okt 03

Het prachtige Toscane oefent al decennia lang grote aantrekkingskracht uit op kunstenaars. Niet alleen vanwege de landelijke rust die er nog heerst, maar vooral ook vanwege de rijke historie van de streek. Karel Appel (1921-2006) vestigde zich er in 1989, op zijn pas verworven landgoed Villa Licia.

Geïnspireerd door de Toscaanse cultuur, natuur én zijn nieuwe omgeving maakte hij een serie grote sculpturen met overtollige huisraad van zijn eigen landgoed – de zogenoemde ‘brandstapelbeelden’ – en een serie beelden waarvoor hij objecten gebruikte uit de wijnbouw, op verzoek van de Toscaanse wijnbouwer Guilio Baruffaldi. De beelden die speciaal gemaakt werden voor locaties op diens landgoed zijn nu voor het eerst van hun plek getild en naar het Cobra Museum verplaatst.

Karel Appel — Donkey (1991)
bronze, 145 x 260 x 87 cm
Private collection Baruffaldi, Tuscany

In de unieke expositie die daar nog tot en met 15 januari plaatsvindt, worden ongeveer 20 grote beelden, keramiekobjecten en enkele landschapschilderijen van Karel Appel getoond uit de jaren die hij in Toscane doorbracht. In dezelfde expositie worden grote schilderijen, enkele tekeningen, beelden en een video getoond van de gerenommeerde Italiaanse schilder en beeldhouwer Roberto Barni (1939). Zijn eigentijdse kunst is onlosmakelijk met de Toscaanse traditie, waarin de relatie tussen mens en natuur centraal staat, verbonden.

Bij de tentoonstelling verschijnt een prachtig boekwerk, waarin dieper wordt ingegaan op de reeks beelden die Karel Appel tussen 1989 en 1999 op zijn landgoed in Toscane creëerde. Geïnspireerd door de natuur en zijn directe omgeving maakte Appel met gevonden huisraad en objecten uit de wijnbouw een reeks spectaculaire sculpturen.

Voor het eerst wordt de ontstaansgeschiedenis en betekenis van deze Toscaanse beelden in boekvorm gepubliceerd. De specifieke relatie tussen de kunstenaar en Toscane wordt in het tweede gedeelte van de publicatie nader belicht aan de hand van het oeuvre van de gerenommeerde Italiaanse schilder en beeldhouwer Roberto Barni (1939). Barni woont en werkt op een steenworp afstand van het vroegere landgoed van Karel Appel. In zijn eigentijdse werk, dat onlosmakelijk met de Toscaanse traditie verbonden is, staat de relatie tussen mens en natuur centraal. Ook Barni verwerkt in zijn sculpturen gevonden voorwerpen uit de regio.

Karel Appel — Daisies (1991)
bronze, 156 x 204 x 149 cm
Private collection Baruffaldi, Tuscany

Een stukje uit de inleiding van het boek (geschreven door Katja Weitering), dat je ofwel direct naar Toscane laat afreizen of je op zijn minst bij het Cobramuseum in Amstelveen doet belanden:

‘San Casciano Val di Pesa is zo’n typisch Toscaans dorpje met een oude stadskern dat dateert uit de dertiende eeuw. Het rustige plaatsje ligt ten zuiden van Florence en wordt omringd door het imponerende Toscaanse landschap. Het dorpje ligt op een steenworp afstand van het voormalige atelier van Karel Appel (1921-2006), de Villa Licia in het dorpje Mercatale, waar hij van 1989 tot 1999 vele zomers doorbracht.

Appel bevond zich in Toscane in goed gezelschap. Sinds de jaren zeventig waren vele kunstenaars hem voorgegaan in de keuze voor Toscane als atelier en werkgebied, waaronder Daniel Spoerri, Niki de Saint-Phalle en Fernando Botero. Ruim tien jaar later gevolgd door Jan Dibbets, Georg Baselitz en Robert Morris.

Wat zoeken hedendaagse kunstenaars in Toscane? De rust van de typische natuur, of zijn ze juist actief op zoek naar traditie? En zo ja, hoe verhoudt deze traditie zich tot het eigentijdse karakter van hun werk? Deze vragen zijn leidend geweest bij de door gastconservator Werner van den Belt geïnitieerde publicatie en de gelijknamige tentoonstelling in het Cobra Museum voor Moderne Kunst. Met Studio Toscane levert hij een eerste bijdrage aan onderzoek naar de specifieke ateliersituatie in Toscane.

De in deze regio ontstane beelden van Karel Appel vormden het vertrekpunt voor dit onderzoek. Het atelier in Toscane was van groot belang voor Appel. Hier exploreerde hij in een ontspannen setting de klassieke onderwerpen die hem gedurende zijn hele artistieke ontwikkeling dierbaar waren gebleven: het landschap, de menselijke figuur, naakten en dieren. Gestimuleerd door de aanwezige natuur en het licht ging Appel in Toscane voor het eerst sinds 1939 weer landschappen schilderen.

Karel Appel— Toscaanse horizon # 36 (1995)
oil on canvas, 200 x 260 cm
ING Collection

Bij het maken van zijn beelden liet hij zijn fantasie de vrije loop, geïnspireerd door de vondst van lokale gebruiksvoorwerpen, onder andere op het landgoed van zijn buurman, de wijnbouwer Giulio Baruffaldi. Volgens Werner van den Belt beschouwde Appel in Toscane traditie niet als iets van vroeger maar als een bruikbaar gegeven voor het heden. Het essay van Werner van den Belt gaat dan ook deels over de positie en de waarde van traditie voor de hedendaagse kunst.

Voor Italiaanse kunstenaars is de combinatie van verleden en heden, van natuur en cultuur een vanzelfsprekendheid. Deze verbondenheid loopt als rode lijn door de Italiaanse kunstgeschiedenis. Het oeuvre van de hedendaagse schilder en beeldhouwer Roberto Barni (1939) maakt dit op indringende wijze inzichtelijk. Sinds jaar en dag is het atelier van Barni in Toscane gevestigd. In het interview met Werner van den Belt staat Barni uitgebreid stil bij de kenmerkende Toscaanse identiteit van vrijheid, anarchisme en verzet tegen het gezag van de pauselijke staat. Ook het alom aanwezige roemrijke verleden en de omringende natuur komen aan bod. Al deze factoren hebben de artistieke ontwikkeling van Barni mede beïnvloed.

Ondanks het feit dat Karel Appel en Roberto Barni twee volstrekt op zichzelf staande kunstenaars zijn, levert de dialoog fascinerende parallellen op die bijdragen aan een beter begrip van de actualiteitswaarde die Toscane voor kunstenaars heeft. Voor Roberto Barni vertegenwoordigt Karel Appel een explosie van vitaliteit en vrijheid. Deze attitude vindt hij van groot belang omdat de Italiaanse cultuur volgens Barni te formeel en gesloten is en tegengesteld aan waar Appel en zijn werk voor staan.

De explosie van vitaliteit en vrijheid komt op kernachtige wijze tot uitdrukking in de fontein van Karel Appel die op het Sandbergplein voor het Cobra Museum staat. Dit bronzen beeld behoort tot een van de hoogtepunten van de beelden die in Toscane zijn ontstaan. In het beeld verwerkte Appel lokale gebruiksvoorwerpen die onder andere afkomstig waren van het landgoed van Giulio Baruffaldi.

