aug 28

Vóór 1861 was Italië een hopeloos samenraapsel van kleine stadstaatjes en gebieden die bezet waren door Frankrijk, Spanje of Oostenrijk. De Italiaanse auteur Ippolito Nievo (1831-1861) was een van de felste voorvechters van de Italiaanse eenheidsstaat. In zijn korte, bewogen leven schreef hij vele werken, waarvan Belijdenissen van een Italiaan het bekendste is. Hij stierf in de strijd voor eenheid: onderweg van Sicilië naar Napels leed zijn stoomboot schipbreuk voor de kust van Sorrento.

Belijdenissen van een Italiaan opent met de woorden van Carlino Altovito: ‘Ik werd geboren als Venetiaan, maar zal [...] sterven als Italiaan.’ Carlino groeit op in het kasteel van Fratta, in de provincie van Venetië. Gegrepen door nationalistische gevoelens trekt hij al jong naar de Italiaanse centra van de macht: Venetië, Genua, Rome, Milaan en Napels. Ook de liefde kruist zijn pad, maar die gaat niet over rozen: Pisana, met haar temperamentvolle karakter, trekt hem voortdurend aan, maar stoot hem ook af.

In de vorm van een ironisch, autobiografisch relaas schetst Nievo de roerige jaren voor de Italiaanse eenwording, het Risorgimento. Hij stelt ons voor aan een stoet onvergetelijke personages: de graaf van Fratta, die nauwelijks kan lopen door een verroest zwaard dat hij altijd om zijn middel draagt; zijn kanselier, een schriel, mager mannetje dat loenst en dat als een angstig haasje achter de graaf aanhupt, en monseigneur Orlando, die door zijn vader voorbestemd werd krijgsheer te worden, maar bidden boven vechten verkoos.

Voor de lezers van Ciao tutti alvast een stukje uit het eerste hoofdstuk van Belijdenissen van een Italiaan:

‘Ik ben geboren als Venetiaan op 18 oktober van het jaar 1775, op de dag van de evangelist Sint-Lucas, en ik zal door Gods genade sterven als Italiaan, wanneer de Voorzienigheid, die op ondoorgrondelijke wijze de wereld regeert, dat wenselijk acht.

Ziedaar de moraal van mijn leven. En omdat niet ik deze moraal gemaakt heb maar de tijd dat gedaan heeft, kwam het dus bij mij op dat een naïeve beschrijving van wat de geschiedenis in het leven van een mens teweeg kan brengen, misschien nuttig zou kunnen zijn voor degenen die in andere tijden de vruchten van de gebeurtenissen uit het verleden mogen plukken.

Nu, in het jaar 1858 van de christelijke jaartelling, ben ik een oude man van over de tachtig, en toch nog jong van hart, misschien wel meer dan ik ooit in mijn harde jeugd en moeizame mannelijkheid geweest ben. Ik heb veel meegemaakt en veel geleden. Toch heb ik ook nooit gebrek gehad aan momenten van troost, die meestal niet herkend worden in tijden van tegenspoed, welke altijd de overhand lijken te hebben over de menselijke mateloosheid en zwakheid. Maar wanneer ze dan later, in hun ware gedaante van onoverwinnelijke talismannen tegen ieder kwaad, in de herinnering terugkeren, brengen ze hoop, rust en vrede in de ziel. Ik bedoel hiermee die gevoelens en denkbeelden die zich niet door omstandigheden van buiten laten leiden maar ze juist glorierijk beheersen en er een slagveld voor volop strijd van maken.

Mijn inborst, mijn geest, mijn opvoeding, mijn daden en mijn latere ontwikkeling: zij vormen zoals bij ieder mens een mengsel van goed en kwaad. En als het geen schaamteloos vertoon van bescheidenheid zou zijn, zou ik ook nog als punt van verdienste kunnen aanvoeren dat het kwaad een groter aandeel heeft gehad dan het goed. Maar dat zou allemaal de moeite van het beschrijven niet waard zijn, als ik niet geleefd zou hebben op het breukvlak van de twee eeuwen uit de geschiedenis van Italië die men zich nog lang zal heugen. Toen namelijk ontsproten voor het eerst de kiemen van het politieke denken dat vanaf de veertiende tot de achttiende eeuw doorbrak met de werken van Dante, Machiavelli, Filicaia, Vico en vele anderen die ik wegens mijn gebrek aan ontwikkeling en belezenheid nu niet weet te noemen

Ik ben dus door het feit, een ander zou misschien wel zeggen het ongeluk, dat ik in deze tijd geleefd heb op het idee gekomen alles wat ik gezien, gehoord, gedaan en meegemaakt heb, op te schrijven, vanaf mijn vroegste jeugd tot de beginnende ouderdom, toen de ongemakken van de leeftijd, de toegeeflijkheid tegenover jongeren, de gematigde denkbeelden van een oudere en, laat ik dat ook maar zeggen, de vele en vele tegenslagen van de laatste jaren mij dwongen terug te keren naar de landelijke omgeving waar ik ooit getuige was van het laatste en lachwekkende bedrijf in het grote drama van de feodaliteit.

Mijn eenvoudige verhaal is niet belangrijker voor de geschiedenis dan een voetnoot van de onbekende hand van een tijdgenoot bij de tekst van een zeer oud document. Ik vind dat het persoonlijk handelen van iemand die niet zo bekrompen is dat hij zichzelf ingraaft tegen de narigheden van de gemeenschap, noch zo stoïcijns dat hij zich daar openlijk tegen verzet, noch zo wijs of trots dat hij ze uit minachting links laat liggen, op een of andere manier een weergave moet zijn van het gemeenschappelijke en nationale handelen dat het persoonlijk handelen in zich opneemt, net zoals een vallende druppel de richting van de regen aangeeft.

De beschrijving van mijn lotgevallen zal dus min of meer een beeld zijn voor de ontelbare individuele levensverhalen die, vanaf het verval van de oude politieke orde tot het in elkaar flansen van de huidige, samen het grote Italiaanse verhaal vormen. Ik zou me kunnen vergissen, maar misschien zijn er wel wat jongelui die hierdoor op de gedachte komen zich te matigen in de overmoed van hun gevaarlijke illusies en misschien zullen een paar van hen het langzaam maar zeker begonnen werk met bezieling voortzetten en zullen vervolgens velen vastberaden doorgaan na al hun aarzelingen, waardoor ze eerst honderd dwaalwegen beproefd hebben alvorens die ene weg naar de ware toewijding aan het openbare welzijn te vinden.

Zo dacht ik er tenminste over in al die negen jaren waarin ik, stukje bij beetje, naargelang de herinnering en de inspiratie het mij ingaven, bezig was met het opschrijven van deze aantekeningen. Ik ben er met een vast vertrouwen mee begonnen op de avond van een grote nederlaag en ik ben er in deze jaren van herboren ijver mee doorgegaan als was het een lange boetedoening. Ook ben ik door dit schouwspel van de zwakheden en de kwaadaardigheden uit het verleden overtuigd geraakt van de grotere kracht en de meer gerechtvaardigde verwachtingen van het heden.

Voordat ik ze nu ga overschrijven, wilde ik eerst in deze korte inleiding beter de gedachte omschrijven en rechtvaardigen die mij, reeds oud en ongeletterd, misschien vergeefs tot de moeilijke kunst van het schrijven heeft aangezet. Maar de helderheid van de gedachten, de eenvoud van de gevoelens en de waarheid van mijn verhaal zullen het gebrek aan welsprekendheid wel goedmaken en, meer nog, aanvullen: in plaats van roem zal de welwillendheid van mijn goede lezers mij bijstaan.

Op de drempel van het graf, nu al alleen op de wereld, door zowel vrienden als vijanden verlaten, vrij van tijdelijke zorgen en vooruitzichten, door mijn leeftijd vrij van de hartstochten die mij maar al te dikwijls bij mijn oordeel lieten dwalen, en verlost van de vluchtige illusies van mijn bescheiden ambities, heb ik een enkele vrucht van mijn leven geplukt, de vrede in mijn ziel. Daarin leef ik tevreden, daarop vertrouw ik, daarop wijs ik mijn jongere broeders omdat het de meest benijdenswaardige schat is en het enige schild om zich mee te verdedigen tegen de kuiperijen van valse vrienden, het bedrog van laaghartigen en de aanmatigingen van machtigen.

Er is nog iets wat ik beslist kwijt moet en wat uit de mond van een tachtigjarige toch misschien met enig gezag mag klinken, en dat is dat ik het leven als iets goeds ervaren heb, waar nederigheid ons toestaat onszelf te beschouwen als piepkleine radertjes in de wereldgeschiedenis en oprechtheid van gemoed ons voorhoudt dat het welzijn van vele anderen veel belangrijker is dan alleen het onze. Mijn aardse bestaan, als mens, is nu dan toch bijna ten einde. Tevreden over het goede dat ik heb gedaan en in de overtuiging dat ik het door mij begane kwaad voor zover mogelijk heb goedgemaakt, hoop en vertrouw ik er alleen nog maar op dat mijn leven zal uitmonden en opgaan in de grote zee van het zijn.

Ik geniet nu van een vrede die lijkt op die geheimzinnige baai aan het eind waarvan de onvervaarde zeeman een doorgang vindt naar de oneindig kalme oceaan van de eeuwigheid. Maar voordat mijn gedachten onderduiken in de tijd waarin alle tijden hetzelfde zijn, storten ze zich nog één keer in de toekomst van de mensen aan wie zij het in alle vertrouwen overlaten om hun eigen schulden uit te boeten, hun eigen verwachtingen te verwezenlijken en hun eigen beloftes waar te maken.’

