jun 05

Na al die ijskoffies en wijntjes van gisteren konden we de nasoni (‘neuzen’) die we op weg naar het station tegenkwamen wel omarmen. De nasoni, zo genoemd vanwege de typische ijzeren tuit die uit de cilindervormige fontein steekt en die wel wat weg heeft van een grote neus, zijn vooral handig omdat je dankzij deze fonteintjes in Rome overal en altijd je dorst kunt lessen. Dankzij de nasoni is er door de hele stad steeds een overvloed van ijskoud water beschikbaar. Het precieze aantal fonteintjes is niet bekend, maar naar schatting staan er alleen al in het oude centrum meer dan 200 nasoni.

Alle nasoni staan met elkaar in verbinding via een ondergronds waterleidingnetwerk met een lengte van zo’n 130 kilometer. De ongeveer 16.000 kubieke meter drinkwater die dagelijks via de fonteintjes naar buiten wordt gestuwd wordt via ditzelfde leidingstelsel opgevangen en naar reservoirs geleid, waarna het bijvoorbeeld gebruikt wordt voor het schoonmaken van straten of voor de tuinbouw. De kwaliteit van het water is zeer hoog. Er worden dan ook jaarlijks meer dan 250.000 testen uitgevoerd om te controleren of het water nog steeds van perfecte kwaliteit is.

De meeste nasoni hebben een heel karakteristieke vorm: een hoge cilinder met een ijzeren tuit. Ze zijn meestal gemaakt van gietijzer, al bestaan er ook nog modellen uit travertijn. De nasoni met drie tuiten zijn zeldzaam, deze werden vooral in de beginjaren geplaatst. In de Via della Cordonata staat er nog eentje. Een van de oudste nasoni bevindt zich op de Piazza della Rotonda, voor het Pantheon. Deze drinkfontein dateert uit 1872!

Naast de klassieke cilindervorm tref je in Rome ook heel wat andere drinkfonteintjes aan, vaak verstopt in een muur van een palazzo of op de hoek van een pleintje. Veel drinkfonteinen zijn versierd met mooie beelden, van engeltjes, draken, monsters, bloemen en familiewapens. Hieronder een kleine greep uit de bijzondere fonteinen waar we de afgelopen dagen ons oog op hebben laten vallen:

Fontana delle Tiare (1927) – Piazza della Città Leonina

Fontana della Botticella (1774) – Piazza Augusto Imperatore

Fontana del Mascherone – Piazza Pietro d’Illiria

Fontana del Facchino (1500) – Via Lata

Deze laatste fontein, Il Facchino, herinnert aan de dronken pakjesbezorger die zich nu niet meer tegoed mag doen aan wijn en andere alcoholische versnaperingen, maar zich met water tevreden moet stellen. Een toepasselijker plek om je nadorst weg te drinken kun je in heel Rome niet vinden…

In totaal kun je in Rome op meer dan 2000 plaatsen je dorst lessen. Wil je weten waar je al deze fonteintjes kunt vinden? Schaf dan als je in Rome bent het boekje I Nasoni di Roma van Fabrizio Di Mauro aan. Hij laat precies zien waar je welke fonteintjes vindt. Het boekje is in het Italiaans, maar de kaarten en tekeningen zijn zo duidelijk dat het boekje ook voor degenen die geen Italiaans spreken heel goed te gebruiken is.

Een overzicht van de nasoni in het oude centrum kun je downloaden via de website www.aceaspa.it (klik vervolgens op ‘La Mappa dei Nasoni’). Ben je al in Rome? Je kunt de kaart ook gratis afhalen bij het hoofdkantoor van ACEA (Piazzale Ostiense 2).

Getagd met:
jun 02

Toen ik in april in Rome was, heb ik natuurlijk een muntje in de Trevifontein gegooid, waarvan hierbij het levende bewijs: 

Zoals jullie wellicht weten, was ik hierdoor verzekerd van mijn terugkeer naar Rome. Al decennialang gooien toeristen en bezoekers een muntje in de fontein, met de heilige overtuiging dat ze dan nog eens zullen terugkeren. De oudste vermelding van het werpen van een muntje dateert van ongeveer 1870, maar pas in 1954 werd deze gewoonte door de film Three Coins in the Fountain wereldberoemd.

Volgens de echte kenners moet je met je rug naar de fontein gaan staan. Je neemt een muntje in je rechterhand en gooit het over je linkerschouder in de fontein, zonder achterom te kijken! Als je linkshandig bent, moet je het officieel overigens andersom doen: dus met je linkerhand een muntje over je rechterschouder gooien. Wil je niet alleen terugkeren naar Rome, maar er ook de liefde van je leven ontmoeten, dan moet je twee muntjes tegelijk in het water gooien. Drie muntjes zou leiden tot een huwelijk met een Romein, dus bedenk voordat je het derde muntje ter hand neemt goed hoe je wil dat je romance na het gooien van de twee muntjes moet aflopen.