Karel Appel— Fountain (2001)
bronze, designed after the original made in 1992, 500 x 400 x 470 cm
Collection Gemeente Amstelveen, with special thanks to KPMG

Tot op de dag van vandaag staan er nog acht, aan deze fontein verwante beelden op het landgoed van Baruffaldi. Door zijn genereuze gebaar om deze aan het museum uit te lenen, zijn wij in staat om ons werk en de bijbehorende houten sculptuur (Fountain, 1992) uit de collectie in de context van soortgelijke beelden van Karel Appel te plaatsen.

In zijn verkenning van Toscane als studio voor moderne en hedendaagse kunstenaars neemt Werner van den Belt, zoals gezegd, de Toscaanse beelden van Karel Appel als vertrekpunt. Zowel uit de bespreking van het werk van Appel als uit het daaropvolgende interview met Roberto Barni komt naar voren dat beide kunstenaars in Toscane werk hebben gemaakt dat zich ontrekt aan het vluchtige, tijdelijke moment en dat ons dichter bij het algemene menselijk verhaal brengt.’

Nieuwsgierig geworden? De tentoonstelling Studio Toscane is zoals gezegd nog tot en met 15 januari 2012 te zien in het Cobramuseum te Amstelveen.

Daarna zullen de bronzen beelden van Karel Appel te zien zijn in de tentoonstelling Hof van Appel in de in maart 2012 te openen beeldentuin ‘Cobra buiten’ bij Kasteel Keukenhof. De Avro besteedt in drie afleveringen van het tv programma Kunstuur aandacht aan Studio Toscane en aan de tentoonstelling Hof van Appel. De eerste uitzending vindt plaats op 19 november aanstaande.

Het boek dat bij de tentoonstelling hoort is o.a. in de museumwinkel te koop, maar ook online te bestellen.

Studio Toscane: Karel Appel en Roberto Barni
Els Ottenhof & Werner van den Belt
ISBN 9789461300300
€ 19,90
uitgeverij Ludion

sep 22

Een van de mooiste straatjes van Rome, dat is een omschrijving die zeker van toepassing is op de Via Margutta. Ondanks de nabijheid van de toeristische trekpleisters op en om het Piazza di Spagna en het Piazza del Popolo, is de rust in de Via Margutta bewaard gebleven. Het straatje wordt bevolkt door kunstenaars, artiesten, een verdwaalde toerist en – bovenal – de sfeer van weleer.

Van meet af aan is Via Margutta een thuis geweest voor ambachtslieden en kleine kunstenaars. Vanaf 1600 kreeg deze Romeinse straat ook steeds meer een internationaal karakter, dankzij de buitenlandse kunstenaars die zich er vestigden en de straat omtoverden tot een bohemienachtige omgeving waar iedereen zich onmiddellijk op zijn gemak voelt.

De artistiekelingen zijn gelukkig gebleven en hebben zich niet laten wegjagen door allerlei moderne ontwikkelingen in het centrum van de Eeuwige Stad. Als je de Via Margutta betreedt, waan je je even terug in de tijd. Reis, kijk en lees maar mee!

We beginnen bij een van de meest bijzondere werkplaatsen van de straat (op nummer 53), namelijk die van Enrico Fiorentini, oftewel ‘Er Marmoraro’. Deze beroemde ‘bordjesmaker’ – een oude kunstenaar die de kunst van het verzinnen van grappige teksten van zijn vader en grootvader heeft geleerd – zet nog steeds alles wat je maar wil op een mooi bordje voor aan de muur. Voor wie geen inspiratie heeft om zelf iets te verzinnen, heeft hij altijd een passende tekst klaar.

Deze ‘bordjesmaker’ weet bovendien alles over de geschiedenis van de Via Margutta – en vooral van alle bordjes die in de straat te vinden zijn. Zo wijst hij ons op de allerlaatste druivenrank van de Via Margutta, die nog steeds dapper stand houdt en midden tussen de stenen van een van de gebouwen van de kunstacademie tiert. Uiteraard ontbreekt een bordje met de aanduiding dat dit echt de laatste wijnrank van de straat is niet!

Hij zou zijn bijnaam niet waard zijn als hij ons niet zou wijzen op alle andere bordjes in de straat. Een van de oudste dateert volgens hem uit de achttiende eeuw. De tekst die erop te lezen valt, laat niets aan de verbeelding over:

Ook over de fontein weet hij bijzondere verhalen te vertellen. Dat is niet zo gek als je weet dat de naam van deze fontein Fontana degli Artisti (Fontein van de Kunstenaars) is. Er zijn dan ook veel elementen te zien die verwijzen naar de wereld van de kunst, zoals penselen, ezels, doeken, maskers en beeldhouwinstrumenten. De fontein staat hier sinds 1927 en is een geliefde ontmoetingsplek voor de kunstenaars en galeriehouders van de Via Margutta.

Op het huidige nummer 110, het oudste gebouw van de straat, hebben Federico Fellini en Giulietta Masina gewoond. Het gebouw is te herkennen aan de karikatuur van de twee filmsterren, die naast de voordeur hangt. Enrico toont ons het bordje met zoveel trots, dat ik hem vraag wie het bordje heeft gemaakt. Hij glimlacht breed en wijst op zijn borst. ‘Ik natuurlijk!’ roept hij uit. ‘Naar een ontwerp van Nino Za, dat wel, maar ja, ik moest het in het marmer overbrengen…’

De tekst die hij erbij heeft gezet brengt het unieke karakter van de straat meer dan treffend tot uiting:

Quante strade rare e belle
so l’orgoglio dé sto monno
che t’incanti ner vedelle.
Io però sai che risponno?

Via Margutta ormai è lampante
che le batte tutte quante
perché è unica e speciale
e ner monno nun c’è uguale!

Toch zijn dit niet de enige filmsterren die in de Via Margutta een thuis vonden. In de film Roman Holiday geeft Gregory Peck de taxichauffeur de opdracht naar Via Margutta 51 te rijden. Zijn filmonderkomen is aan de prachtige cortile, binnenhof, achter de huidige werkplaats van Enrico. Wij zouden zo met een van beiden willen ruilen…

Gelukkig biedt de straat genoeg restaurantjes waar je ook ’s avonds van de heerlijke sfeer kunt genieten. Mijn persoonlijke favoriet is Osteria Margutta, alleen al vanwege de bijzondere inrichting (ga zeker even binnen een kijkje nemen!). Hier vier je elke minuut van de dag la dolce vita in ottima forma !!

apr 03

Voor De Smaak van Italië reisde ik vorig jaar naar Palermo om de stad in een (lange) dag te ontdekken, te beleven en te proeven. Geen gemakkelijke opgave, want een dag in Palermo is nog sneller voorbij dan elders.

Maar zelfs als je maar een dag de tijd hebt, kun je genieten van al het moois dat Palermo (Palermu in het Siciliaans) te bieden heeft. In deze stad vol tegenstellingen gaan een rijke geschiedenis en barokke schoonheid hand in hand met vervallen panden en eindeloos veel verkeer. Wie Palermo echter de kans geeft, wordt overweldigd door het echte Italiaanse leven, dat uiteraard begint met een echt Italiaans ontbijt!

Cappuccino met cannoli
In Palermo kun je niet anders dan de dag beginnen met een cappuccino en een cannolo – en die vind je nergens zo lekker als bij Pasticceria Cappello. Eigenaar Salvatore en zijn zoon Giovanni sleepten verschillende prijzen in de wacht voor hun Siciliaanse lekkers.