© Ippolito Nievo (vertaling: Jan van Geldrop)

Bestel “Belijdenissen van een Italiaan” hier via bol.com

  • Share/Bookmark
aug 25

‘Als we nu iets over het leven van vroeger willen weten, lezen we een geschiedenisboek. Maar hoe deden ze dat tweeduizend jaar geleden? Nou, precies zo. Tenminste, in Rome. In het Romeinse Rijk had je ook al geschiedschrijvers die beschreven wat er in een land allemaal gebeurde. […]

Een paar Romeinse schrijvers hebben namelijk over onze streek geschreven. Toch moet je niet zomaar alles wat er in hun boeken staat klakkeloos geloven, want ze zijn lang niet altijd zelf bij de gebeurtenissen geweest waarover ze geschreven hebben. Hoe meer informatiebronnen je hebt, hoe meer je over een gebeurtenis te weten komt. Helaas zijn er maar weinig teksten over ons land van tweeduizend jaar geleden gevonden. Meestal hebben we zelfs maar één informatiebron over een bepaalde gebeurtenis. Je weet dan nooit wat je precies moet geloven.

Maar vaak kan een klein stukje tekst al veel bruikbare informatie opleveren. Door logisch na te denken, kun je met een paar puzzelstukjes al snel de hele puzzel zien. […] Stel dat je over een volk maar één regel kunt vinden, bijvoorbeeld: ‘De Waldaaien zijn tegenwoordig veel heldhaftiger dan vroeger’, dan heb je eigenlijk al verschillende puzzelstukjes. Zo weet je dankzij het woordje ‘tegenwoordig’ dat het volk in de tijd van de schrijver leeft. Het volk moet ook in oorlog zijn, anders had de schrijver niet kunnen weten dat ze heldhaftiger dan vroeger waren. En Waldaai betekent strijder met het zwaard. Je weet dan meteen dat ze met zwaarden vochten. Als je er dan ook nog eens informatiebronnen bij haalt die wat over het volk vertellen, wordt de puzzel steeds completer.

Over de hoofdpersoon van dit hoofdstuk is maar één zinnetje gevonden. Het staat in een boek van de Romeinse geschiedschrijver Publius Cornelius Tacitus: ‘Ze zeggen dat hij enkele gevangenen naar zijn zoon liet brengen, zodat die zijn pijlen en speren op ze kon afvuren.’ Die zin gaat over het jaar 69 na Christus. Die gevangenen zijn de Romeinen. En die hij is Julius Civilis, een beroemde leider van de Bataven; een belangrijke stam in die tijd. De zoon van Julius Civilis is dus een Bataaf die naar hartenlust speren en pijlen mag afvuren op de Romeinen.

Julius de charmante
In het enige zinnetje dat we over de jonge Bataaf hebben gevonden, staat geen naam. We weten daarom niet hoe hij heet. Maar gelukkig is in dit geval de naam van zijn vader bekend: Julius Civilis. Daardoor weten we dat zijn achternaam Julius is. Zijn áchternaam? Ja. Wij kennen de naam Julius alleen als voornaam, maar de Romeinen gebruiken het ook als achternaam. Civilis is een bijnaam. Het betekent charmant. Julius Civilis heet dus eigenlijk Julius de charmante.

Julius Civilis heeft ook nog een voornaam, maar die is onbekend. Wel kennen we de naam van de Romeinse keizerfamilie die heerst als hij geboren wordt: Claudius. Omdat veel mensen hun zoon naar de keizer vernoemen, is het goed mogelijk dat hij ook Claudius is genoemd. Claudius Julius dus. Nu nog een bijnaam, maar die is niet zo moeilijk te bedenken. Hij is immers een boogschutter. In het Latijn, de taal van de Romeinen, is dat sagitarius. Laten we hem dus Claudius Julius Sagitarius noemen.

Bataven in de Betuwe
Het is natuurlijk heel bijzonder dat zo’n jonge jongen een groep Romeinse soldaten als schietschijf mag gebruiken. Het is nog vreemder als je bedenkt dat hij een Bataaf is. De Bataven zijn juist een stam die het al tientallen jaren goed met de Romeinen kan vinden. Ze leven zelfs gezamenlijk in de Betuwe, een gebied dat naar de Bataven is genoemd. De namen Betuwe en Bataven lijken niet voor niets zo op elkaar. De Bataven zijn er niet de baas, maar de Romeinen. Toch is dat de eerste jaren geen enkel probleem voor de Bataven.

De Romeinen geven hun allerlei voorrechten. Zo hoeven ze geen belasting te betalen, net als de Romeinen zelf. Andere stammen moeten dat wel. Claudius hoeft al helemaal niet bang te zijn dat hij als slaaf naar Rome moet, zoals dat bij andere volken gebeurt.

De wereld van Claudius
[…] Claudius leeft in een wereld waar veel mensen kunnen lezen en schrijven, waar je niet hard hoeft te werken voor je dagelijkse brood. Maar het is ook een wereld vol drukte. Er is een markt waar je alles kunt kopen en er zijn tempels, badhuizen en theaters. Er loopt zelfs een waterleiding en er zijn wc’s voor de stadsbewoners. Claudius groeit dan ook niet op in een gehuchtje van vijf dorpen, maar in een stad. De oudste stad van ons land.

Die stad heet Oppidum Batavorum, ‘de stad van de Bataven’, en bevindt zich op de plaats waar nu Nijmegen ligt. Er wonen vooral soldaten. Omdat zij voedsel, kleding en wapens nodig hebben, vind je er ook boeren die hun vee verkopen, kleermakers, schoenmakers, handelaars, herbergen, smeden en andere werklieden. De huizen zijn van hout. […] Claudius is de zoon van een belangrijke leider en daarom woont hij heel luxueus. […] De vloer is helemaal prachtig. Daar liggen versierde tegels op. Zelfs voor koude voeten hebben de Romeinen iets bedacht: vloerverwarming. Het huis heeft ook verschillende kamers, maar dat betekent niet dat Claudius een kamer voor zichzelf alleen heeft. Kinderen slapen in dezelfde ruimte als de bedienden.

Claudius heeft een comfortabel leventje. Hij hoeft niet zo hard te werken en krijgt zelfs onderwijs. Dat is in die tijd wel bijzonder, want lang niet alle kinderen krijgen les. De meeste kinderen, ook Romeinse, moeten gewoon werken. Maar Claudius is nu eenmaal het zoontje van een belangrijke leider. Het is de bedoeling dat hij over een paar jaar naar Rome gaat voor een goede militaire opleiding. […]

Omdat Claudius in een belangrijke plaats woont, is er een voortdurende aanvoer van lekker eten uit andere landen. Olijfolie bijvoorbeeld, maar ook wijn, vijgen en dadels. Bovendien hebben de Romeinen dieren en vruchten meegenomen die het ook in ons land prima doen. Konijnen, kippen, pruimen, peren, walnoten: we hebben ze allemaal aan de Romeinen te danken. Net als sla en andijvie.’

© tekst: Jan Paul Schutten | illustraties: Paul Teng

In Kinderen van Nederland vertelt Jan Paul Schutten het verhaal van een aantal Nederlandse kinderen uit verschillende eeuwen, van de prehistorie tot en met de Tweede Wereldoorlog. Aan de hand van het leven van kinderen die echt bestaan hebben en de spannende avonturen die zij beleefden, brengt hij kinderen van nu in contact met kinderen van toen. Een betere manier om geschiedenis te laten beklijven is er niet!

  • Share/Bookmark
aug 20

Als je in augustus in Rome bent is een wandeling door Rome in de voetsporen van keizer Augustus eigenlijk een must! Die gaan we vandaag dan ook maken, en wie niet in Rome is wandelt aan de hand van de beschrijving hopelijk net zo makkelijk mee. Maar eerst iets over het leven van keizer Augustus.

Augustus heette bij zijn geboorte nog geen Augustus. Hij werd op 23 september 63 voor Christus in Rome geboren als Gaius Octavianus. Zijn moeder was een nicht van Gaius Julius Caesar. De kleine Gaius Octavianus was dus een achterneef van de grote Caesar. Toen Gaius Octavianus net vier jaar was, overleed zijn vader. Het was niet meer dan logisch dat Caesar zich over de jongen ontfermde en zich om hem bekommerde. Zijn naam werd toen Gaius Julius Caesar Octavianus.

Na de moord op Julius Caesar in 44 voor Christus ontbrandde in Rome een machtsstrijd tussen Marcus Antonius (de consul van Caesar), ene Lepidus (een legeraanvoerder) en de toen 18-jarige Gaius Octavianus, die Caesar in zijn testament had aangewezen als zijn opvolger. De drie mannen besloten Rome vijf jaar lang gezamenlijk te besturen, waarmee ze het zogenaamde triumviraat in het leven riepen.

Na enige tijd werd Lepidus uit het driemanschap gezet. De twee overgebleven mannen leken het goed met elkaar te kunnen vinden. Hun onderlinge band werd nog eens versterkt doordat Marcus Antonius in het huwelijk trad met Octavia, de zus van Octavius. Het huwelijk was echter niet alleen rozengeur en maneschijn. Marcus Antonius kreeg namelijk al snel een verhouding met de koningin van Egypte, Cleopatra. De machtsstrijd tussen de twee rivalen Antonius en Octavianus laaide tot ongekende hoogte op en mondde in 31 voor Christus zelfs uit in een oorlog.