Jaarlijks worden er 9.000 tot 10.000 kilo munten in de Trevifontein gegooid. Vóór de invoering van de euro bestond het totaalbedrag uit ongeveer evenveel lires als vreemde valuta, maar nu bestaat het overgrote deel van het geld uit euromuntjes. Zelf op muntenjacht gaan in de fontein is ten strengste verboden. Het geld wordt regelmatig door de gemeente uit het bassin gehaald, waarna het wordt overgedragen aan de kas van de gemeente Rome. Het geld werd tot een tijd geleden nog aan het Rode Kruis geschonken, maar het sorteren van alle verschillende munten kostte hen zoveel tijd dat ze er geld op toe moesten leggen. Sinds de restauratie van de fontein in de jaren negentig wordt het geld dan ook weer opnieuw aan de gemeente geschonken, die het onder andere gebruikt voor het onderhoud van de fontein.

De Trevifontein is wereldberoemd geworden door de film La Dolce Vita (1960), van Federico Fellini, met in de hoofdrollen Marcello Mastroianni en Anita Ekberg. De scène waarin Ekberg in de vroege ochtend de fontein in wandelt, gevolgd door Mastroianni, is misschien wel het bekendste plaatje dat ooit van deze fontein geschoten is. Claudia Schiffer deed deze scène in 1994 nog eens dunnetjes over, voor een videoclip van het modehuis Valentino. In de film C’erevamo tanti amati (1975) laat regisseur Ettore Scola een groepje vrienden langs de Trevifontein wandelen, net op het moment dat Fellini er zijn beroemde scène aan het draaien is. Uniek aan deze film is dat Fellini en Mastroianni zichzelf spelen, een uniek moment in de geschiedenis van de film en van de Trevifontein!

Over de geschiedenis van de Trevifontein gesproken, die is bij de meeste toeristen lang niet zo bekend als de traditie van de muntjes. De fontein werd gebouwd tussen 1732 en 1751. Een groot deel van het geld dat nodig was voor de bouw van de fontein werd door Urbanus VIII verzameld door een extra belasting op wijn te heffen. Dat leidde tot veel protest onder de Romeinen. Pasquino, een van de ‘sprekende’ beelden in Rome, mopperde ‘op last van Urbanus betaalden wij tal van accijnzen op wijn. In ruil hiervoor krijgen zijn burgers nu water uit deze fontein’.

Het ontwerp voor de fontein werd getekend door Bernini, maar het bleef meer dan vijftig jaar lang ongebruikt in het archief liggen. Uiteindelijk was het Nicola Salvi, een ontwerper van toneeldecors, die het ontwerp mocht uitvoeren. Bernini was toen helaas al overleden en heeft dit dus nooit meer mee mogen maken. Salvi heeft de fontein wel kunnen voltooien, maar toen Clemens XIII de fontein in 1762 inwijdde was ook hij al overleden.

Op de plek waar nu de Trevifontein staat, bevond zich eerst een bescheidener fontein, als een soort tussenstop van de Aqua Virgo, een antieke waterleiding die het water vanuit de heuvels naar de stad leidde. Aangezien er drie wegen op het pleintje waar deze fontein zich bevond uitkwamen, werd de nieuwe fontein die hier moest herrijzen al snel aangeduid als Fontana di Trevi, de fontein van de drie wegen. De fontein is overigens niet het eindpunt van de watervoorziening; zo’n vijftig andere fonteinen en fonteintjes in de stad (waaronder de Schildpaddenfontein (zie Ciao tutti van 27 februari) en de fonteinen op het Piazza Navona) worden door de Trevifontein continu van water voorzien.

Het water van de Trevifontein staat bekend als het beste en het zoetste water van Rome. Het is nu verboden uit de fontein te drinken, maar vroeger dronken geliefden die hun relatie voor altijd wilden laten voortduren een glas water uit de fontein, waarna ze het glas tegen de fontein stuk moesten gooien. Ook Michelangelo was blijkbaar een groot fan van het Treviwater: toen hij stierf, vond men in zijn huis wel vijf vaatjes met water uit de Trevifontein.