De erfenis van de Normandiërs
De Romeinen, de Arabieren, de Normandiërs… Ze hebben allemaal hun sporen op Sicilië – en dus ook in Palermo – achtergelaten. Dat is misschien wel het best te zien in het Palazzo dei Normanni, dat door de Arabieren is gebouwd op de resten van een Romeins fort. Het paleis diende als zetel voor zowel de Normandische koning Ruggero II als voor het Siciliaanse Parlement. Vooral de Koninklijke vertrekken zijn een bezoekje meer dan waard! Als je een stukje heuvelopwaarts loopt, kom je op de Maqueda-binnenplaats, waar een trap naar de Cappella Palatina, een van de weinige overblijfselen uit de Normandische periode, leidt. De schitterende mozaïeken en het houten plafond met tempera-schilderingen benemen je de adem!

Aan de overkant van de Corso Vittorio Emanuele, de hoofdstraat van Palermo die helemaal tot aan de zee loopt, ligt de kathedraal, gewijd aan Maria Assunta (de ten hemel opgenomen Maria). De kathedraal brengt de verschillende bouwstijlen tot leven; met name de rechterzijde illustreert als een levend geschiedenisboek de historie van de stad en haar verschillende inwoners. Er zijn zelfs nog delen van de moskee die de Arabieren hier hebben gebouwd intact.

Voor wie de sfeer van de stad wil opsnuiven, is de markt op het Piazza Ballarò een aanrader. In de levendige wijk eromheen, de Albergheria, zijn volop authentieke winkeltjes en ambachtslieden te vinden. Albergheria Viaggi organiseert rondleidingen door deze buurt, waarbij buurtkinderen je samen met een gids laten kennismaken met allerlei bijzondere mensen en je de mooiste plekjes van de wijk laten zien.

Voor de lunch kun je terecht bij Trattoria Ai Normanni, aan het Piazza della Vittoria. Na de spaghetti al Normanni, met garnalen, aubergines, verse groenten en pinda’s, is de prachtig onderhouden tuin van Villa Bonanno de ideale plek voor een siësta.

De Arabische wijk
Het kruispunt van de Corso Vittorio Emanuele en de Via Maqueda, Quattro Canti, is het chicste plein van Palermo. De vier palazzi die op de hoeken van het plein zijn gebouwd – en waarnaar het plein is vernoemd – zijn rijk versierd met fonteinen en beelden van beschermheiligen, seizoenen en koningen. Even verderop bevindt zich nog een mooi plein, het Piazza Pretoria, met een enorme fontein die oorspronkelijk bedoeld was voor de tuinen van een Toscaanse villa. Vanwege de vele naakte beelden werd de fontein ook wel ‘Fontein van de Schaamte’ genoemd.

Via de in Arabisch-Normandische stijl opgetrokken San Cataldo en de Santa Maria dell’Ammiraglio, oftewel La Martorana, wandel je naar La Kalsa, de oude Arabische wijk van Palermo. In de smalle straatjes rondom het Piazza Marina, een van de grootste pleinen van de stad, waan je je in het Midden-Oosten. In het Palazzo Abatellis huist de Galleria Regionale di Sicilia, met als topstukken de Annunciatie van Antonello di Messina, de Malvagna-triptiek van Jan Gossaert (alias Mabuse) en het fresco De overwinning van de Dood van een onbekende kunstenaar.

Ten noorden van La Kalsa ligt de wijk Castellamare, met het Museo Archeologico Regionale. Vooral de restanten van de tempels van Selinunte en de Sala dei Mosaici, met fresco’s en mozaïeken uit Marsala, Palermo en Salunto, zijn de moeite waard. In de buurt van het museum vind je twee schitterende oratori: het Oratorio del Rosario di San Domenico, met een altaarstuk van Anthonie van Dyck, en het Oratorio del Rosario di Santa Cita, met zijn beelden, guirlandes en stucwerk een ware ode aan de barok.

Langs de zee
La Cala is de oude haven van Palermo. Nu liggen op de plek waar ooit oude vissersbootjes aanmeerden enorme jachten. Vooral het uitzicht op Monte Pellegrino maakt een wandeling langs de haven de moeite waard. Wie liever door het groen wandelt, kan zijn hart ophalen in het Terrazza del Mare, het park langs de zee, of de Villa Giulia. Toe aan iets lekkers? Haal dan een gelato bij Ilardo of probeer op het Piazza della Kalsa de lokale specialiteit: babbaluci (babyslakjes).

Duizenden lichtjes
Op het Piazza Caracciolo waan je je bijna in een souk. De Mercato della Vucciria zet al je zintuigen op scherp. Vooral tegen zonsondergang maakt de markt een onuitwisbare indruk. Er branden dan duizenden lichtjes en de geur van vers bereid eten doet je watertanden. Vleesspiezen, gebakken inktvis en gekookte milt – een plaatselijke specialiteit – je eet het bijna nergens zo lekker en vers als hier.

Toch liever naar een restaurant? Bij Sant’Andrea, een stijlvol etablissement op een steenworp afstand, wordt elke dag met verse ingrediënten van de markt een bijzonder menu samengesteld. Wil je liever iets simpelers? Antica Focacceria San Francesco maakt al sinds 1834 de lekkerste pizza’s van heel Sicilië. Voor verse vis kun je terecht bij Trattoria Stella of het chiquere La Cambusa, een waardige afsluiting van een energieke dag in Palermu !

Getagd met:
nov 16

Als remedie tegen mijn heimwee naar Rome kreeg ik afgelopen weekend van een vriend een boek over Rome dat ik, hoewel het al heel wat jaren geleden is verschenen, nog niet kende: Cirkel in het gras van Oek de Jong.

Het verhaal gaat over een Nederlandse journaliste, Hanna Piccard, die naar Rome gaat als correspondente voor een Nederlandse krant. Ze wordt verliefd op een Italiaan, de dichter en kunsthistoricus Andrea Simonetti, die met zijn dochter een teruggetrokken leven leidt. Voor het eerst ontmoet ze een man aan wie ze zich met hart en ziel over kan geven. Zijn overgave laat echter op zich wachten: zij moet hém veroveren.

Naast deze liefdesgeschiedenis bevat Cirkel in het gras de verhalen van het meisje Leda, de beeldhouwer en Vietnam-veteraan Joe Kurhajec en de ouder wordende cynicus Zucarelli, vele beelden van Rome en het Italiaanse landschap en flarden uit de Italiaanse geschiedenis.

Een fragment waardoor ik afgelopen weekend eerlijk gezegd alleen maar meer heimwee kreeg:

‘Het eerste geschikte appartement dat haar werd aangeboden lag vlak bij de Sant’Ivo della Sapienza en dat trof haar als een merkwaardig toeval. Door het keukenraam kon ze de koepel van de Sant’Ivo zien, de eerste Romeinse kerk die ze, veertien jaar geleden, had bezocht. Ze was destijds aangetrokken door de stenen spiraal op de lantaarn van de koepel. De spiraal deed haar denken aan een ziggurat en aan astronomen onder de sterrenhemel van het oude Babylon en ook wel aan de slagroomkrul op een gebakje. Ze zocht niet verder, huurde dit appartement en zo kon ze voortaan elke ochtend een blik werpen op haar eerste herkenningspunt in Rome.