In een zeeslag voor de Griekse kust wist een van de legers van Octavianus de soldaten van Cleopatra en Antonius te verslaan. Het paar zag geen andere uitweg dan naar Egypte te vluchten, waar ze volgens vele bronnen zelfmoord pleegden. Ook de zoon van Cleopatra en Julius Caesar, Caesarion, overleefde het niet; hij werd vermoord. Octavianus lijfde Egypte in bij het Romeinse Rijk en maakte zich meester van de goedgevulde schatkist. Daarmee werd Octavianus op 32-jarige leeftijd de onbetwiste heerser over het Romeinse Rijk.

Octavianus macht nam langzaam maar zeker toe en in 27 voor Christus kende de senaat hem de eretitel ‘Augustus’, oftewel ‘de verhevene’ toe. Tegelijkertijd kreeg hij vele nieuwe privileges en verantwoordelijkheden. Zo was hij niet langer opperbevelhebber van het leger, maar werd hij ook benoemd tot opperpriester (pontifex maximus).

Augustus wilde oorlog en onrust in het Romeinse Rijk vermijden. Hij probeerde opstanden steeds vroeg de kop in te drukken. Mede dankzij zijn ingrijpen kenden de Romeinen een relatief lange periode van vrede, die ook wel de pax romana wordt genoemd. Tweehonderd jaar lang stond het Romeinse Rijk in het teken van voorspoed, opbouw en vooruitgang in plaats van oorlogen en plunderingen.

Augustus stierf in 14 na Christus tijdens een reis naar Campanië. Hij bereikte dus de zeer respectabele leeftijd van 76 jaar. Hij had 45 jaar geregeerd en daarmee een belangrijke stempel gedrukt op het Romeinse Rijk. Zijn sporen vinden we dan ook nog overal in Rome terug.

Zo maakte hij zelf nog een handgeschreven overzicht van zijn daden (res gestae divi Augusti), dat onder andere terug te vinden is in zijn Mausoleum. Dit is misschien wel de plek in Rome die nog het meest aan hem herinnert.

Wat er nu uitziet als een hoop stenen overdekt met gras en wilde bloemen was ooit de grafheuvel van keizer Augustus. Augustus begon nog tijdens zijn leven aan de bouw van het gigantische monument. Het was dan ook een enorme klus, aangezien het mausoleum een diameter van 87 meter heeft en ongeveer 45 meter hoog is.

Toen Augustus overleed prijkte er nog een enorm verguld bronzen standbeeld van hem op het dak. Rondom was de grafheuvel bedekt met cipressen en oleanders. De buitenste muren van het gebouw waren bekleed met marmer. Aan beide kanten van de ingang stond een obelisk van roze graniet, die de herinnering aan de overwinning op Egypte levend hield. De obelisken waren bijna 15 meter hoog.

Helaas is er nu niet veel meer over van de aanblik die het mausoleum ooit gehad moet hebben. De obelisken zijn echter nog steeds te bewonderen, al vind je ze nu niet meer bij de ingang van het mausoleum van Augustus. Ze bevinden zich nu op het Piazza dell’Esquilino, aan de achterzijde van de Santa Maria Maggiore, en op het Piazza del Quirinale, als onderdeel van de fontein met de Dioscuren voor de deur van het presidentieel paleis.

Je kunt het mausoleum helaas niet bezoeken, maar mocht je een glimp op kunnen vangen van het binnenste, dan zou je het volgende zien. In de centrale grafkamer bevonden zich de gouden urnen met de as van keizer Augustus zelf, van zijn vrouw Livia, van zijn kleinzonen Lucius en Gaius Caesar, van zijn zus Octavia en van zijn neef Marcellus, die voorbestemd was om hem als keizer op te volgen.

Om de centrale grafkamer heen werden verschillende nissen gebouwd waar de rest van de familie een laatste rustplaats vond. Hier stonden ooit de urnen van Augustus’ schoonzus Agrippa, net als die van Tiberius en die van Caligula. De urn van Julia Domna, de vrouw van Septimus Severus, is hier pas veel later neergezet. Nerva, de opvolger van de vermoorde Dominitianus, liet zijn urn hier om staatsbelangen neerzetten. Hij was helemaal geen familie van keizer Augustus, maar wilde zo aantonen dat hij wel het bewind van de keizer had voortgezet door opnieuw een periode van voorspoed en rust over het Romeinse Rijk af te dwingen.

Na de dood van de keizer werden bronzen platen op het mausoleum aangebracht, waarop de tekst van de daden van keizer Augustus te lezen was. Deze tekst had Augustus zoals gezegd zelf laten optekenen, volgens de overlevering door de Vestaalse Maagden, die immers ook zijn testament beheerden. Van deze ‘Handelingen van de vergoddelijkte Augustus’ (res gestae divi Augusti), werden kopieën gemaakt die op verschillende plaatsen in het rijk werden opgehangen. De platen zijn helaas verloren gegaan, maar een vernieuwde versie van de tekst is nu te lezen op de muur van het gebouw van de Ara Pacis, net om de hoek.

In het begin van de Middeleeuwen raakte het mausoleum langzamerhand in verval. In de twaalfde eeuw werd het in gebruik genomen door de familie Colonna, die het grafmonument liet ombouwen tot een versterkte burcht. In 1241 kwam het bouwwerk in handen van paus Gregorius IX, die het deels liet afbreken. Datgene wat overbleef is later zelfs gebruikt als wijnberg, tuin en theater. Nadat Mussolini het theater in 1930 heeft laten afbreken, zijn wetenschappers in 1936 begonnen met het vrijleggen en conserveren van het antieke monument. Maar het oogt nog steeds als een grote berg stenen, puin en groen te midden van de stadse drukte…

Gelukkig is er meer van Augustus bewaard gebleven dan alleen zijn graf. Hij werd geboren op de Palatijn, een van de zeven heuvelen van Rome. Augustus bleef er een groot deel van zijn verdere leven wonen. Het huis van Augustus is deels toegankelijk voor publiek. In de hal aanschouw je het resultaat van een enorme frescopuzzel. Archeologen hebben duizenden verbrokkelde stukjes weer op de juiste plek weten te zetten, zodat je nu een vrij goed beeld krijgt van hoe het hier in de tijd van Augustus uitgezien moet hebben. In de naastgelegen ontvangst- en eetkamer komen de rode muren je bijna net zo tegemoet als duizenden jaren geleden. Je zou bij wijze van spreken zo willen aanschuiven! Ook de slaapkamer is al helemaal gerestaureerd; de nimfen dansen er op de muren.

De studeerkamer van keizer Augustus biedt het mooiste uitzicht. Ook hier weer helder beschilderde wanden en een booggewelf waarop de overgebleven resten van de plafondschilderingen zijn aangebracht. Het is bijna niet te geloven dat dit de tand des tijds zo goed heeft doorstaan, of dat ze tweeduizend jaar geleden dit soort prachtige dingen wisten te maken. Ook de overige kamers worden langzaam maar zeker blootgelegd en in ere hersteld. Het is wel een gepuzzel, dus het duurt nog wel even voordat het hele huis te bezichtigen is.

Even verderop vind je het huis van Livia, de vrouw van Augustus. De prachtige fresco’s die ooit haar huis sierden zijn nu te bewonderen in het museum Palazzo Massimo alle Terme, vlakbij station Termini.

Hier vind je ook een meesterlijk standbeeld van keizer Augustus, waarbij de plooien van zijn mantel levensecht lijken. Je komt Augustus in het museum nog wel vaker tegen, onder andere een aantal keren als borstbeeld.

Na een bezoek aan het mausoleum, de Palatijn en het Palazzo Massimo alle Terme is zomaar weer een warme augustusdag in Rome voorbij. Keizer Augustus duikt echter op nog veel meer plekken in de stad op. Uiteraard kun je ook op het Forum Romanum en op de Fori Imperali nog in de voetsporen van de keizer treden, en kom je in de meeste Romeinse musea wel een of meerdere beelden van hem tegen. Die inscriptie op de Ara Pacis blijkt in Rome dus zeker niet gelogen!

  • Share/Bookmark
aug 04

‘Ciao! Er is een nieuw stukje Italië in Amsterdam!,’ zo luidde de aanhef van een mailtje dat ik een paar weken geleden opende. Uiteraard wekte dit mijn nieuwsgierigheid – een nieuw stukje Italië binnen handbereik is altijd meer dan welkom!

Het mailtje bleek een aankondiging te zijn van een nieuwe Italiaanse talenschool in Amsterdam. Vanaf september zal Studiolingua haar deuren openen in een prachtig voormalig schoolgebouw in Amsterdam Oud-Zuid, op loopafstand van het Concertgebouw, het Rijksmuseum, het Van Gogh Museum en de Albert Cuypmarkt. Hoewel ik een aardig mondje Italiaans spreek, is enige oefening tussen mijn bezoekjes aan Italië door geen overbodige luxe, dus ik besloot een kijkje te gaan nemen.

Manuela Talana, oprichter en eigenaar van Studiolingua, verwelkomde me op een zonnige ochtend met een overheerlijke cappuccino. Aangezien ik me afvroeg waarom ze Italië had verruild voor Amsterdam, vertelde ze me eerst iets over zichzelf. Manuela is geboren in Sardinië. Veertien jaar geleden verruilde ze op haar twintigste het zonnige eiland om zich in Nederland te vestigen en te werken voor het Istituto Italiano di Cultura in Amsterdam, waar ze met veel overtuiging, inzet en passie meer dan elf jaar lang heeft gewerkt.

Alhoewel Manuela haar hart heeft verpand aan Amsterdam, reist ze regelmatig terug naar haar geboorte-eiland om te genieten van het Italiaanse leven met vrienden en familie. Deze Italiaanse levenswijze wil ze ook graag op Nederlanders overbrengen – en daarbij is een beetje kennis van de Italiaanse taal eigenlijk onmisbaar!