Elke dag opnieuw stroomt zo’n tachtig miljoen liter water in het bekken van de fontein. Zeker op een stille, winterse dag hoor je het donderende geraas van het neerstortende water al een paar straten verderop. Het lijkt net alsof Oceanus, de zeegod, uit het water oprijst. Hij staat op een reusachtige schelp, die wordt voortgetrokken door twee gevleugelde paarden. Het paard aan de rechterkant is heel rustig, terwijl het paard helemaal links nauwelijks in toom te houden is. Beide paarden staan symbool voor de zee in al haar verschijningen, van heel kalm en sereen tot zeer onstuimig en woest – net als de sfeer bij de fontein. Een bezoek aan de Trevifontein is het mooist in de vroege ochtend of de late avond, als er geen drommen toeristen muntjes staan te gooien en je de schoonheid van het samenspel tussen marmer en water op je in kunt laten werken.

Vandaag mag ik de belofte van de Trevifontein inlossen en keer ik weer even terug naar Rome. Wat ik daar ga doen, lezen jullie de komende weken op Ciao tutti, maar één ding is zeker: ik zal de stad niet verlaten zonder weer een muntje (of misschien toch maar twee of drie) in de Trevifontein te hebben gegooid!

Getagd met:
apr 03

De meest bijzondere bezienswaardigheid van Napels is natuurlijk de stad zelf. De nauwe straatjes met de gekleurde was die tussen de huizen hangt, de Napolitaanse mamma’s die hun oudere bovenburen al schreeuwend overhalen om een teiltje te laten zakken waar de boodschappen in kunnen, de vele huisaltaartjes, het lawaai en de chaos, de geur van sterke espresso’s en gefrituurde groenten, de voetballende jongetjes…

Het centrum van Napels wordt letterlijk in tweeën gespleten door de Spaccanapoli, een lange nauwe sliert van opeenvolgende straten. Vanaf de top van de Vomero-heuvel zie je duidelijk hoe deze straten het oude centrum in twee helften verdelen. De naam Spaccanapoli is dan ook overduidelijk de enige juiste aanduiding voor deze straat: het betekent ‘gespleten Napels’. De Spaccanapoli maakte al deel uit van het vroegere Romeinse stratenplan, dat nog goed terug te vinden is in de kaarsrechte straten en steegjes in het centrum. De Spaccanapoli volgt nu de Via Pasquale Scura, de Via Capitelli, de Via Benedetto Croce, de Via San Bagio dei Librai, de Vicara Vecchia, de Via Giudecca Vecchia en de Via Tupputi.

Via deze straten loop je regelrecht het Napolitaanse leven in. De kleine winkeltjes stallen hun koopwaar gewoon op straat uit, waardoor je echt tussen de mensen, de motorino’s en de kooplui moet laveren. Groente en fruit in alle soorten en maten, versgevangen vis, duizenden rode pepertjes (daarover later deze maand meer), figuurtjes voor in de kerststal, de beeldjes van Pulcinella, de harlekijn uit de commedia dell’arte, enorme zakken pasta, flesjes limoncello… in deze straat concentreert het echte Napels zich op een paar vierkante meter. Alleen direct na de lunch, als de zon hoog aan de hemel staat en er bijna geen schaduw te vinden is, daalt er een weldadige stilte neer tussen de hoge huizen. Maar niet voor lang, want al gauw sissen de eerste espressoapparaten weer en beginnen de eerste buren elkaar luidruchtig te begroeten. 

Naast een blik op de Napolitaanse cultuur biedt de Spaccanapoli ook veel bezienswaardigheden. Wanneer je vanaf de Vomero afdaalt, kom je allereerst op het Piazza del Gesù Nuovo. De kerk waar het plein zijn naam aan ontleent, is een van de mooiste barokkerken van Napels. Van binnen althans, want aan de buitenkant is de kerk nauwelijks als zodanig te herkennen. De façade van de kerk was oorspronkelijk de gevel van het Palazzo Sanseverino, geheel voorzien van grijze piperno-stenen. In 1584 werd het paleis door de jezuïeten omgebouwd tot een rijk gedecoreerde kerk, met ontelbare fresco’s en veel marmer. Het duurde maar liefst 40 jaar voordat elk stukje muur bedekt werd door een beeld, een fresco of een schildering. Tijdens de aardbeving van 1688 stortte de hele koepel in, waarna een groot aantal pilaren werd neergezet om het dak te ondersteunen. De kerk maakte op mij grote indruk vanwege de dagelijkse devotie die de bezoekers uitstralen. Bijna geen enkele Napolitaan verlaat de kerk zonder gebiecht te hebben. Soms staan er zelfs lange rijen voor een biechtstoel: absolutie vragen is blijkbaar een populaire bezigheid in een stad waar de verleiding op elke straathoek op de loer ligt…

Even verderop ligt de veel rustigere Santa Chiara, een gotische kerk die bij toeristen vooral bekend is vanwege de bijzondere kloostertuin. De 72 achthoekige zuilen en de bankjes die daartussen zijn gebouwd, zijn van boven tot beneden betegeld met majolica. De majolicategels vertellen verhalen uit een ver verleden, met vergane landschappen. Daartussen strengelen druivenranken, bloemen en olijven om de zuilen. Ook de kloostertuin zelf is een oase van groen, met zijn wijnranken, sinaasappel- en citroenbomen.