Tevens lag het appartement in de nabijheid van de Piazza della Rotonda en daar had ze haar eerste indruk van Rome opgedaan. Op een zondagmiddag was ze er uit een stadbus gestapt, zeulend met een overvolle koffer, en het leek of ze op een dorpsplein was aangekomen, want de terrassen waren er toen nog niet. Ze zag een uitgestorven plein, geblakerd door de zon. De kleuren van de huizen waren oud en stoffig, het pleisterwerk was verbrokkeld, de fontein reutelde en tussen de zuilen voor het Pantheon stond een slaperig paard.

De suggestie van landelijke rust werd nog sterker toen de overige passagiers verdwenen waren en de buschauffeur de motor afzette. Er ging een siddering door het buslichaam en hetzelfde gold voor het hare. Ja, had ze toen gedacht, ja. Enkele minuten later was ze gestruikeld en gevallen: haar koffer was te vol en te zwaar, toen al. Ze was achttien jaar.

Nadat ze zich in Rome had geïnstalleerd kwam deze eerste en door pijn getekende ervaring weer in haar tot leven. Op een terras aan de Piazza della Rotonda betastte ze onwillekeurig haar knieschijven en herinnerde ze zich het uitgestorven plein, de oude kleuren, het reutelen van de fontein, het slaperige paard, de siddering in haar lichaam, het naïeve, ja, het struikelen en vallen.

Ze schudde haar hoofd en hield zichzelf voor dat het onzinnig was een bijzondere betekenis aan deze kennismaking met Rome te hechten. Het was maar een eerste indruk, een clichématige eerste indruk. In vele andere Italiaanse steden had haar hetzelfde kunnen overkomen. Bovenzien, zo wist ze maar al te goed, maakt liefde bijgelovig.’

Je kunt je vast wel voorstellen dat ik na het lezen van dit boek ook weer over het Piazza della Rotonda wilde lopen, de fontein wilde horen, de krul van de Sant’Ivo wilde zien. Gelukkig stap ik morgen weer op het vliegtuig naar Rome, voor een weekje herinneringen ophalen!

jul 16

Tijdens onze eerste avond in Siena stuitten we, toen we terugwandelden naar ons hotel, dat zoals ik gisteren al vertelde in het hart van de Contrada della Chiocciola ligt, op een grote stoet zingende contradaioli. Nu had Serena me vorig jaar een aantal van deze inni (volksliederen) gegeven om te bestuderen, dus ik neuriede een beetje mee. De contradaioli bekeken me met nieuwsgierige, ietwat verbaasde blik. Bij het refrein aangekomen nodigden ze ons uit een stukje mee te wandelen en te zingen, hetgeen we natuurlijk graag deden.

Na een aantal rondes door de stad voelden we ons bijna echte Chiocciolini. We werden meegetroond naar de kerk en het museum van de contrade, die normaal gesproken alleen tijdens de nacht volgend op de Palio geopend zijn voor buitenstaanders. Vol trots toonde de capitano ons het ene na het andere aandenken, van eerder gewonnen cenci (vaandels) tot oude kostuums, vlaggen en trommels.

In de kerk zagen we het altaar waar het paard voorafgaand aan de Palio wordt gezegend. Het was bedekt met de kleurige Chiocciola-vlag en er werd vol ontzag naar gestaard, alsof het heilige krachten zou bevatten die een winst op het Piazza del Campo een handje zouden kunnen helpen. Helaas behoorde Chiocciola niet tot de deelnemers aan de Palio van 2 juli en is deelname in augustus afhankelijk van de trekking die op 11 juli zal plaatsvinden. Er wordt nu dus in de kerk vooral gebeden om een gunstige loting, die Chiocciola 16 augustus op het Piazza del Campo moet brengen.

Aan de contradaioli zal het zeker niet liggen, al geloof ik eerder in de kracht van het lied. Om het ook voor iedereen van buiten de contrada begrijpelijk te maken, vind je hieronder niet alleen de tekst maar ook een korte verklarende woordenlijst. Cantiamo!

L’inno della Chiocciola
Luister naar Chiocciola

Viva, viva! Le nostre bandiere
alla gloria del sole innalziamo.
Sciogli al vento, o baldo alfiere
il vessillo dei nostri color.

Gloria a te, nostra Chiocciola bella:
di te parla, di Siena, la storia:
Sia benigna, a te sempre, la stella
e ti guidi a nuova vittoria!

Cinquantaquattreesimo palio che abbiamo,
caro teniamo, caro teniamo
ed ai sessanta or s’avvicina,
o Chiocciolina, o Chiocciolina!

Suoni ovunque, di canti e di festa,
di San Marco il rione esultante;
dal tuo guscio solleva la testa
e gioisci del nostro gioir.

Rosso, giallo e celeste, i colori
del vessillo, a te dedicato,
son, per sempre, segnati nei cuori
di coloro che il cuore t’hanno dato.

Cinquantaquattreesimo Palio che abbiamo,
caro teniamo, caro teniamo
ed ai sessanta or s’avvicina,
o Chiocciolina, o Chiocciolina!

A te, Chiocciola, noi solo pensiamo
quando in Piazza del Campo tu sei:
sol per te, sol per te trepidiamo
invocando vittoria per te.

Sulla pista vediamo un cavallo:
primo giungere, al traguardo, veloce.
E’ guarnito di rosso e di giallo:
il tuo nome gridiamo a gran voce!

Cinquantaquattreesimo Palio che abbiamo,
caro teniamo, caro teniamo
ed ai sessanta or s’avvicina,
o Chiocciolina, o Chiocciolina!

innalzare (ver)heffen
il vento de wind
baldo overmoedig / driest
alfiere vaandrig
il vessillo vaandel / vlag
la storia de geschiedenis / het verhaal
benigna welwillend / gunstig
sempre altijd
la stella de ster
la vittoria de overwinning
abbiamo wij hebben
caro lief, geliefd
teniamo wij houden (vast)
avvicinarsi dichterbij komen
sessanta zestig
ovunque overal
il rione esultante de juichende / jubelende wijk
il guscio het huisje (van de slak)
la testa het hoofd
gioire zich verheugen / blij zijn
celeste hemelsblauw
dedicato opgedragen aan
il cuore het hart
coloro degenen
i colori de kleuren
pensiamo wij denken
quando wanneer
sol per te alleen voor jou
trepidiamo bezorgd zijn / inzitten (over)
invocare aanroepen
un cavallo een paard
giungere bereiken
veloce snel
guarnito versierd
la voce de stem

Getagd met:
jul 13

De eerste aanblik van het Piazza del Campo ontroert me ook dit keer weer. Het begint al op een paar kilometer afstand, als je de slanke Torre del Mangia boven de daken van de huizen ziet uitsteken en steeds dichterbij ziet komen. Naarmate je dichterbij komt, verdwijnt de toren soms achter een groot gebouw, maar niet voor lang. Door de smalle straatjes vang je steeds weer een glimp op van de toren, totdat je door een nauwe doorgang aan de rand van het Piazza del Campo staat en de toren in al zijn glorie kunt aanschouwen.