Manuela is zo trots op haar eigen talenschool dat ze me aanspoort mijn cappuccino op te drinken zodat ze me een rondleiding kan geven door het gebouw. Ondertussen vertelt ze honderduit: ‘Studiolingua is dé specialist op het gebeid van Italiaanse taal- en cultuurcursussen voor volwassenen. Een taal leren is namelijk een dynamisch proces. Het is geen kwestie van woordjes leren en werkwoorden stampen. Wil je je binnen enkele weken al een beetje verstaanbaar kunnen maken, dan is het belangrijk dat er interactie is met mensen die Italiaans als moedertaal spreken en die je niet alleen een kijkje geven in de geheimen van hun taal, maar ook in hun manier van leven, hun cultuur. Daarom hebben wij een stukje Italië in hartje Amsterdam gecreëerd waar je veel Italianen kunt ontmoeten en waar je de smaak van la bella Italia kan proeven en ervaren.’

Studiolingua biedt daartoe een breed scala aan lesmogelijkheden. Allereerst zijn er de ‘gewone’ taalcursussen op zes niveaus (van beginners tot vergevorderden). Deze cursussen kunnen voor korte of langere tijd worden gevolgd, en uiteraard behoren ook intensieve (privé)cursussen tot de mogelijkheden. Iedereen die het Italiaans liever aan de hand van een bepaald onderwerp bestudeert, kan zijn hart ophalen aan cursussen wijnkunde en gastronomie, maar ook aan een cursus intercultureel bewustzijn (ideaal voor als je zaken doet of wilt gaan doen met Italië), kunst- en cultuurcursussen en cursussen die zich met name richten op conversatie. Ook is er een Italiaanse boekenclub, een groep die Italiaanse kranten leest en aan de hand daarvan discussieert over de Italiaanse actualiteit. Voor ieder wat wils dus!

Wil of kun je geen cursus volgen die een aantal weken tot een jaar duurt, dan biedt Studiolingua ook de mogelijkheid om af en toe te komen ‘proeven’ van een klein stukje Italië. Daartoe organiseert Manuela twee speciale cursuscycli, waarbij je je voor elke avond afzonderlijk kunt inschrijven.

Manuela: ‘Tijdens de cursus ‘Kunststeden’ staan negen Italiaanse steden centraal. Aan de hand van leuke wetenswaardigheden en de geschiedenis wandelen we als het ware door een Italiaanse kunststad. Met behulp van filmpjes en foto’s worden de meest kenmerkende plekken en monumenten van onderstaande steden bezocht. Met de kaart van de stad in de hand zoeken we de weg en lopen we door de oudste straten, over pleinen, langs monumentale gebouwen en fonteinen.

We houden natuurlijk even halt bij kunsthistorisch belangrijke plekken, maar we gaan ook zeker niet voorbij aan traditie en folklore. Zo belanden we midden in het feestgedruis van het carnaval van Venetië en horen we de hoeven van de paarden over het Piazza del Campo klepperen, tijdens de bekende Palio in Siena. Natuurlijk geven we ook tips over culinaire specialiteiten in de steden, over beroemde lokale wijnen, over restaurantjes en koffiebarretjes. Zo krijg je hier in Nederland al een voorproefje van de heerlijkheden die de Italiaanse keuken te bieden heeft. De ‘rondleiding’ is geschikt voor iedereen die van plan is naar Italië te gaan maar natuurlijk ook voor iedereen die graag wegdroomt bij il bel paese.

In oktober reizen we naar Rome, in november staan Florence, Venetië en Siena op het programma. December brengt je naar Pisa, Napels en Milaan, en in januari reizen we door Umbrië, naar de historische plaatsen Perugia en Assisi.’

Maar dat is nog niet alles, haast Manuela zich te zeggen. ‘Aangezien Italië ontzettend veel mooie musea kent, waar misschien wel de grootste kunstschatten ter wereld zijn ondergebracht, organiseren we dergelijke rondleidingen ook speciaal voor de grootste Italiaanse musea! Mijn collega Clelia Capua toont kunstwerken uit de beroemdste Italiaanse musea en vertelt hierbij iets over de achtergrond van de kunstwerken en de kunstenaar. Deze virtuele ‘rondleiding’ wijdt de ‘museumbezoeker’ als het ware in in de meesterwerken van de Italiaanse kunst. Achtereenvolgens gaan we naar de Vaticaanse Musea, de Galleria Borghese en het Palazzo Barberini in Rome. Dan volgt de Galleria degli Uffizi en de Galleria dell’Accademia in Florence, het Palazzo Ducale en het Ca’Rezzonico in Venetië en ten slotte het Museo di Capodimonte in Napels, mijn persoonlijke favoriet!’

Op de website www.studiolingua.nl vind je alle informatie over de cursussen, de data en de wijze waarop je je kunt aanmelden. Na het bezoek aan Manuela is mijn agenda in elk geval al aardig vol gepland met Italiaanse uitjes. Wie weet tot in Amsterdam!

  • Share/Bookmark
jul 26

‘Terwijl ik in de kathedraal opging in de herinnering aan dat zeldzame, emotionele gedweep van Umberto, kwam er een groep Britse toeristen achter me staan; hun gids vertelde geanimeerd over de vele mislukte pogingen om de oude grafkelder van de kathedraal te vinden en op te graven, die naar verluidt in de middeleeuwen had bestaan maar kennelijk voorgoed verloren was gegaan.

Ik luisterde een poosje geamuseerd naar de sensationele draai die de gids aan het verhaal gaf, voordat ik de kathedraal weer aan de toeristen overliet en de Via del Capitano afslenterde om, tot mijn grote verrassing, weer op de Piazza Postierla te belanden, recht tegenover de espressobar van Malèna.

De andere keren dat ik er was geweest, was het druk op het pleintje, maar vandaag was het aangenaam rustig, misschien omdat het siëstatijd was en gloeiend heet. Tegenover een sokkel met een gebeeldhouwde wolf en twee zogende baby’s erop stond een kleine fontein, waar een vervaarlijk ogende metalen vogel boven hing. Twee kinderen, een jongen en een meisje, waren elkaar met water aan het bespatten en renden heen en weer, joelend van plezier, terwijl een rij oude mannen op korte afstand in de schaduw zat, zonder jas maar met hun hoed op, die met milde blik hun eigen onsterfelijkheid beschouwden.

‘Hallo daar!’ zei Malèna toen ze me zag binnenkomen. ‘Luigi heeft goed werk gedaan, nietwaar?’
‘Hij is een genie.’ Ik liep naar haar toe en voelde me op een vreemde manier thuis toen ik over de koele toog leunde. ‘Ik ga nooit meer uit Siena weg zolang hij hier is.’

Ze lachte hardop, een hartelijke, speelse lach waardoor ik me weer afvroeg wat het geheime ingrediënt in het leven van deze vrouwen was. Wat het ook was, het ontbrak mij ten enenmale. Het was zoveel meer dan gewoon zelfvertrouwen; het leek de kunst te zijn jezelf lief te hebben, gul en geestdriftig, met lichaam en ziel, waaruit op natuurlijke wijze de overtuiging voortvloeide dat iedere man op de hele planeet er hevig naar verlangde om hetzelfde te mogen doen.

‘Hier…’ Malèna zette een espresso voor me neer en legde er met een knipoogje een biscotto naast: ‘Eet meer. Daar krijg je… je weet wel, karakter van.’
‘Wat een woest ogend schepsel,’ merkte ik op over de fontein buiten. ‘Wat voor vogel is het?’
‘Dat is onze adelaar, aquila in het Italiaans. De fontein is onze… o, wat is het ook alweer?’ Ze beet op haar lip, zoekend naar het woord. ‘Fonte battesimale… ons doopvont? Ja! Hier brengen we onze baby’s zodat ze aquilini worden, kleine adelaartjes.’
‘Is dit de contrada van de Adelaar?’ Ik keek rond naar de andere klanten, plotseling helemaal kippenvellig.’

De Amerikaanse Julie Jacobs is in Siena om de geheime erfenis van haar overleden moeder te zoeken. In een bankkluis treft ze de oerversie van Romeo en Julia’s liefdesgeschiedenis aan, waarin wordt verteld over de vete tussen twee Toscaanse families: de familie Salimbeni en de familie Tolomei. Dan stuit Julie op een waarschuwing die aan haarzelf is gericht: ‘Er rust een vloek op jouw familie en daarmee ook op jou, want je echte naam is Giulietta Tolomei.’ Julie duikt de geschiedenis van beide families in, en stuit al gauw op een intrigerend verhaal.

Na een bloedige aanval van de familie Salimbeni op de familie Tolomei, in 1340, blijkt Giulietta Tolomei de enige overlevende te zijn. Dankzij Lorenzo, een monnik, weet ze naar de stad te vluchten. Onderweg wordt ze echter aangevallen door handlangers van de familie Salimbeni. Een jonge Sienese edelman, Romeo Marescotti, redt Giulietta en Lorenzo van hun belagers. Romeo wordt verliefd op Giulietta, en zij op hem. Maar hun heimelijke liefde wordt wreed verstoord wanneer Giulietta gedwongen wordt te trouwen met Messer Salimbeni.

Tijdens de zoektocht naar haar familiegeschiedenis merkt Julie dat niet iedereen blij is met haar aanwezigheid in Siena. Hoe ver strekt de vloek uit het verleden zich uit?