De fresco’s op de muren van de kloostergang en een fonteintje maken de tuin helemaal af en bieden het perfecte decor voor de honderden bruidsreportages die hier worden geschoten. Geniet maar even van de weldadige rust, want zodra je je op weg begeeft naar de volgende kerk word je overspoeld door de chaos van de Spaccanapoli.

Het mooiste gedeelte van de Spaccanapoli loopt misschien wel vanaf de Via Benedetto Croce naar de kruising met de Via Duomo. Aan het begin van de Via Benedetto Croce, op nummer 12, bevindt zich het Palazzo Filomarino, een van de vele onderkomens van de Napolitaanse aristocratie en tot in 1952 het onderkomen van Benedetto Croce, de filosoof en historicus naar wie de straat is vernoemd. Ondanks het feit dat deze palazzi nu vaak in een erbarmelijke staat verkeren, straalden ze in de glorietijd van Napels een enorme macht uit.

Op de kruising met het Piazza San Domenico Maggiore staat hoog boven op een zuil een bronzen standbeeld van de heilige Dominicus. De kerk op het plein is eveneens aan San Domenico gewijd. Karel I van Anjou liet de kerk bouwen voor de steeds belangrijker wordende dominicaanse orde (zie ook het stukje van 28 maart). In de middeleeuwen bood het klooster onderdak aan de invloedrijke filosoof en theoloog Thomas van Aquino. In de kerk hing tot een aantal jaren geleden Caravaggio’s Flagellazione di Cristo (De geseling van Christus), die nu een paar kilometer verderop in het museum van Capodimonte te bewonderen is. In de San Domenico hangt uiteraard nog een kopie die in de 17de eeuw door Andrea Vaccaro werd gemaakt.

Niet direct aan de Spaccanapoli, maar te mooi om niet te noemen, is de Cappella Sansevero. De kapel is in 1590 gebouwd als grafkapel voor de leden van de familie Sangro, in opdracht van prins Raimondo di Sangro. Deze Raimondo was tevens een vrijmetselaar en alchemist, hetgeen duidelijk in de kapel is terug te zien. Zo worden aan hem twee macabere experimenten toegeschreven waarvan de resultaten in een zijruimte van de kapel worden tentoongesteld. De prins zou twee proefpersonen een speciale conserverende vloeistof hebben laten drinken, dat het totale vlechtwerk van hun aderen mummificeerde – en waaraan ze dus overleden. Het meest spectaculaire dat in de Cappella Sansevero te zien is, is echter de Cristo Velato (Gesluierde Christus) van de hand van de Napolitaanse beeldhouwer Giuseppe Sanmartino. Met een onwaarschijnlijke verfijning is het dode lichaam van Christus afgebeeld onder een flinterdunne sluier. De gelaatstrekken en de armspieren zijn nog heel goed onder de sluier te zien, waardoor het net lijkt alsof het beeld later is toegedekt. Ongelooflijk dat iemand zo’n levend kunstwerk uit één blok marmer kan creëren…

Eenmaal terug in de Spaccanapoli wacht je de Piazzetta Nilo, maar daarover (en over het vervolg van de straat) dinsdag meer!

Getagd met:
mrt 29

Precies vijftig jaar na de première van La Dolce Vita neemt de tentoonstelling Fellini – Dall’Italia alla luna in het museum voor moderne kunst in Bologna (MAMbo) je mee naar de uitbundige wereld van de Italiaanse regisseur Federico Fellini. Het leven van Fellini wordt samengevat in tekeningen, filmfragmenten, krantenartikelen, oude foto’s en veel spektakel.

De expositie besteedt veel aandacht aan La Dolce Vita, waarmee Fellini in 1960 in Cannes een Gouden Palm won. De bekendste scène, waarin Anita Ekberg in de Trevifontein ronddartelt, wordt vaak opgevoerd als een illustratie van Fellini’s ongebreidelde (erotische) fantasie, maar de expositie laat zien dat Ekberg al twee jaar voordat Fellini haar vroeg voor de rol van Sylvia als fotomodel in de fontein stond om een product aan te prijzen. Het is vrijwel zeker dat Fellini de reclamefoto in een tijdschrift heeft gezien en zo op het idee kwam deze scène ook in zijn nieuwe film te verwerken. Zo’n bijzondere fantasie had Fellini dus niet – wel een fenomenaal geheugen.