Het plein vraagt echter om voorrang. Zelden nog heb ik zo’n perfect plein gezien, zo harmonieus. De gebouwen lijken vloeiend in elkaar over te lopen, alsof ze allemaal tegelijk zijn neergezet. Als ik mijn blik langs de gevels laat glijden – in allerlei kleuren, van lichtroze tot terracotta – denk ik eraan hoe het zou zijn om elke ochtend van deze aanblik te kunnen genieten. Een dag die zo inspirerend begint kan alleen maar tot grootse dingen leiden…

Mijn blik dwaalt af naar het plein zelf, de licht aflopende schelpvorm, die precies is aangelegd op de plek waar de drie heuvels waarop Siena is gebouwd samenkomen. De ‘schelp’ wordt door witte strepen in het plaveisel in negen stukken verdeeld, die verwijzen naar de periode dat Siena door een bestuur van negen man werd geregeerd, zo rond 1300.

Deze schelpvorm kwamen we deze maand al eerder tegen; het is tevens het symbool van de Contrada del Nicchio. Niet vreemd dus dat ook in het volkslied van de contrada de vergelijking met het Piazza del Campo naar voren komt:

‘Contrada azzurra come il nostro cielo
dal mare cullata,
conchiglia di corallo coronata,
simile al Campo, ove si corre il Palio.’

Oftewel:

Een contrada met het blauw van onze hemel
van de zacht kabbelende zee,
een schelp, omkranst door koraal, bekroond
net als de Campo, waar de Palio wordt gereden.

Het Piazza del Campo ligt overigens op neutraal gebied; het plein behoort tot geen enkele contrada. Wel eigende Civetta zich het plein vorig jaar even toe, toen de overwinningsmaaltijd die altijd volgt op de Palio niet in hun eigen wijk mocht worden gehouden. Zo had ik het Piazza del Campo nog nooit gezien…

Toch is het plein in de vroege ochtend het mooist. De Torre del Mangia werpt een voorzichtige schaduw op de voorbijgangers, die zich naar hun eerste kopje koffie van de dag spoeden. De duiven wassen zich in het water van de Fonte Gaia, de prachtige fontein die even na 1400 werd ontworpen door Jacopo della Quercia. De fontein ontleent haar naam aan de vrolijke festiviteiten waarmee de bevolking van Siena de komst van het water tot op het Piazza del Campo vierde; gaia betekent namelijk vrolijk.

Ook vandaag de dag hangt er steeds iets van vrolijkheid in de lucht rondom de fontein. Kinderen rennen rondjes, gadegeslagen door hun oma’s die met elkaar de nieuwste roddels uitwisselen. Niets heerlijker dan even te zitten mijmeren te midden van deze dagelijkse ‘drukte’, te midden van de Sienezen, die later op de dag hun huizen opzoeken om de toeristenmassa te ontvluchten.

Ga vooral voor de eerste busladingen toeristen aankomen een kijkje nemen in het Palazzo Pubblico, het stadhuis van Siena dat niet alleen van de buitenkant prachtig is maar tevens de mooiste kunstwerken van de stad herbergt.

In het Museo Civico dat in het Palazzo Pubblico is gevestigd, wandel je van de prachtigste fresco’s over het leven van paus Alexander III naar een zeer minutieus beschilderde kapel met afbeeldingen van klassieke goden, politici, filosofen en de deugden, een monnikenwerk van Taddeo di Bartolo. Ook het houtwerk is tot in detail uitgewerkt, kijk maar eens naar de koorbanken.

In de Zaal van de Wereldkaart verwacht je natuurlijk niets meer of minder dan een wereldkaart, maar die hangt hier nu niet meer. Hoewel in deze zaal eens de kaart van Siena en omgeving (hetgeen door de Sienezen als de wereld werd beschouwd) te bestuderen was, hangen er nu twee meesterwerken van een heel andere orde.

Wanneer je je blik naar links wendt, sta je oog in oog met een van de mooiste Madonna’s die ooit met penseel en verf is gecreëerd. Deze Maestà, in 1315 geschilderd door Simone Martini, is meer dan alleen de mooiste Maria die ik ooit heb gezien. Het bijzondere zit hem niet alleen in haar serene gezichtsuitdrukking, in de prachtige gewaden en fijne gezichtjes van haar gevolg, bestaande uit engelen en heiligen. Het is het verhaal erachter dat het schilderij boven het gros van de Maria’s uittilt. Maria zit namelijk onder een baldakijn, waarmee Martini geprobeerd heeft een soort van perspectief aan het tafereel te geven, hetgeen nog vrij ongewoon was in die tijd.

Aan de muur tegenover deze prachtige Maria hangt Giudoriccio da Fogliano, eveneens van de hand van Simone Martini. Het werk is een aandenken aan de inname van een kasteel door Sienese troepen, onder leiding van deze Giudoriccio da Fogliano. In de naastgelegen zaal, de Sala dei Nove (Zaal van de Negen), hebben de vroegere bestuurders van de stad laten afbeelden hoe een ideaal bestuur eruit zou moeten zien, maar daarover later deze maand meer.

Nog even terug naar het Piazza del Campo. We kunnen de 102 meter hoge Torre del Mangia, het symbool van de stad, natuurlijk niet overslaan. De naam van de toren is een afkorting van de naam van een van de klokkenluiders, Mangiaguadagni. Hoewel de toren bijna op het laagste punt van de stad staat, steekt hij hoog boven alle andere gebouwen uit. Wanneer het nog niet te heet of te druk is, beklim dan alle treden van deze slanke toren. Het uitzicht is de klim meer dan waard; je kijkt tenslotte niet elke dag uit over het mooiste plein van de wereld…

jul 08

Deze kreet echoot tijdens de honderd dagen voorafgaand aan de Palio door de wijk Civetta. Alle contradaioli, jong en oud, zingen uit volle borst het volkslied van de contrada, hetgeen de overwinning zou moeten afdwingen. Luister maar mee!

Luister naar Civetta va

Il Castellare è tutto in festa;
quanta letizia c’è nei nostri cuori!
Inneggiamo alla Civetta,
inneggiamo ai suoi colori.
Sventola al vento la Bandiera,
rulla il tamburo, tutti a te corriam;
per te fremiam,
per te cantiam
un inno di passion.

Civetta và,
Civetta và,
tu gloria e vanto sei di tutta la città.
Civetta và,
Civetta và,
sei Priora e fieri ci sentiam.

Ecco alla mossa già i fantini andar,
freme la Piazza e urla piena di passion.
Per te soltanto
noi viviamo l’incanto
di una corsa che il cuore soffrirà…

Civetta và,
Civetta và,
Palio stasera si festeggerà!

Piazza del Campo è tutta in festa:
Siena ritorna come ai tempi d’or!
Suona lento il campanone,
torna Cecco tra di noi.
Tutti in Contrada questa sera.
Il cavallino benedetto è già.
Ora corriam,
ora cantiam,
un inno di passion…

Maar er wordt niet alleen gezongen; alles wordt uit de kast gehaald om ervoor te zorgen dat Castellare, waar het hoofdkwartier van Civetta gevestigd is, de overwinning op zijn naam mag schrijven. Iemand van buiten Siena kan zich vaak nauwelijks iets voorstellen bij al deze commotie, maar voor de Sienezen is de Palio het belangrijkste hoogtepunt van het jaar.

John Appel heeft dat gevoel een aantal jaren geleden perfect tot uiting weten te brengen in zijn documentaire The Last Victory, waarin twee inwoners van Civetta tijdens de dagen voorafgaand aan de Palio worden gevolgd en geïnterviewd. Hoofdpersoon van de film is Egidio, de 92-jarige nestor van Civetta. Een vitale oude man, met als grootste wens dat zijn wijk nog één keer de Palio weet te winnen. Alleen dan kan hij rustig sterven, aldus Egidio.