Julia is een adembenemende historische roman, die je bijna 500 pagina’s lang meevoert naar het veertiende-eeuwse Siena. Heerlijk herkenbaar voor wie er verblijft, maar degenen die het boek gewoon in de tuin of op de camping lezen niet getreurd: je waant je echt even in de straatjes en op de pleinen van Siena. Alleen het boekomslag met het prachtige Piazza del Campo laat je al wegdromen…

  • Share/Bookmark
Getagd met:
jul 25

Serena, die tijdens mijn logeerpartij al snel in de gaten had hoe groot mijn passie voor boeken was, nam me op een van mijn laatste dagen in Siena mee naar het Archivio di Stato, het staatsarchief, dat is gevestigd in het Palazzo Piccolomini. Het archief is helaas niet altijd toegankelijk voor toeristen, maar wanneer je een paar dagen voor je bezoek per mail of telefoon informeert of je langs kunt komen, ben je meestal van harte welkom. Het is de moeite in elk geval meer dan waard, want in dit archief bevindt zich een van de mooiste bezittingen van Siena: de Tavolette di Biccherna.

De Tavolette di Biccherna zijn houten plankjes, die lange tijd werden vervaardigd als boekomslagen. Het kantoor van de Biccherna, dat verantwoordelijk was voor alle administratie van de stad, gebruikte deze tavolette tot diep in de achttiende eeuw om rekeningen, balansen, boekhoudingen en andere financiële stukken samen te binden. De boeken werden vervolgens gearchiveerd door de camarlingo, het hoofd van de schatkamer.

Gelukkig zijn veel van deze tavolette bewaard gebleven: in totaal beschikt het Archivio over 105 tavolette, die allemaal tentoongesteld worden. De tavolette zijn erg belangrijk voor de geschiedschrijving van de stad, want behalve dat de financiële gegevens zelf natuurlijk veel inzicht geven in de historie van Siena, doen ook de omslagen zelf dat. Op elk omslag werd namelijk een voorstelling geschilderd die betrekking had op de familie of het bedrijf wiens boekhouding was opgenomen, of op de algemene geschiedenis van de stad. Door de boekomslagen te bekijken, komt Siena voor je ogen tot leven.

De eerste boekomslagen waren vaak nog vrij simpel. De oudste tavoletta die nog is teruggevonden is van de hand van Giulio di Pietro. Het omslag zou dateren uit 1258, en is dus ruim 750 jaar oud. De monnik die op het omslag aan het werk is, is broeder Ugo, die in die tijd de functie van camarlingo van de Sienese schatkamer bekleedde.

Vaak bevatten de tavolette een inscriptie, waarin we meestal de datum kunnen terugvinden, evenals de namen van de betreffende familie. Als illustratie worden in de begintijd van de tavolette vaak de familiewapens weergegeven:

         

Later, zo halverwege de vijftiende eeuw, worden de boekomslagen meer en meer echte schilderijtjes. De familiewapens spelen niet langer de hoofdrol; in plaats daarvan worden belangrijke politieke, religieuze en historische gebeurtenissen afgebeeld. Zo is het volgende omslag een dankbetuiging aan Maria, die Siena beschermde tijdens een verwoestende aardbeving enkele kilometers verderop.

De stad neemt langzamerhand een steeds belangrijker rol in op de tavolette, zodat een wandeling door het Archivio di Stato een wandeling door de geschiedenis van Siena is. Een kleine greep uit de prachtige omslagen die te zien zijn:

        
     

   

Aan het eind van je bezoek wacht je overigens nog een verrassing: vanaf het balkon van het Palazzo Piccolomini heb je een uniek uitzicht over het Piazza del Campo en ligt Siena letterlijk aan je voeten!

Archivio di Stato
Via Banci di Sopra 52, Siena
assi.archivi.beniculturali.it

  • Share/Bookmark
jul 01

Vanaf vandaag verblijven we een maand in Siena, waar de voorbereidingen voor de Palio, de paardenrace die de hele stad wekenlang in zijn greep houdt, in volle hevigheid zijn losgebarsten. Maar paarden zijn bij lange na niet de enige dieren die je in aanloop naar de Palio in Siena tegen komt. Lees en wandel mee door de verschillende wijken van de stad en ontdek de meest bijzondere beesten!

Siena is verdeeld in 17 verschillende wijken, contrade genaamd. Elke contrada heeft zijn eigen grondgebied, zijn eigen kerk, zijn eigen fontein, zijn eigen hechte gemeenschap… en zijn eigen dier. Dat dier kom je in deze tijd van het jaar op elke straathoek tegen: op vlaggen, halsdoeken, kaartjes, stickers, aanstekers, aanplakbiljetten, actiefoto’s en T-shirts. Van A tot en met Z kent Siena de volgende beesten een belangrijke rol toe:

aquila – adelaar
bruco – rups
chiocciola – slak
civetta – uil
drago – draak
giraffa – giraffe
istrice – stekelvarken
leocorno – eenhoorn
lupa – wolvin
nicchio – schelp
oca – gans
onda – golf (met een vrolijke dolfijn)
pantera – panter
selva – woud (met een flinke neushoorn)
tartuca – schildpad
torre – toren (die wordt gedragen door een olifant)
valdimontone – ram

Op dit kaartje zie je precies welk deel van de stad tot welke contrade behoort:

Istrice – Stekelvarken
In het noordwesten vind je de Contrada Sovrana dell’Istrice, de grootste van de stad. Het motto van deze contradaioli, de inwoners van de wijk, is het stekelvarken op het lijf geschreven: ‘Sol per difeso pungo’ – ‘Ik prik slechts om me te verdedigen’. De keuze voor het stekelvarken is gezien de ligging van de wijk, zo aan de rand van de stad, niet verwonderlijk; op het platteland rondom Siena komen immers nog veel stekelvarkens voor. Aangezien het stekelvarken bekend staat om zijn onverschrokken karakter, dient hij als voorbeeld voor alle contradaioli, van jong tot oud. Onverschrokken dalen ze steeds opnieuw af naar het Piazza del Campo om hun paard naar de overwinning te juichen.

Lupa – Wolvin
Istrice grenst aan de Contrada della Lupa. Het symbool van deze contrade is ontleend aan Rome: de wolvin die twee jonge kinderen zoogt. Volgens de overlevering zou Siena gesticht zijn door afstammelingen van Remus, maar daarover later deze maand meer. Het eerste wat opvalt als je door de wijk van de wolvin loopt, is dat ze haar tanden ontbloot als er ook maar een stekelvarken in de buurt komt. In de loop der eeuwen zijn er zeer hevige vijandschappen ontstaan in de strijd op het Piazza del Campo. Zeker als beide contrade meedoen aan dezelfde Palio, is de sfeer vaak om te snijden. Ook binnen families kan dit tot uitbarsting komen. Je behoort namelijk tot de contrada waarin je bent geboren. Mocht iemand dus in een andere contrada ter wereld komen dan zijn moeder en/of vader, dan wordt ook gelijk de verdeeldheid geboren.

Drago – draak
Ten zuiden van Lupa vind je de Contrada del Drago, half slang en half vogel. Volgens de Sienezen zou het zelfs om een vrouwelijke draak gaan, die nog meer magie door haar aderen zou hebben stromen dan de mannelijke variant. De beschermvrouwe van de wijk van de draak is de beschermvrouwe van heel Siena, de heilige Caterina. Op het pleintje voor de kerk zie je echter niet alleen de vaandelzwaaiers en trommelaars van de Contrada del Drago oefenen, ook de contradaioli van de aangrenzende wijken laten daar graag hun kunsten zien. Een schitterend schouwspel, want de een doet natuurlijk niet graag onder voor de ander!

Oca – Gans
Een van de contrade die aan Drago grenst, is de Nobile Contrada dell’Oca. Vanaf het moment dat men de winnaars van de Palio heeft geregistreerd, staat de naam Oca het vaakst in de boeken. Het paard met de kleuren groen en oranje ging vaak als eerste over de finish, en daar zijn de contradaioli maar wat trots op. Dankzij Oca kennen we ook een tweede Palio, in augustus. In 1701 voor het eerst georganiseerd door (en op kosten van) de wijk van de gans, en inmiddels gemeengoed. Oca wist ook een van de meest bijzondere races te winnen, de Palio della Luna. Deze bijnaam werd gegeven aan de paardenrace van 1969, hetzelfde jaar waarin de mens voor het eerst voet op de maan zette.

Civetta – Uil
Wanneer je iets verder naar het noorden loopt, beland je in de Contrada Priori di Civetta, die haar hoofdkwartier in Castellare heeft, een middeleeuwse verzameling huizen rondom een binnenplaats. Naast de uil staat Cecco Angiolieri, een belangrijke Sienese dichter, in het middelpunt van de aandacht. Hij was verliefd op zijn wijk, en zijn wijk is verliefd op zijn woorden. Ze weerklinken te pas en te onpas en worden vooral aangewend om de schoonheid van de kleinste contrada van de stad uit te drukken.

Bruco – Rups
Ten noordwesten van Civetta beland je in de Nobile Contrada del Bruco, het kleinste diertje aan de Sienese totem. Deze wijk werd voorheen vooral bevolkt door textielarbeiders, die zijden stoffen in alle kleuren van de regenboog fabriceerden. Bruco moet de grote kerk in de wijk, de San Francesco, delen met de aangrenzende contrada. Zo kom je de kerk binnen als rups, en kniel je na een uitzonderlijke transformatie te hebben ondergaan, voor het altaar neer als giraf.