Ondanks dat Fellini de erotische scène niet zelf had bedacht maar had ontleend aan een advertentie, was hij enorm geobsedeerd door borsten en billen. Deze obsessie is duidelijk terug te vinden in de honderden tekeningen die hij maakte naar aanleiding van zijn dromen. Hij begon er in 1961 mee, op aanraden van een psychoanalyticus, en hij bleef het dertig jaar lang doen. Dat leverde twee dikke schriften vol dromen op, die het pièce de résistance van de expositie vormen.

Uiteraard is een expositie over Fellini niet compleet zonder zijn films. Daarom zijn er in het museum enkele fragmenten te bekijken en worden zijn klassiekers regelmatig op grote schermen op het Piazza Maggiore vertoond. Geen romantischer avondje uit dan La Dolce Vita in de openlucht!

Fellini – Dall’Italia alla luna
25 maart – 25 juli 2010
MAMbo Bologna
www.mambo-bologna.it

Federico Fellini
Fellini begon zijn carrière als cartoonist van spotprenten. Na de oorlog had hij een tijdje een winkeltje in Rome, waar hij tegen betaling karikaturen van mensen tekende. Via zijn werk als tekenaar kwam Fellini in contact met Roberto Rossellini, die hem in dienst nam als scenarioschrijver. Samen werkten ze onder andere aan Roma, Città Aperta. Fellini kreeg de smaak te pakken en ging ook zelf films regisseren. In 1952 maakte hij zijn regiedebuut met Lo Sceicco Bianco (‘De witte sjeik’). Tijdens de opnamen van deze film ontmoette Fellini Nino Rota, de musicus die gedurende de rest van zijn succesvolle carrière met hem zou blijven samenwerken.

Met I Vitelloni, zijn tweede eigen film, zette Fellini zichzelf internationaal op de kaart. Hoewel hij aanvankelijk sterk beïnvloed werd door het neorealisme, verschoof het accent in La Strada en zijn latere films van de sociale werkelijkheid naar de psychologie, naar de fantasieën en obsessies van de hoofdpersonen. In La Strada, die werd bekroond met een Oscar voor de Beste Buitenlandse Film, speelt zijn vrouw Giulietta Masina de hoofdrol. Die samenwerking beviel blijkbaar heel goed, want zij speelde later ook in Giulietta degli Spiriti. Deze film toonde een surrealistische kijk op het huwelijk, waarbij de gelijknamige hoofdpersoon, Giulietta, het overspel van haar man ontdekt en op eigen benen leert te staan. Daarna verschijnt Giulietta pas in 1985 weer in een film van haar man, als Ginger in Ginger e Fred. Fellini had in de tussentijd een groot aantal meesterwerken weten te creëren, zoals Roma, Amarcord en E la Nave Va. In 1993 kreeg Fellini een Oscar voor zijn hele oeuvre, maar daarvan heeft hij niet lang mogen genieten. Federico Fellini overleed op 31 oktober van dat jaar.

La Dolce Vita
Marcello Rubini (Marcello Mastroianni) is een columnist die la dolce vita (‘het zoete leven’) beschrijft van de high society in Rome. Op zoek naar sappige roddels en schandalen stort hij zich elke nacht in het feestgedruis van de Via Veneto. Als de beroemde actrice Sylvia (Anita Ekberg) in Rome vertoeft, probeert Marcello met haar in contact te komen. Tijdens hun eerste ontmoeting valt hij onmiddellijk voor haar uitdagende uitstraling. Aangetrokken door de levenswijze van de rijken in Rome vraagt Marcello zich af waarom hij niet net zo vrij en uitbundig kan leven als zijn vriend Steiner. Totdat hij ontdekt dat in al die nachten vol drank en seks een diepe tragiek en verdriet sluimert…

Toen La Dolce Vita in 1960 verscheen, veroorzaakte de film een rel, met name door de wijze waarop het decadente leven in Rome werd verbeeld. Het Vaticaan eiste een verbod op het vertonen van de film. La Dolce Vita is uiteindelijk wereldberoemd geworden, net als de in de Trevifontein dansende Anita Ekberg. Sommige jonge meisjes proberen dit nog wel eens na te doen en springen overmoedig in het water van de fontein, maar ze worden altijd streng teruggefloten door de aanwezige politieagenten. Naast Anita Ekberg heeft ook de societyfotograaf voor een langdurige invloed gezorgd. De fotograaf die het leven van de beroemdheden aan de Via Veneto moest vastleggen, werd door Fellini namelijk Paparazzo gedoopt, een naam die uiteindelijk is verworden tot de soortnaam van lastige, opdringerige fotografen.