Egidio neemt John Appel mee naar het hoofdkwartier van zijn contrada, naar het diner op de avond voorafgaand aan de Palio en naar de stal waar het paard wordt verzorgd door de 21-jarige Paolo, die de Palio voor het eerst als stalknecht meemaakt. Hij vertegenwoordigt de jonge generatie wijkgenoten die nog nooit een overwinning heeft gezien. Civetta had namelijk op het moment van filmen (2003) al sinds 1979 geen enkele overwinning meer weten te behalen.

De film vertelt het kleinere persoonlijke verhaal van de verschillende hoofdpersonen terwijl ze zich voorbereiden op de race. Hun levenslot, verdriet, nostalgie en geluksmomenten. Zo kijkt Egidio de Palio niet op het Piazza del Campo of met andere contradaioli in Castellare, maar thuis, met zijn hoofd bijna in de televisie, omdat hij de spanning anders niet meer aan kan. Zo kan hij ook beter zijn teleurstelling verwerken, als blijkt dat Civetta wederom naast de vaandel grijpt.

Na het kijken van The Last Victory begrijp je pas echt wat de Palio voor de inwoners van Siena betekent. De film toont de saamhorigheid van een wijk die leeft tussen hoop en teleurstelling, hoe de Palio is ingebed in een kleine maar hechte samenleving. Politiek, religie, traditie en bijgeloof zijn er allemaal mee verweven. Voor de Sienezen is de Palio niet slechts een evenement van één dag, of een toeristische trekpleister, nee, het is veel meer dan dat: het is een manier van leven.

Dat bleek vorig jaar augustus wel, toen Civetta tijdens de Palio van 16 augustus, na jarenlang te hebben verloren, als eerste over de finish kwam. Aangezien ook na het verschijnen van The Last Victory geen succes meer was geboekt, waren de Civettini uitzinnig van vreugde. Ik stond midden op het Piazza del Campo en wist niet wat me overkwam. Van alle kanten renden uitzinnige ‘uiltjes’ naar het paard (de befaamde Istriceddu) en Brio (alias Andrea Mari), de ruiter. De eerste minuten had ik al mijn aandacht nodig om in die golvende massa op de been te blijven.

Toen de rust op het plein weer ietwat was teruggekeerd, trokken de meeste Civettini naar de Duomo, om Maria te bedanken voor deze overwinning. Het paard en de ruiter voorop, en daarachter een stoet lachende, huilende, biddende en zingende contradaioli. Na een ererondje in de kerk trok de hele stoet naar Castellare, waar het feest uiteraard werd voortgezet. De klok van het kerkje van Civetta weerklonk onophoudelijk, de deuren van het museum werden wijd opengezet, de rode wijn vloeide rijkelijk en de meeste mannen en jongens bleven tot diep in de nacht rondjes door de wijk lopen, uiteraard met de gewonnen Palio maar natuurlijk ook met een heel leger aan trommelaars en vaandeldragers.

Uiteraard was ik erg benieuwd of Egidio deze overwinning nog mee had mogen maken. Ik besloot een van de vrouwen die bij de deur van het museum zat naar hem te vragen. Tot mijn grote verrassing nam ze me bij de hand en bracht ze me bij Egidio, inmiddels 98 jaar oud maar dolgelukkig na deze overwinning. Hij straalde van oor tot oor en brabbelde onophoudelijk ‘Abbiamo vinto, abbiamo vinto!’, ‘We hebben gewonnen, we hebben gewonnen!’. Ik feliciteerde hem met de overwinning en we toostten op het feit dat zijn grootste wens in vervulling was gegaan. Hij liet vol trots de fontein van Civetta zien, een vliegende uil van brons die hoog boven de hoofden van de contradaioli over de binnenplaats van Castellare vliegt. Uiteraard moest ook het museum worden bezocht, waarbij Egidio met tranen in zijn ogen vertelde over de overwinning van 1979.

Na al die verhalen was het inmiddels vreselijk laat geworden, maar buiten liepen de trommelaars nog even enthousiast rond. Tot diep in de nacht zou het overwinningslied door de stad schallen. Egidio en ik namen afscheid en ik sprak de wens uit dat we bij de eerstvolgende overwinning wederom samen zouden toosten. Of Civetta mag deelnemen aan de Palio van augustus is afhankelijk van de trekking op 11 juli. Er zijn nog drie plaatsen vrij voor 10 contrade. Giraffa, Leocorno, Istrice, Civetta, Onda, Lupa, Chiocciola, Pantera, Torre en Aquila maken allemaal nog kans op een startplaats. Op 2 juli 2011 doet Civetta zeker mee, maar of Egidio dat nog mag meemaken… Speriamo!

Getagd met:
jun 05

Na al die ijskoffies en wijntjes van gisteren konden we de nasoni (‘neuzen’) die we op weg naar het station tegenkwamen wel omarmen. De nasoni, zo genoemd vanwege de typische ijzeren tuit die uit de cilindervormige fontein steekt en die wel wat weg heeft van een grote neus, zijn vooral handig omdat je dankzij deze fonteintjes in Rome overal en altijd je dorst kunt lessen. Dankzij de nasoni is er door de hele stad steeds een overvloed van ijskoud water beschikbaar. Het precieze aantal fonteintjes is niet bekend, maar naar schatting staan er alleen al in het oude centrum meer dan 200 nasoni.

Alle nasoni staan met elkaar in verbinding via een ondergronds waterleidingnetwerk met een lengte van zo’n 130 kilometer. De ongeveer 16.000 kubieke meter drinkwater die dagelijks via de fonteintjes naar buiten wordt gestuwd wordt via ditzelfde leidingstelsel opgevangen en naar reservoirs geleid, waarna het bijvoorbeeld gebruikt wordt voor het schoonmaken van straten of voor de tuinbouw. De kwaliteit van het water is zeer hoog. Er worden dan ook jaarlijks meer dan 250.000 testen uitgevoerd om te controleren of het water nog steeds van perfecte kwaliteit is.

De meeste nasoni hebben een heel karakteristieke vorm: een hoge cilinder met een ijzeren tuit. Ze zijn meestal gemaakt van gietijzer, al bestaan er ook nog modellen uit travertijn. De nasoni met drie tuiten zijn zeldzaam, deze werden vooral in de beginjaren geplaatst. In de Via della Cordonata staat er nog eentje. Een van de oudste nasoni bevindt zich op de Piazza della Rotonda, voor het Pantheon. Deze drinkfontein dateert uit 1872!

Naast de klassieke cilindervorm tref je in Rome ook heel wat andere drinkfonteintjes aan, vaak verstopt in een muur van een palazzo of op de hoek van een pleintje. Veel drinkfonteinen zijn versierd met mooie beelden, van engeltjes, draken, monsters, bloemen en familiewapens. Hieronder een kleine greep uit de bijzondere fonteinen waar we de afgelopen dagen ons oog op hebben laten vallen:

Fontana delle Tiare (1927) – Piazza della Città Leonina

Fontana della Botticella (1774) – Piazza Augusto Imperatore

Fontana del Mascherone – Piazza Pietro d’Illiria

Fontana del Facchino (1500) – Via Lata

Deze laatste fontein, Il Facchino, herinnert aan de dronken pakjesbezorger die zich nu niet meer tegoed mag doen aan wijn en andere alcoholische versnaperingen, maar zich met water tevreden moet stellen. Een toepasselijker plek om je nadorst weg te drinken kun je in heel Rome niet vinden…

In totaal kun je in Rome op meer dan 2000 plaatsen je dorst lessen. Wil je weten waar je al deze fonteintjes kunt vinden? Schaf dan als je in Rome bent het boekje I Nasoni di Roma van Fabrizio Di Mauro aan. Hij laat precies zien waar je welke fonteintjes vindt. Het boekje is in het Italiaans, maar de kaarten en tekeningen zijn zo duidelijk dat het boekje ook voor degenen die geen Italiaans spreken heel goed te gebruiken is.