Giraffa – Giraf
De Imperiale Contrada della Giraffa grenst zoals gezegd aan de Contrada del Bruco. Op het grondgebied van Giraffa bevindt zich de kerk Santa Maria di Provenzano, de Maria aan wie elk jaar de Palio van juli wordt gewijd. De contradaioli van de winnende contrada rennen na hun behaalde zege zo snel mogelijk naar deze kerk, om een danklied voor Maria te laten klinken en het gewonnen vaandel te tonen. De winnende contrada van de Palio van augustus trekt overigens naar de Duomo, om de Maria aldaar te eren. Eeuwenlang was Bruco de grote vijand van Giraffa, maar inmiddels is de harmonie wedergekeerd. Al ben ik benieuwd hoe dat gaat als ze morgen beide op het Piazza del Campo moeten aantreden…

Leocorno – Eenhoorn
In het oosten grenst Giraffa aan de Contrada del Leocorno, die door de contradaioli ook wel liefkozend Leco wordt genoemd. De inwoners beroepen zich op de magische krachten van dit bijzondere dier, die absoluut niet verward mag worden met een gewoon paard. In het museum van Leocorno is een grote, eeuwenoude klok te bewonderen: de Martinella, die dateert uit de tijd van de slag om Montaperti, waarbij de Florentijnen in de pan werden gehakt. Die vechtersmentaliteit zit de contradaioli van Leocorno nog steeds in hun bloed; ze trekken voorafgaand aan de Palio door de hele stad om hun kracht tentoon te spreiden.

Nicchio – Schelp
De Nobile Contrada del Nicchio is een enorme sint-jakobsschelp, een heilig dier volgens de Sienezen. Niet voor niets prijkte deze schelp in de middeleeuwen op de mantels en stokken van de pelgrims die naar Santiago di Compostela trokken. De schelp staat volgens de contradaioli daarom ook voor een spirituele zoektocht, een zoektocht naar God. Naast deze zoektocht heeft Nicchio ook schoonheid hoog in het vaandel staan. Met de witte schelp, het rode koraal en de hemelsblauwe achtergrond is het wapen van Nicchio een van de meest elegante van de stad, en de kostuums van de contradaioli zijn prachtig om te zien. Vorig jaar won Nicchio dan ook terecht de prijs voor de mooiste vertoning!

Valdimontone – Vallei van de ram
De Contrada di Valdimontone ligt in het oosten van de stad, rondom de Santa Maria dei Servi. Hun onderkomen is ontworpen door Giovanni Michelucci, de bekende Italiaanse architect die ook het station van Florence op zijn naam heeft staan. Hier komen de contradaioli bijeen om te praten, een strategie uit te denken, samen te eten, feest te vieren of elkaar te troosten als het paard naast de overwinning heeft gegrepen. Met name de avond voorafgaand aan de Palio is het hier een drukte van belang, dan zitten alle contradaioli aan lange tafels. Ze eten gezamenlijk, bidden voor een goede afloop de dag erna en zingen vrolijke strijdliederen die de ruiter het volste vertrouwen in de overwinning moeten geven. Uiteraard schuift daags erna ook het paard aan, als de overwinning binnen is!

Torre – Toren
De Contrada delle Torre wordt gedragen door een vreselijk sterke kracht, gesymboliseerd door een olifant. Voor 1900 bracht deze olifant niet alleen de toren naar het veilige onderkomen van de wijk, maar wist hij ook vele malen de overwinning binnen te slepen. Sindsdien wist het paard van de Contrada della Torre nog maar een aantal overwinningen te behalen. Legendarisch is de Palio van 16 augustus 2004, toen Torre na 44 jaar weer een vaandel mee naar huis wist te nemen. Een oude inwoner van de wijk schreef aan de paus om te bidden voor de overwinning van Torre. Johannes Paulus II gaf er graag gehoor aan, en zo konden de contradaioli na lange tijd weer feestend door de straten van Siena trekken, waarbij ze vooral Oca en Onda probeerden jaloers te maken.

Onda – Golf
De Contrada Capitana dell’Onda heeft een vrolijke dolfijn als symbool gekozen. Deze contrada draagt de erenaam ‘capitana’ omdat de contradaioli in vroeger tijden belast waren met de bewaking van zowel het Palazzo Pubblico (dat met zijn rug naar Onda wijst) als de Tyrrheense kust. Een doorn in het oog van Torre, die Onda’s grootste vijand is. Op het Piazza del Mercato treffen de groepen elkaar vaak en dat loopt wel eens uit de hand. Zo werden de capitani van beide contrade in 1642 uitgesloten van alle publieke optredens, omdat ze hun contradaioli er niet toe aan konden zetten de vrede te bewaren. Onda bevindt zich nu gelukkig in iets rustiger vaarwater; vooral letizia (vreugde) staat bij de contradaioli hoog in het vaandel. Of dat eerder tot een overwinning leidt zullen we morgen zien…

Tartuca – Schildpad
De Contrada della Tartuca heerst in het oudste en hoogste gedeelte van de stad, Castelvecchio genaamd. De inwoners zijn niet alleen trots op de geschiedenis van hun wijk, maar zeker ook op hun dier, ook al lijkt de schildpad dan misschien niet handig gekozen voor een strijd die met name om snelheid gaat. Toch wist Tartuca vorig jaar juli de overwinning binnen te halen. De grootste tegenstander, Chiocciola, is gelukkig eveneens erg langzaam, waardoor een bitterder strijd losbarst dan tegen de ‘snellere’ dieren, met wisselend resultaat. In 1686 maken beide contrade het zo bont dat ze allebei van deelname worden uitgesloten. Gelukkig zijn de gemoederen nu ietwat bedaard, alhoewel Chiocciola natuurlijk wel op een overwinning aast, nu Tartuca vorig jaar zo’n succesvolle race kende.

Chiocciola – Slak
Helemaal in het uiterste zuiden van de stad ligt de Contrada della Chiocciola. Deze contrada heeft sterke banden met Venetië en de beschermheer van Chiocciola is dan ook niemand minder dan San Marco. Hoewel je bij een slak misschien in eerste instantie niet aan een groot, sterk beest denkt, ligt dat voor de contradaioli duidelijk heel anders. Zoals een van hen probeerde uit te leggen: ‘Diep in ons hart herbergen wij een beeld van een enorme slak, in wiens schaduw alle contradaioli bescherming kunnen vinden.’ Ruim baan voor de slak dus!

Pantera – Panter
De Contrada della Pantera werd volgens overlevering vooral bewoond door kooplieden uit Lucca, die hun stadssymbool aan deze middelgrote contrada gaven. De contrada bevindt zich op het hoogstgelegen punt van de stad, vanwaar hij als het ware over de rest probeert te domineren. Vooral Aquila, de grootste vijand van Pantera, moet het vaak ontgelden. In juli 2006 was de spanning tussen beide contrade te snijden. Tot 10 centimeter van de finish leek het er namelijk op dat Aquila de overwinning mee naar huis zou nemen, maar tijdens de laatste seconden wist Pantera nog net aan kop te geraken. Sindsdien is de sfeer tussen de contradaioli niet verbeterd, maar gelukkig neemt morgen alleen Aquila deel aan de Palio. Wanneer Aquila niet wint, is het in elk geval niet de schuld van Pantera…

Selva – Woud
De neushoorn in het woud staat symbool voor de Contrada della Selva, hetgeen deze wijk tot de meest exotische van heel Siena maakt. De contradaioli staan vooral bekend om hun gastvrijheid en solidariteit. Niet voor niets bevindt het duizend jaar oude ziekenhuis zich juist binnen de grenzen van deze contrada. Deze solidariteit gaat zelfs zo ver dat Selva geen vijandelijke contrade kent. Hoewel de contradaioli in de negentiende eeuw nog geen stadsgenoten uit de wijk Pantera konden luchten of zien, is inmiddels met elke contrada vrede gesloten.

Aquila – Adelaar
De Nobile Contrada dell’Aquila daarentegen kan Pantera zoals gezegd met huid en haar opvreten. De zwarte adelaar is dan ook niet een beest waar je de spot mee kunt drijven. Zelfs Dante was zeer onder de indruk van deze vogel, dus de contradaioli vinden dat ook Pantera maar een toontje lager moet zingen. Zeker na die vreselijk vernederende nederlaag van 2006. Daar moet ik wel even bij vermelden dat deze vijandige houding niet alleen bij de Palio hoort. Bij het naderen van de herfst wordt de strijdbijl begraven tot de volgende Palio zich aandient. In de tussentijd heerst er in Siena een grote solidariteit tussen de inwoners van alle contrade. Dan schiet een contradaiolo van Aquila zijn Pantera-buurman als eerste te hulp!

  • Share/Bookmark
Getagd met:
jun 25

Kom aan boord van de vloot van de oude Romeinen! Het Allard Pierson Museum in Amsterdam brengt vanaf vandaag de koopvaardij in de Romeinse tijd opnieuw tot leven. Bezoekers wanen zich vanaf loopbruggen en leunend over relingen op de schepen uit die periode en krijgen een idee van hoe het er toentertijd aan boord en in de havens aan toe ging.

Tweeduizend jaar geleden werd de Middellandse Zee intensief bevaren met schepen die de meest uiteenlopende ladingen vervoerden. Van honderden tonnen graan die vanuit de haven van Alexandrië in Egypte naar het Romeinse Ostia moesten worden gebracht tot de vele Romeinse reizigers die per vrachtschip via allerlei tussenhavens naar hun bestemming reisden. Maar ook dieren gingen vaak mee aan boord. Zo pronkten pauwen uit India vaak op de Romeinse bankettafels en kwamen de wilde dieren voor de gevechten in het Colosseum uit Afrika…

De zeehandel bloeide in de Romeinse tijd als nooit tevoren. In de noordelijke Romeinse provincies, waaronder het huidige Nederland en België, was de scheepvaart ook belangrijk. Daar werden vooral de rivieren intensief bevaren. Recente opgravingen hebben duidelijk gemaakt dat er bij Forum Hadriani (het moderne Voorburg) in de Romeinse tijd een belangrijke overslaghaven was gevestigd.