Getagd met:
mrt 18

Bologna dankt de bijnaam la rossa aan de politieke kleur van de stad. In de jaren zeventig van de vorige eeuw was Bologna de enige stad in heel Italië met een communistisch bestuur. Dat leverde – met name buiten de stadsgrenzen – veel commotie op. Uit angst voor het communisme werden er in die tijd in heel Italië aanslagen gepleegd door extreem-rechtse groeperingen. De bedoeling van deze aanslagen was tweeledig: hoewel het erop moest lijken dat de terreur uit linkse hoek kwam, zodat de bevolking afstand zou nemen van de communistische idealen en de staat weer zou omarmen, wilden de groeperingen die achter de aanslagen zaten juist het pad effenen voor een rechts-autoritaire Italiaanse staat. Het dieptepunt van deze strijd staat in het collectieve geheugen van Bologna gegrift. Op 2 augustus 1980 kwamen meer dan 80 mensen om het leven en raakten ruim 200 mensen gewond na een zware bomaanslag op het station van Bologna, waar zich op dat moment honderden Bolognesi bevonden die op het punt stonden op vakantie te gaan. Het was de zwaarste aanslag in de naoorlogse geschiedenis van Italië.

Het proces tegen de vermeende daders van de aanslag hield Italië jarenlang in zijn greep. Hoewel de Italianen vonden dat de rechter de Rode Brigades, die werden gezien als het brein achter deze aanslag, terecht streng aanpakte, probeerde de regering de aanslag te bagatelliseren. Men bleef stug volhouden dat een defect aan de gasleiding of de verwarmingsinstallatie de ontploffing had veroorzaakt. Af en toe werd er wel een aantal verdachten opgepakt, maar meestal bleef het daarbij. Uiteindelijk werd de aanslag opgeëist door leden van de NAR (Nuclei Armati Rivoluzionari, Gewapende Revolutionaire Kernen). De daders werden veroordeeld tot levenslange gevangenisstraf. Buiten het station van Bologna herinnert de grote klok nog steeds aan het moment van de aanslag; de wijzers staan hier voor eeuwig op vijf voor half elf, het tijstip waarop de aanslag dertig jaar geleden plaatsvond.

Hoewel Bologna kan bogen op een historisch linkse reputatie, is die in de loop der jaren enigszins geluwd. Toch blijft Bologna een belangrijke rol spelen op politiek gebied. Zo heeft Romano Prodi, voormalig premier van Italië en van 1999 tot november 2004 voorzitter van de Europese Commissie, gestudeerd in deze ‘rode stad’.

 

 

Portici
Hoewel de bijnaam la rossa dus in eerste instantie verwijst naar de politieke kleur van Bologna, is rood ook de kleur van het uiterlijk van de stad. Wanneer je de gevels en de daken aanschouwt, overheerst tot in de verre omtrek de rode kleur van baksteen en terracotta. Een ander opvallend kenmerk van Bologna is het grote aantal portici (zuilengalerijen), die samen wel 35 kilometer beslaan. De galerijen dateren grotendeels uit de middeleeuwen. Rond 1300 telde de stad – mede dankzij de aanwezigheid van de universiteit – ruim 50.000 inwoners, en daarmee was Bologna een van de tien grootste steden in Europa. Het huizenaanbod groeide echter niet mee, waardoor men besloot om huizen boven op een stevige boogconstructie te bouwen, die wel vijf woonlagen kon dragen. Zo ontstond niet alleen meer woonruimte, maar ook de voor Bologna zo kenmerkende aanwezigheid van deze portici. Bologna herbergt zelfs de langste overdekte zuilengalerij ter wereld. Deze galerij loopt van de Porta Saragozza, een oude stadspoort ten westen van het centrum, naar de kerk Madonna di San Luca, die zich in een van de buitenwijken bevindt. De 4 km lange portico telt maar liefst 666 bogen!

Waterwerken
Bologna wordt – in tegenstelling tot veel andere grote Italiaanse steden – niet doorkruist door een grote rivier. Toch is er in Bologna genoeg water te vinden, voor wie even verder kijkt dan de portici en andere belangrijke bezienswaardigheden. Slechts weinig mensen weten dat er onder de stad een dicht netwerk van kanalen loopt. Vroeger leverde het water van deze kanalen de energie die nodig was om bijvoorbeeld het meel voor brood en pasta te malen. Aan de Via Piella kun je op nummer 18 nog steeds een glimp van deze kanalen opvangen. De Amici delle Acque di Bologna (Vrienden van de Wateren van Bologna) nemen je op verzoek mee op een tocht langs de belangrijkste ‘waterbezienswaardigheden’, zoals de Bagni di Mario: een ondergronds, zestiende-eeuws waterreservoir met indrukwekkende tunnels en booggewelven, dat onder andere het water voor de Neptunus-fontein op het Piazza del Nettuno, direct naast het Piazza Maggiore, levert. De fontein is ontworpen door de Vlaamse beeldhouwer Giambologna, die hoog boven de mensenmenigte Neptunus (de god van de zee) de scepter laat zwaaien. Beneden spelen zich ietwat pikantere taferelen af: naast lieflijke engeltjes en dolfijnen duiken zeemeerminnen omhoog wier borsten het water in alle richtingen doen sproeien. Vanaf de gevel van het naastgelegen Palazzo d’Accursio kijkt het bronzen standbeeld van paus Gregorius XIII met ietwat gebogen hoofd op beide pleinen neer. Geheel in stijl met de kleur van de stad zou deze paus alleen al door naar de fontein van Giambologna te kijken rode konen krijgen, vandaar dat hij zijn blik al eeuwenlang wijselijk op de gevel van de San Petronio-kerk richt…