Een overzicht van de nasoni in het oude centrum kun je downloaden via de website www.aceaspa.it (klik vervolgens op ‘La Mappa dei Nasoni’). Ben je al in Rome? Je kunt de kaart ook gratis afhalen bij het hoofdkantoor van ACEA (Piazzale Ostiense 2).

Getagd met:
jun 02

Toen ik in april in Rome was, heb ik natuurlijk een muntje in de Trevifontein gegooid, waarvan hierbij het levende bewijs: 

Zoals jullie wellicht weten, was ik hierdoor verzekerd van mijn terugkeer naar Rome. Al decennialang gooien toeristen en bezoekers een muntje in de fontein, met de heilige overtuiging dat ze dan nog eens zullen terugkeren. De oudste vermelding van het werpen van een muntje dateert van ongeveer 1870, maar pas in 1954 werd deze gewoonte door de film Three Coins in the Fountain wereldberoemd.

Volgens de echte kenners moet je met je rug naar de fontein gaan staan. Je neemt een muntje in je rechterhand en gooit het over je linkerschouder in de fontein, zonder achterom te kijken! Als je linkshandig bent, moet je het officieel overigens andersom doen: dus met je linkerhand een muntje over je rechterschouder gooien. Wil je niet alleen terugkeren naar Rome, maar er ook de liefde van je leven ontmoeten, dan moet je twee muntjes tegelijk in het water gooien. Drie muntjes zou leiden tot een huwelijk met een Romein, dus bedenk voordat je het derde muntje ter hand neemt goed hoe je wil dat je romance na het gooien van de twee muntjes moet aflopen.

Jaarlijks worden er 9.000 tot 10.000 kilo munten in de Trevifontein gegooid. Vóór de invoering van de euro bestond het totaalbedrag uit ongeveer evenveel lires als vreemde valuta, maar nu bestaat het overgrote deel van het geld uit euromuntjes. Zelf op muntenjacht gaan in de fontein is ten strengste verboden. Het geld wordt regelmatig door de gemeente uit het bassin gehaald, waarna het wordt overgedragen aan de kas van de gemeente Rome. Het geld werd tot een tijd geleden nog aan het Rode Kruis geschonken, maar het sorteren van alle verschillende munten kostte hen zoveel tijd dat ze er geld op toe moesten leggen. Sinds de restauratie van de fontein in de jaren negentig wordt het geld dan ook weer opnieuw aan de gemeente geschonken, die het onder andere gebruikt voor het onderhoud van de fontein.

De Trevifontein is wereldberoemd geworden door de film La Dolce Vita (1960), van Federico Fellini, met in de hoofdrollen Marcello Mastroianni en Anita Ekberg. De scène waarin Ekberg in de vroege ochtend de fontein in wandelt, gevolgd door Mastroianni, is misschien wel het bekendste plaatje dat ooit van deze fontein geschoten is. Claudia Schiffer deed deze scène in 1994 nog eens dunnetjes over, voor een videoclip van het modehuis Valentino. In de film C’erevamo tanti amati (1975) laat regisseur Ettore Scola een groepje vrienden langs de Trevifontein wandelen, net op het moment dat Fellini er zijn beroemde scène aan het draaien is. Uniek aan deze film is dat Fellini en Mastroianni zichzelf spelen, een uniek moment in de geschiedenis van de film en van de Trevifontein!

Over de geschiedenis van de Trevifontein gesproken, die is bij de meeste toeristen lang niet zo bekend als de traditie van de muntjes. De fontein werd gebouwd tussen 1732 en 1751. Een groot deel van het geld dat nodig was voor de bouw van de fontein werd door Urbanus VIII verzameld door een extra belasting op wijn te heffen. Dat leidde tot veel protest onder de Romeinen. Pasquino, een van de ‘sprekende’ beelden in Rome, mopperde ‘op last van Urbanus betaalden wij tal van accijnzen op wijn. In ruil hiervoor krijgen zijn burgers nu water uit deze fontein’.

Het ontwerp voor de fontein werd getekend door Bernini, maar het bleef meer dan vijftig jaar lang ongebruikt in het archief liggen. Uiteindelijk was het Nicola Salvi, een ontwerper van toneeldecors, die het ontwerp mocht uitvoeren. Bernini was toen helaas al overleden en heeft dit dus nooit meer mee mogen maken. Salvi heeft de fontein wel kunnen voltooien, maar toen Clemens XIII de fontein in 1762 inwijdde was ook hij al overleden.

Op de plek waar nu de Trevifontein staat, bevond zich eerst een bescheidener fontein, als een soort tussenstop van de Aqua Virgo, een antieke waterleiding die het water vanuit de heuvels naar de stad leidde. Aangezien er drie wegen op het pleintje waar deze fontein zich bevond uitkwamen, werd de nieuwe fontein die hier moest herrijzen al snel aangeduid als Fontana di Trevi, de fontein van de drie wegen. De fontein is overigens niet het eindpunt van de watervoorziening; zo’n vijftig andere fonteinen en fonteintjes in de stad (waaronder de Schildpaddenfontein (zie Ciao tutti van 27 februari) en de fonteinen op het Piazza Navona) worden door de Trevifontein continu van water voorzien.

Het water van de Trevifontein staat bekend als het beste en het zoetste water van Rome. Het is nu verboden uit de fontein te drinken, maar vroeger dronken geliefden die hun relatie voor altijd wilden laten voortduren een glas water uit de fontein, waarna ze het glas tegen de fontein stuk moesten gooien. Ook Michelangelo was blijkbaar een groot fan van het Treviwater: toen hij stierf, vond men in zijn huis wel vijf vaatjes met water uit de Trevifontein.

Elke dag opnieuw stroomt zo’n tachtig miljoen liter water in het bekken van de fontein. Zeker op een stille, winterse dag hoor je het donderende geraas van het neerstortende water al een paar straten verderop. Het lijkt net alsof Oceanus, de zeegod, uit het water oprijst. Hij staat op een reusachtige schelp, die wordt voortgetrokken door twee gevleugelde paarden. Het paard aan de rechterkant is heel rustig, terwijl het paard helemaal links nauwelijks in toom te houden is. Beide paarden staan symbool voor de zee in al haar verschijningen, van heel kalm en sereen tot zeer onstuimig en woest – net als de sfeer bij de fontein. Een bezoek aan de Trevifontein is het mooist in de vroege ochtend of de late avond, als er geen drommen toeristen muntjes staan te gooien en je de schoonheid van het samenspel tussen marmer en water op je in kunt laten werken.

Vandaag mag ik de belofte van de Trevifontein inlossen en keer ik weer even terug naar Rome. Wat ik daar ga doen, lezen jullie de komende weken op Ciao tutti, maar één ding is zeker: ik zal de stad niet verlaten zonder weer een muntje (of misschien toch maar twee of drie) in de Trevifontein te hebben gegooid!