Forum Hadriani impressie – B. Brobbel

Er zijn prachtige bronzen voorwerpen gevonden, waaronder met glaspasta ingelegde mantelspelden, en aardewerk uit alle windstreken van het Romeinse Rijk. Daaruit blijkt dat Forum Hadriani met recht een ‘wereldhaven’ mag heten. Aan de wanden hangen frottages, afwrijfsels op papier van originele houten kadepalen uit Forum Hadriani die ervoor zorgen dat je je direct in de Romeinse haven waant.

De tentoonstelling Sail Rome! – Schepen en havens in de Romeinse tijd neemt je aan de hand van uiteenlopende Romeinse voorstellingen, kaarten, modellen en originele voorwerpen mee op reis naar de havens en schepen uit de Romeinse tijd. Reliëfs met afbeeldingen van schepen laten zien over welke schepen de Romeinen beschikten. Uiteraard ontbreken (stukken van) altaren met afbeeldingen van Nehellennia, de beschermgodin van vissers en zeelui, niet. Hoe zeewaardig de schepen ook waren, er moest altijd gebeden worden voor een behouden vaart.

Als bezoeker krijg je de kans de Romeinse wereld van de handel en zeevaart te betreden. Dankzij een grote kaart van de Romeinse wereld die op de vloer is weergegeven reis je in een paar stappen naar de verre uithoeken van het Romeinse Rijk. De originele amforen waarin allerlei exotische handelswaar, zoals vissaus uit Spanje en wijn uit Klein-Azië, werd vervoerd, zijn te zien en er is zelfs nog een pot met echte makreelbotjes uit Spanje bij!

De tentoonstelling biedt ook ruimte aan een aantal bijzondere voorwerpen die het museum in bruikleen heeft uit het buitenland, zoals twee reliëfs met afbeeldingen van scheepvaart op de Nijl en een Romeins vrachtschip uit het British Museum. Het Museum voor Antieke Scheepvaart in het Duitse Mainz heeft bij hoge uitzondering een afgietsel van een beroemde sarcofaag uit Ostia uitgeleend.

Hoogtepunt is een recente aanwinst van het museum: een groot Romeins reliëf waarop twee imposante koopvaardijschepen zijn afgebeeld die geladen met amforen en kisten de haven uitvaren.

Scheepslui zijn op beide schepen bezig met het in gereedheid brengen van de tuigage. Op het linker schip klimt één van de scheepslieden in de mast, terwijl twee anderen zich bezig houden met het touwwerk. De lading van dit schip bestaat uit amforen, die gebruikt werden voor het transporteren van diverse soorten handelswaar. De vrij slanke en lange modellen op dit reliëf doen denken aan amforen die gebruikt werden voor het vervoeren van wijn of garum, een uit de Romeinse tijd bekende vissaus. Het lijkt alsof de amforen slechts één oor hebben, wat een extra aanduiding zou kunnen zijn dat het om verpakking voor vissaus gaat.

Op het rechter schip zijn eveneens twee personen druk in de weer met de touwen. Het zeil is al voor een deel uitgevouwen. Dit schip is beladen met kisten, die mogelijk gevuld waren met graan, fruit of andere handelswaar. Op de romp van het schip bevinden zich als versiering twee grote vissen, die waarschijnlijk als dolfijnen geïnterpreteerd kunnen worden. Aan de rechterzijde van het reliëf is een havengebouw afgebeeld. Vanaf de tweede verdieping kijken twee personen, de rechter is vermoedelijk een vrouw, op het schouwspel in de haven toe. Op de onderliggende verdieping lijkt een soort galerij te zijn, die wordt gevormd door een drietal zuilen met Korinthisch aandoende kapitelen. Rechts onderaan roeit een man in een klein bootje de haven uit.

Het reliëf, met een lengte van 217 cm en een hoogte van 88 cm, wordt voorlopig gedateerd in de derde eeuw na Christus. Waarschijnlijk heeft het deel uitgemaakt van een grafmonument. Het is relatief ondiep en een aantal details van de voorstelling wordt gevormd door ingekraste lijnen. Dit geldt vooral voor de amforen, kisten en dolfijnen. Wellicht dat deze elementen door iemand anders zijn toegevoegd aan het oorspronkelijke beeldhouwwerk, vermoedelijk niet lang nadat het werk was voltooid. Opmerkelijk zijn zeven langwerpige beschadigingen verspreid over het reliëf, die resultaat zijn van oude reparaties van scheuren of breuken in het marmer. Hierbij zijn destijds ijzeren krammen over de barsten geplaatst.

Wie deze zomer een uitstapje wil maken naar de Romeinse tijd, kan tot en met 23 augustus terecht in het Allard Pierson Museum. Ter gelegenheid van de tentoonstelling geeft uitgeverij Athenaeum–Polak & Van Gennep Sail Rome! uit, een boek over de koopvaardij in de Romeinse tijd (€ 9,95 – ISBN 978 90 253 6774 9).

Een fragment:  ‘Rondom liggen de continenten, ver en uitgestrekt, die Rome voortdurend rijkelijk voorzien van wat zij te bieden hebben. Uit ieder land en over iedere zee wordt aangevoerd wat de jaargetijden doen groeien en wat de Grieken en barbaren produceren. Wanneer iemand al die goederen wil zien, moet hij ofwel de hele wereld bereizen of naar Rome komen. Wat namelijk bij al die volkeren afzonderlijk groeit of geproduceerd wordt, is hier steeds in overvloed voorradig. Zo talrijk zijn de vrachtschepen die hier afmeren en alle waren uit alle landen van het vroege voorjaar tot het late najaar aanvoeren, dat het wel lijkt alsof de stad de activiteiten van de gehele wereld naar zich toe trekt. Scheepsladingen uit India, ja zelfs uit het gelukzalige Arabia, treft men in zo’n omvang aan, dat men het vermoeden krijgt dat voor mensen daar nog slechts kale bomen over zijn en dat zij naar Rome moeten om terug te krijgen wat zij nu missen. Het aankomen en afvaren van schepen houdt nooit op, zodat de vraag rijst of de haven van Rome, ja zelfs de gehele zee, groot genoeg is voor al die schepen.’

(Aelius Aristides, Laus Romae 11-13; vertaling Fik Meijer)

De auteurs, Fik Meijer (emeritus hoogleraar Oude Geschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam), Mark Driessen (medewerker van het Amsterdams Archeologisch Centrum van de Universiteit van Amsterdam en belast met de leiding van de opgravingen in Voorburg) en René van Beek (conservator bij het Allard Pierson Museum en samensteller van de tentoonstelling), geven tijdens de tentoonstellingsperiode ook regelmatig lezingen.

Kijk voor meer informatie, agenda, adres en openingstijden op www.allardpiersonmuseum.nl.

  • Share/Bookmark
jun 08

De wijk Testaccio is voor de meeste toeristen nog onontgonnen terrein. Toch is deze buurt een bezoek meer dan waard, zowel voor kunstliefhebbers als voor lekkerbekken!

Tijdens de bloeiperiode van het Romeinse Rijk bevond zich op de plek waar nu Testaccio ligt de Porticus Aemilia, de binnenhaven van Rome. Hier werden vanuit Ostia, de haven aan zee, enorme kruiken met Spaanse olijfolie aan land gebracht. De olijfolie werd door de havenarbeiders overgedaan in kleinere vaten die gemakkelijker te vervoeren waren. Als de grote amforen waarin de olie was aangekomen geleegd waren, werden ze vernietigd. De kruiken waarin de olie was aangevoerd mochten namelijk slechts eenmalig gebruikt worden, aangezien de olijfolie in de poreuze terracotta kruiken snel bedierf. Een decreet bepaalde daarom dat de gebruikte oliekruiken in stukken moesten worden geslagen en op een grote hoop moesten worden gegooid. Deze hoop groeide in de loop der jaren uit tot een enorme berg, die door de inwoners van de wijk ook wel de Monte dei Cocci (Schervenberg) werd genoemd.

De Schervenberg nam in de loop der tijd steeds meer het karakter van een echte berg aan; zo werden er bijvoorbeeld grotten in uitgegraven die door de inwoners en arbeiders in de buurt werden gebruikt als voorraadruimten. De naam Testaccio is direct verbonden met de vroegste functie van deze plek; Testaccio is namelijk een afgeleide van het Latijnse woord testum, dat amfoor of scherf van terracotta betekent. Wanneer je nu door de wijk wandelt, zie je her en der nog flinke verzamelingen potscherven liggen.

De oude voorraadruimten die in de berg werden uitgehouwen maken nu deel uit van Testaccio Village, een verzameling clubs, bars en restaurants die zich in en om de grotten hebben gevestigd en die een deel van de wijk ’s avonds veranderen in één groot uitgaanscentrum. ’s Zomers worden hier ook veel openluchtconcerten en festivals georganiseerd.

Maar Testaccio is meer dan het uitgaanscentrum van de stad. De wijk kent een groot aantal verborgen juweeltjes, zoals het Campo Cestio, een schitterende begraafplaats. Tot een aantal jaren geleden heette deze begraafplaats het Cimitero Acattolico (het niet-katholieke kerkhof). Dit klinkt misschien een beetje vreemd, een kerkhof voor niet-katholieken in de meest katholieke stad ter wereld. Maar wie de geschiedenis induikt, ontdekt al gauw dat het ontstaan van deze begraafplaats juist in de hand werd gewerkt door de overweldigende hoeveelheid katholieke begraafplaatsen in Rome.