Getagd met:
feb 27

De Fontana delle Tartarughe, oftewel de Schildpaddenfontein, op het Piazza Mattei is misschien wel de mooiste fontein van Rome. Vier gespierde jongemannen, gezeten op vier dolfijnen, geven vier schildpadjes een zetje, zodat ze over de rand van het bassin heen naar het water kunnen kruipen. Ik ken niemand die na het zien van deze jongemannen niet verliefd werd op de Schildpaddenfontein!

Ook in de ontstaansgeschiedenis van de Schildpaddenfontein speelt verliefdheid een grote rol. Het verhaal gaat dat Vergilio Mattei, die in een van de palazzi aan het plein woonde, tot over zijn oren verliefd was op een Romeinse schone. Hij hield echter ook wel van een gokspelletje. Hij had het geluk meestal niet aan zijn zijde; hij verspeelde avond aan avond een groot deel van zijn bezittingen. Voor de vader van zijn geliefde was dat reden genoeg om zijn huwelijksaanzoek niet serieus te nemen. Mattei liet dit echter niet op zich zitten. Hij moest en zou het meisje aan zich binden. Hij bedacht een sluwe list om zijn aanstaande schoonvader voor zich te winnen. Mattei nodigde de vader van het meisje uit voor een etentje bij hem thuis. Hoewel de man in ging op de uitnodiging, bleef hij onvermurwbaar wat zijn dochter betreft. Maar daar had Mattei al op gerekend! Hij riep de man na: ‘Kom morgenochtend maar eens terug, dan zult u eens zien wat ik in één nacht voor elkaar weet te krijgen!’

De volgende ochtend klopten Mattei’s geliefde en haar vader in alle vroegte aan. Enthousiast liet Mattei hen binnen. Voordat ze de kans kregen te gaan zitten, zwaaide Mattei een van de ramen open. ‘Dit is het bewijs dat ik nog steeds fortuinlijk ben,’ meldde hij trots. ‘Deze fontein heb ik in één nacht laten bouwen voor de vrouw van mijn hart.’ De vader van het meisje wierp zonder al te hoge verwachtingen een blik uit het raam. En inderdaad – er stond plotseling een beeldige fontein op het pleintje voor het palazzo. Hij was zo verrast dat niets het huwelijk tussen Vergilio Mattei en het meisje meer in de weg stond. Mattei was door het dolle heen. Hij beloofde zijn schoonvader het raam direct dicht te laten metselen, zodat niemand ooit meer vanuit het raam naar de fontein zou kunnen kijken. ‘Zoals wij het zagen, zagen wij het alleen,’ aldus Mattei.

Helaas voor iedereen die heeft zitten zwijmelen bij het lezen van dit verhaal ging het er in werkelijkheid niet zo romantisch aan toe. Mattei’s list slaagde namelijk alleen doordat hij zijn aanstaande schoonvader tot tweemaal toe naar zijn palazzo liet komen terwijl de markt op het pleintje ervoor in volle gang was. Door de hoge marktkraampjes konden ze geen enkele glimp opvangen van de fontein en geloofden ze in Mattei’s rijkdom, invloed en volhardendheid.

Volgens historische bronnen is de fontein bovendien al veel eerder gebouwd dan het palazzo van de familie Mattei. Giacomo della Porta werkte tussen 1581 en 1588 aan de Schildpaddenfontein. In het oorspronkelijke ontwerp zaten de jongemannen niet alleen op dolfijnen, maar tilden ze ook nog eens vier dolfijnen in het bekken. Op verzoek van paus Alexander VII werden de dolfijnen echter vervangen door schildpadjes, die overigens door Bernini vervaardigd zouden zijn. Pas in 1616 gaf de Mattei-familie opdracht voor de bouw van het palazzo. Het dichtgemetselde raam op de tweede verdieping zal dus een andere oorzaak moeten hebben…

*De originele schildpadjes
Helaas werden de schildpadjes keer op keer gestolen. Toen in 1979 opnieuw een schildpad verdween, werden de resterende exemplaren naar de Musei Capitolini gebracht, waar ze nog steeds te bewonderen zijn.