Getagd met:
apr 03

De meest bijzondere bezienswaardigheid van Napels is natuurlijk de stad zelf. De nauwe straatjes met de gekleurde was die tussen de huizen hangt, de Napolitaanse mamma’s die hun oudere bovenburen al schreeuwend overhalen om een teiltje te laten zakken waar de boodschappen in kunnen, de vele huisaltaartjes, het lawaai en de chaos, de geur van sterke espresso’s en gefrituurde groenten, de voetballende jongetjes…

Het centrum van Napels wordt letterlijk in tweeën gespleten door de Spaccanapoli, een lange nauwe sliert van opeenvolgende straten. Vanaf de top van de Vomero-heuvel zie je duidelijk hoe deze straten het oude centrum in twee helften verdelen. De naam Spaccanapoli is dan ook overduidelijk de enige juiste aanduiding voor deze straat: het betekent ‘gespleten Napels’. De Spaccanapoli maakte al deel uit van het vroegere Romeinse stratenplan, dat nog goed terug te vinden is in de kaarsrechte straten en steegjes in het centrum. De Spaccanapoli volgt nu de Via Pasquale Scura, de Via Capitelli, de Via Benedetto Croce, de Via San Bagio dei Librai, de Vicara Vecchia, de Via Giudecca Vecchia en de Via Tupputi.

Via deze straten loop je regelrecht het Napolitaanse leven in. De kleine winkeltjes stallen hun koopwaar gewoon op straat uit, waardoor je echt tussen de mensen, de motorino’s en de kooplui moet laveren. Groente en fruit in alle soorten en maten, versgevangen vis, duizenden rode pepertjes (daarover later deze maand meer), figuurtjes voor in de kerststal, de beeldjes van Pulcinella, de harlekijn uit de commedia dell’arte, enorme zakken pasta, flesjes limoncello… in deze straat concentreert het echte Napels zich op een paar vierkante meter. Alleen direct na de lunch, als de zon hoog aan de hemel staat en er bijna geen schaduw te vinden is, daalt er een weldadige stilte neer tussen de hoge huizen. Maar niet voor lang, want al gauw sissen de eerste espressoapparaten weer en beginnen de eerste buren elkaar luidruchtig te begroeten. 

Naast een blik op de Napolitaanse cultuur biedt de Spaccanapoli ook veel bezienswaardigheden. Wanneer je vanaf de Vomero afdaalt, kom je allereerst op het Piazza del Gesù Nuovo. De kerk waar het plein zijn naam aan ontleent, is een van de mooiste barokkerken van Napels. Van binnen althans, want aan de buitenkant is de kerk nauwelijks als zodanig te herkennen. De façade van de kerk was oorspronkelijk de gevel van het Palazzo Sanseverino, geheel voorzien van grijze piperno-stenen. In 1584 werd het paleis door de jezuïeten omgebouwd tot een rijk gedecoreerde kerk, met ontelbare fresco’s en veel marmer. Het duurde maar liefst 40 jaar voordat elk stukje muur bedekt werd door een beeld, een fresco of een schildering. Tijdens de aardbeving van 1688 stortte de hele koepel in, waarna een groot aantal pilaren werd neergezet om het dak te ondersteunen. De kerk maakte op mij grote indruk vanwege de dagelijkse devotie die de bezoekers uitstralen. Bijna geen enkele Napolitaan verlaat de kerk zonder gebiecht te hebben. Soms staan er zelfs lange rijen voor een biechtstoel: absolutie vragen is blijkbaar een populaire bezigheid in een stad waar de verleiding op elke straathoek op de loer ligt…

Even verderop ligt de veel rustigere Santa Chiara, een gotische kerk die bij toeristen vooral bekend is vanwege de bijzondere kloostertuin. De 72 achthoekige zuilen en de bankjes die daartussen zijn gebouwd, zijn van boven tot beneden betegeld met majolica. De majolicategels vertellen verhalen uit een ver verleden, met vergane landschappen. Daartussen strengelen druivenranken, bloemen en olijven om de zuilen. Ook de kloostertuin zelf is een oase van groen, met zijn wijnranken, sinaasappel- en citroenbomen.

De fresco’s op de muren van de kloostergang en een fonteintje maken de tuin helemaal af en bieden het perfecte decor voor de honderden bruidsreportages die hier worden geschoten. Geniet maar even van de weldadige rust, want zodra je je op weg begeeft naar de volgende kerk word je overspoeld door de chaos van de Spaccanapoli.

Het mooiste gedeelte van de Spaccanapoli loopt misschien wel vanaf de Via Benedetto Croce naar de kruising met de Via Duomo. Aan het begin van de Via Benedetto Croce, op nummer 12, bevindt zich het Palazzo Filomarino, een van de vele onderkomens van de Napolitaanse aristocratie en tot in 1952 het onderkomen van Benedetto Croce, de filosoof en historicus naar wie de straat is vernoemd. Ondanks het feit dat deze palazzi nu vaak in een erbarmelijke staat verkeren, straalden ze in de glorietijd van Napels een enorme macht uit.

Op de kruising met het Piazza San Domenico Maggiore staat hoog boven op een zuil een bronzen standbeeld van de heilige Dominicus. De kerk op het plein is eveneens aan San Domenico gewijd. Karel I van Anjou liet de kerk bouwen voor de steeds belangrijker wordende dominicaanse orde (zie ook het stukje van 28 maart). In de middeleeuwen bood het klooster onderdak aan de invloedrijke filosoof en theoloog Thomas van Aquino. In de kerk hing tot een aantal jaren geleden Caravaggio’s Flagellazione di Cristo (De geseling van Christus), die nu een paar kilometer verderop in het museum van Capodimonte te bewonderen is. In de San Domenico hangt uiteraard nog een kopie die in de 17de eeuw door Andrea Vaccaro werd gemaakt.

Niet direct aan de Spaccanapoli, maar te mooi om niet te noemen, is de Cappella Sansevero. De kapel is in 1590 gebouwd als grafkapel voor de leden van de familie Sangro, in opdracht van prins Raimondo di Sangro. Deze Raimondo was tevens een vrijmetselaar en alchemist, hetgeen duidelijk in de kapel is terug te zien. Zo worden aan hem twee macabere experimenten toegeschreven waarvan de resultaten in een zijruimte van de kapel worden tentoongesteld. De prins zou twee proefpersonen een speciale conserverende vloeistof hebben laten drinken, dat het totale vlechtwerk van hun aderen mummificeerde – en waaraan ze dus overleden. Het meest spectaculaire dat in de Cappella Sansevero te zien is, is echter de Cristo Velato (Gesluierde Christus) van de hand van de Napolitaanse beeldhouwer Giuseppe Sanmartino. Met een onwaarschijnlijke verfijning is het dode lichaam van Christus afgebeeld onder een flinterdunne sluier. De gelaatstrekken en de armspieren zijn nog heel goed onder de sluier te zien, waardoor het net lijkt alsof het beeld later is toegedekt. Ongelooflijk dat iemand zo’n levend kunstwerk uit één blok marmer kan creëren…

Eenmaal terug in de Spaccanapoli wacht je de Piazzetta Nilo, maar daarover (en over het vervolg van de straat) dinsdag meer!

Getagd met:
preload preload preload