Tot het einde van de achttiende eeuw mochten niet-katholieken namelijk niet op een katholieke begraafplaats worden begraven. Het gevolg hiervan was dat de doden ’s nachts onder bewaking van de Romeinse politie ter aarde moesten worden besteld. De pauselijke autoriteiten hadden het gebied dat buiten de Porta San Paolo vlak tegen de Aureliaanse muur lag ter beschikking gesteld om niet-katholieken een laatste rustplaats te gunnen. In 1748 stond deze plek voor het eerst op de stadsplattegrond van Rome, met de aanduiding ‘plaats waar men protestanten begraaft’.

In 1803 stierf de oudste zoon van de protestant Wilhelm von Humboldt, die in Rome woonde en als Pruisisch gezant werkzaam was aan het pauselijk hof. Toen ook zijn vier jaar jongere zoon overleed, gaf Paus Pius VII hem een stuk land bij de Piramide van Cestius, zodat hij zijn beide zonen in alle rust kon laten begraven. Volgens de overlevering heeft Von Humboldt rond de twee grafzerken een hek laten zetten, waardoor het ontstaan van het protestantse kerkhof een feit was. Ook al was het kerkhof voor protestanten, het stond tot 1870 onder streng toezicht van de paus. Alle grafschriften moesten ter goedkeuring aan een pauselijke commissie worden voorgelegd en kruistekens op de graven waren ten strengste verboden. Pas met de opheffing van de Kerkelijke Staat kwam er ook een einde aan deze strenge voorschriften. In 1921 werden er officiële richtlijnen voor de protestantse begraafplaats opgericht. Toen werd onder andere bepaald dat deze plek ‘ter beschikking wordt gesteld aan alle buitenlandse staten met protestantse en orthodox-katholieke staatsburgers’, hetgeen in 1953 werd veranderd in ‘niet-katholieke staatsburgers’.

Meer dan vierduizend mensen hebben op het Campo Cestio hun laatste rustplaats gevonden. Wie tussen de graven wandelt, ziet veel beroemde namen voorbijkomen: Keats, Shelley, Julius Goethe (de enige zoon van Johann Wolfgang Goethe), Gramsci (de oprichter van de Italiaanse communistische partij)… Maar ook bij de graven van onbekenden blijf je vaak zomaar stilstaan. De beelden op de graven maken, vooral tegen de achtergrond van Romeinse pijnbomen en een strakblauwe lucht, een overweldigende indruk.

Hier en daar duikt op de achtergrond nog een ander graf op, de Piramide di Cestio. Onder deze piramide bevindt zich het graf van Caio Cestio, een edelman die zo rijk was dat hij van gekkigheid niet meer wist wat hij met zijn geld moest doen. Hij was, net als veel Romeinen in zijn tijd, gefascineerd door de Egyptische cultuur en voordat hij stierf liet hij een piramide van 36 meter hoog en 30 meter breed ontwerpen, die zijn graf moest sieren. En zo geschiedde…

Testaccio is echter niet alleen de wijk van de Schervenberg, het is ook een waar culinair lustoord. Daarover morgen meer!

  • Share/Bookmark
jun 02

Toen ik in april in Rome was, heb ik natuurlijk een muntje in de Trevifontein gegooid, waarvan hierbij het levende bewijs: 

Zoals jullie wellicht weten, was ik hierdoor verzekerd van mijn terugkeer naar Rome. Al decennialang gooien toeristen en bezoekers een muntje in de fontein, met de heilige overtuiging dat ze dan nog eens zullen terugkeren. De oudste vermelding van het werpen van een muntje dateert van ongeveer 1870, maar pas in 1954 werd deze gewoonte door de film Three Coins in the Fountain wereldberoemd.

Volgens de echte kenners moet je met je rug naar de fontein gaan staan. Je neemt een muntje in je rechterhand en gooit het over je linkerschouder in de fontein, zonder achterom te kijken! Als je linkshandig bent, moet je het officieel overigens andersom doen: dus met je linkerhand een muntje over je rechterschouder gooien. Wil je niet alleen terugkeren naar Rome, maar er ook de liefde van je leven ontmoeten, dan moet je twee muntjes tegelijk in het water gooien. Drie muntjes zou leiden tot een huwelijk met een Romein, dus bedenk voordat je het derde muntje ter hand neemt goed hoe je wil dat je romance na het gooien van de twee muntjes moet aflopen.

Jaarlijks worden er 9.000 tot 10.000 kilo munten in de Trevifontein gegooid. Vóór de invoering van de euro bestond het totaalbedrag uit ongeveer evenveel lires als vreemde valuta, maar nu bestaat het overgrote deel van het geld uit euromuntjes. Zelf op muntenjacht gaan in de fontein is ten strengste verboden. Het geld wordt regelmatig door de gemeente uit het bassin gehaald, waarna het wordt overgedragen aan de kas van de gemeente Rome. Het geld werd tot een tijd geleden nog aan het Rode Kruis geschonken, maar het sorteren van alle verschillende munten kostte hen zoveel tijd dat ze er geld op toe moesten leggen. Sinds de restauratie van de fontein in de jaren negentig wordt het geld dan ook weer opnieuw aan de gemeente geschonken, die het onder andere gebruikt voor het onderhoud van de fontein.

De Trevifontein is wereldberoemd geworden door de film La Dolce Vita (1960), van Federico Fellini, met in de hoofdrollen Marcello Mastroianni en Anita Ekberg. De scène waarin Ekberg in de vroege ochtend de fontein in wandelt, gevolgd door Mastroianni, is misschien wel het bekendste plaatje dat ooit van deze fontein geschoten is. Claudia Schiffer deed deze scène in 1994 nog eens dunnetjes over, voor een videoclip van het modehuis Valentino. In de film C’erevamo tanti amati (1975) laat regisseur Ettore Scola een groepje vrienden langs de Trevifontein wandelen, net op het moment dat Fellini er zijn beroemde scène aan het draaien is. Uniek aan deze film is dat Fellini en Mastroianni zichzelf spelen, een uniek moment in de geschiedenis van de film en van de Trevifontein!

Over de geschiedenis van de Trevifontein gesproken, die is bij de meeste toeristen lang niet zo bekend als de traditie van de muntjes. De fontein werd gebouwd tussen 1732 en 1751. Een groot deel van het geld dat nodig was voor de bouw van de fontein werd door Urbanus VIII verzameld door een extra belasting op wijn te heffen. Dat leidde tot veel protest onder de Romeinen. Pasquino, een van de ‘sprekende’ beelden in Rome, mopperde ‘op last van Urbanus betaalden wij tal van accijnzen op wijn. In ruil hiervoor krijgen zijn burgers nu water uit deze fontein’.

Het ontwerp voor de fontein werd getekend door Bernini, maar het bleef meer dan vijftig jaar lang ongebruikt in het archief liggen. Uiteindelijk was het Nicola Salvi, een ontwerper van toneeldecors, die het ontwerp mocht uitvoeren. Bernini was toen helaas al overleden en heeft dit dus nooit meer mee mogen maken. Salvi heeft de fontein wel kunnen voltooien, maar toen Clemens XIII de fontein in 1762 inwijdde was ook hij al overleden.

Op de plek waar nu de Trevifontein staat, bevond zich eerst een bescheidener fontein, als een soort tussenstop van de Aqua Virgo, een antieke waterleiding die het water vanuit de heuvels naar de stad leidde. Aangezien er drie wegen op het pleintje waar deze fontein zich bevond uitkwamen, werd de nieuwe fontein die hier moest herrijzen al snel aangeduid als Fontana di Trevi, de fontein van de drie wegen. De fontein is overigens niet het eindpunt van de watervoorziening; zo’n vijftig andere fonteinen en fonteintjes in de stad (waaronder de Schildpaddenfontein (zie Ciao tutti van 27 februari) en de fonteinen op het Piazza Navona) worden door de Trevifontein continu van water voorzien.

Het water van de Trevifontein staat bekend als het beste en het zoetste water van Rome. Het is nu verboden uit de fontein te drinken, maar vroeger dronken geliefden die hun relatie voor altijd wilden laten voortduren een glas water uit de fontein, waarna ze het glas tegen de fontein stuk moesten gooien. Ook Michelangelo was blijkbaar een groot fan van het Treviwater: toen hij stierf, vond men in zijn huis wel vijf vaatjes met water uit de Trevifontein.

Elke dag opnieuw stroomt zo’n tachtig miljoen liter water in het bekken van de fontein. Zeker op een stille, winterse dag hoor je het donderende geraas van het neerstortende water al een paar straten verderop. Het lijkt net alsof Oceanus, de zeegod, uit het water oprijst. Hij staat op een reusachtige schelp, die wordt voortgetrokken door twee gevleugelde paarden. Het paard aan de rechterkant is heel rustig, terwijl het paard helemaal links nauwelijks in toom te houden is. Beide paarden staan symbool voor de zee in al haar verschijningen, van heel kalm en sereen tot zeer onstuimig en woest – net als de sfeer bij de fontein. Een bezoek aan de Trevifontein is het mooist in de vroege ochtend of de late avond, als er geen drommen toeristen muntjes staan te gooien en je de schoonheid van het samenspel tussen marmer en water op je in kunt laten werken.

Vandaag mag ik de belofte van de Trevifontein inlossen en keer ik weer even terug naar Rome. Wat ik daar ga doen, lezen jullie de komende weken op Ciao tutti, maar één ding is zeker: ik zal de stad niet verlaten zonder weer een muntje (of misschien toch maar twee of drie) in de Trevifontein te hebben gegooid!

  • Share/Bookmark
Getagd met:
preload preload preload