*Nog meer schildpadden
De Fontana delle Tartarughe is niet de enige fontein in Rome met schildpadden in de hoofdrol. In het park van Villa Borghese is ook een Schildpaddenfontein te zien, die werd ontworpen ter ere van de Wereldtentoonstelling in 1911.

*Piazza Mattei
Aan het Piazza Mattei vind je nog meer overblijfselen van de macht van de Mattei-familie. Zo herbergt een van de palazzi het Italiaans instituut voor Amerikanistiek. Als de poort open staat, moet je zeker even een blik werpen op de binnenplaats, verfraaid met de mooiste sarcofagen, bustes en enorme beelden. Om hun rijkdom aan buitenstaanders te tonen, metselde de Mattei een groot aantal kostbare antiquiteiten in de muren van hun palazzi. De tijd heeft dan wel de macht van de Mattei doen verdampen, hun kunstwerken staan er nog altijd even glorieus bij! Voor wie meer wil lezen over de achtergrond van de familie Mattei, in The families who made Rome  – a history and a guide wordt hun hele geschiedenis uit de doeken gedaan.

Getagd met:
feb 24

Het oude joodse getto in Rome ligt een beetje verscholen, ingeklemd tussen het Capitool, de Tiber en de levendige straten rondom het Campo de’ Fiori. Een in gedachten verzonken voorbijganger, die geen aandacht schenkt aan de uithangborden (waarop reclame wordt gemaakt voor koosjere gerechten), zou misschien niet eens opmerken dat hij in een wel heel bijzonder gedeelte van Rome rondwandelt. Vorige week woensdag verkende ik de smalle straatjes rondom de synagoge. Ik verbaasde me over de grote hoeveelheid (katholieke) kerkjes in deze buurt. De eigenaar van een koffiebarretje wist me te vertellen dat paus Paulus IV verantwoordelijk is geweest voor het ontstaan van het getto en voor de bouw van de vele kerkjes binnen deze buurt.

Voor 1500 woonden de meeste joden op de linkeroever van de Tiber, in Trastevere. Tijdens de contrareformatie dwong paus Paulus IV de joden te verhuizen naar een getto op de andere oever. Ook de regels voor de joden werden onder het bewind van Paulus IV veel strenger. Zo bleven de toegangspoorten van zonsondergang tot zonsopgang gesloten en mochten de joden alleen nog handel drijven in schroot en vodden. Ook moesten de joden zich bekeren tot het katholieke geloof en wekelijks de mis bijwonen, vandaar het relatief grote aantal katholieke kerkjes in deze, nog steeds overwegend joodse, wijk.

In 1848 werd het getto door paus Pius IX weer geopend. Het duurde echter nog tot 1870, het jaar waarin de kerkstaat werd ingelijfd in het nieuwe Italiaanse koninkrijk, voordat de joden volledige burgerrechten kregen. Pas vanaf dat moment mochten ze zich ook buiten het getto vestigen. Heel wat families bleven echter trouw aan hun buurt, waardoor het karakter van het getto lange tijd onveranderd bleef.

Tijdens de opkomst van het fascisme werden de joden wederom uitgesloten van het openbare leven. Nadat Italië in oktober 1943 in handen van de Duitsers was gevallen, werden de anti-joodse maatregelen nog strenger. Tot aan het einde van de oorlog werden ruim 2000 joden naar Duitsland gedeporteerd. Slechts vijftien mannen en één vrouw keerden terug.

Toch geeft het huidige getto geen trieste aanblik. Sterker nog, een van de mooiste fonteinen van heel Rome staat op een pleintje in het getto. Over deze Fontana delle Tartarughe en de familie Mattei, naar wie het pleintje waarop de ‘Fontein van de Schildpadden’ staat is vernoemd, is een aantal mooie verhalen te vertellen. Zaterdag volgt een uitgebreide beschrijving van de fontein, de totstandkoming ervan en de macht van de Mattei-familie.

In de smalle straatjes rondom de Fontana delle Tartarughe is nog slechts een glimp terug te vinden van het armzalige leven dat de joden hier ooit moeten hebben gehad. Je vindt er nu allerlei winkeltjes, barretjes en eetgelegenheden. Met name in de Via del Portico d’Ottavia zijn nog volop joodse bakkertjes en trattorie te vinden. Hier moet je tijdens een bezoek aan Rome minstens één keer de specialiteit van de joodse keuken in Rome proeven, de carciofi alla giudia (artisjokken op joodse wijze). Daarover morgen meer!

Getagd met:
preload preload preload