iets van de Italianen wil begrijpen. En wie wil dat nou niet?

Toen ik in Rome Severgnini’s beschrijving van een dag in Rome las, moest ik gelijk terugdenken aan mijn ontmoeting met een gladiator, in februari van dit jaar. Deze gladiator was vanwege het gebrek aan toeristen bij het Colosseum maar naar de Trevifontein gewandeld, in de hoop daar wat toeristen te treffen die met hem op de foto zouden willen – tegen betaling uiteraard. Helaas waren zijn acteerprestaties niet bijzonder authentiek, aangezien hij zo ongeveer elke twee seconden een mobieltje van onder zijn kledij tevoorschijn haalde. Zelfs de toeristen die voor de eerste keer in de stad waren en met open mond naar de Trevifontein stonden te staren, trapten niet in zijn aanbod.

Ach ja, de Italianen en hun telefonino… Lees maar wat Severgnini erover schrijft, treffender kan ik het niet zeggen:

‘Sommige voorwerpen zijn zo belangrijk dat ze plekken worden, plekken die een rondleiding verdienen. Ze gewoon gebruiken volstaat niet. Het is zaak om de blik gericht te houden op de geboden vooruitzichten en om die goed in het geheugen te prenten. In Italië is een van die voorwerpen het televisietoestel – we hebben het er in Florence al over gehad. Een ander leerzaam object is de auto, en daar hebben we het straks over. Het meest welig tierende Italiaanse voorwerp is echter de mobiele telefoon.

Het mobieltje, de telefonino – zowel in het Nederlands als het Italiaans heeft het verkleinwoord iets bedrieglijks, maar in Italië betekent zo’n verkleinwoord volstrekt het tegengestelde (momentje, glaasje, kusje) – is de uitvinding die de laatste jaren ons leven nog het meeste heeft veranderd. Meer nog dan Berlusconi, de euro en Big Brother. De koppeling tussen de gsm en de Italiaanse burger is niet langer een zaak van statistieken; het ding maakt nu deel uit van de folklore. Als een Fransman of Duitser zijn ogen dichtdoet en aan Italië denkt, ziet hij niet het Colosseum, maar een vent die hard staat te praten, met een hand op zijn oor. Precies, zo iemand als daar staat. Moet je nu horen hoe hij iedereen vertelt over zijn liefdesleven, in afwachting van het moment waarop hij de kassier zijn financiële wederwaardigheden kan toevertrouwen.

Die andere gast is weer een fotomaniak: als hij zijn gsm heeft gebruikt voor overbodige praatjes, gaat hij over tot het maken van overbodige plaatjes. En die meneer daar heeft op zijn vijftigste de wonderen van het sms’en ontdekt. Hij tikt alles keurig in, compleet met hoofdletters, accenten, apostrofs en spaties. Is het je opgevallen hoe hij zijn bericht intikt, met het puntje van zijn tong uit zijn mond? De andere klanten gaan hem uit de weg en een enkeling heeft voorgedrongen, maar hij heeft niets in de gaten. Hij probeert erachter te komen hoe je het uitroepteken krijgt (!), maar het lukt hem niet.

De spectaculaire doorbraak van de mobiele telefoon in Italië heeft niet alleen te maken met het grote gebruiksgemak, maar ook omdat het wezen van de gsm in grote lijnen samenvalt met de volksaard. Het fenomeen nam een aanvang als vorm van exhibitionisme (‘Ik heb er eentje, jij ook?’), verschoof toen richting conformisme (‘Heb jij er eentje? Ik ook!’) en vervolgens kwam het nutsbeginsel om de hoek kijken (‘We hebben er allemaal eentje; een mens kan gewoon niet zonder!’). Het huidige succes heeft alles te maken met de tentakelachtige relaties binnen Italiaanse families. Ook de Finnen – die percentueel gezien meer gsm’s hebben dan wij – zouden die mobieltjes dolgraag de hele tijd gebruiken, maar ze weten niet wie ze moeten bellen. Papa belt mama, mama belt zoon, zoon belt vriend, vriend belt collega, collega belt kennis, kennis belt zijn verloofde, verloofde belt haar zus, zus belt ouders, ouders bellen ooms en tantes, ooms en tantes bellen neven en nichten, neven en nichten bellen naar huis, en thuis krijgt mama een belletje van papa, die bij de bank in de rij staat. De cirkel is rond en we kunnen weer opnieuw beginnen.’

Tja, ineens begrijp ik die gladiator een stuk beter. Je blijft natuurlijk een Italiaan, ook al trek je zo’n oud Romeins pakje aan…

Wil je ook alles lezen over de telefoon, de televisie, de auto en alle andere dingen waar Italianen niet zonder kunnen, duik dan een avond lang in Italianen voor gevorderden. Het beste alternatief voor een avond in Italië – al wil je daar na het lezen van het boek misschien niet meer zo graag naar toe. Bij mij werkte het alleen maar averechts: ik wilde die gekke Italianen aan een dieper onderzoek onderwerpen en eigenlijk niet meer huiswaarts keren. Maar ach, misschien zijn Italianen wel juist zo leuk door mijn Nederlandse ogen, doordat ze zo heerlijk anders zijn dan wij… en minstens zo onbegrijpelijk!

preload preload preload