mrt 08

Vandaag vieren we la festa della donna met een tiental slimme vrouwen uit Bocaccio’s Decamerone. Deze tien vrouwen hebben een plekje gekregen in de prachtig uitgevoerde bundel Slimme vrouwen, in een vertaling van Frans Denissen.

Boccaccio’s vrouwen hebben verlangens, nemen initiatief, zijn zelfbewust en intelligent. En vaak zijn ze ook nog mooi en charmant. Verder vertonen ze alle hebbelijkheden die aantrekkelijke vrouwen ook nu wel eens aankleven: ze kunnen ongenaakbaar zijn, ijdel, ondoorgrondelijk en overspelig. En ze zijn hoe dan ook goed in staat om gebruik en misbruik te maken van de zwakke plekken van de mannen door wie ze begeerd, bejaagd en onderdrukt worden.

In het nawoord schrijft René van Stipriaan: ‘Als hedendaagse lezers kunnen we ons moeiteloos in Bocaccio’s vrouwen verplaatsen. Ze hebben verlangens, nemen initiatief, zijn zelfbewust en intelligent. En vaak zin ze ook nog mooi en charmant. Verder vertonen ze alle hebbelijkheden die aantrekkelijke vrouwen ook nu wel eens kenmerken: ze kunnen ongenaakbaar zijn, ijdel, ondoorgrondelijk en overspelig. En ze zijn hoe dan ook goed in staat om gebruik en misbruik te maken van de zwakke plekken van de mannen door wie ze begeerd, bejaagd en onderdrukt worden.

De Decamerone is daarom wel gezien als het meest vrouwvriendelijke boek uit de verder zo vrouwonvriendelijke late middeleeuwen, en daar valt niet veel tegen in te brengen. Deze selectie verhalen uit de Decamerone met slimme vrouwen in de hoofdrol zou makkelijk verdrievoudigd kunnen worden.

De Decamerone verscheen rond 1350, in de jaren dat Italië en Europa zich herstelden van de ongekend zware pestepidemie van 1348, die als de Zwarte Dood de geschiedenis in zou gaan. In Florence liet binnen enkele weken ongeveer de helft van de bevolking het leven. Giovanni Bocaccio (1313-1375) zag het waarschijnlijk onder zijn ogen gebeuren.

Tegen deze achtergrond spelen de verhalen in de Decamerone zich af. Ze worden verteld door een gezelschap van drie jonge mannen en zeven jonge vrouwen, dat de stad uit is gevlucht in de hoop zo aan besmetting te ontkomen. Op een landgoed in de buurt van Fiesole verkeert het gezelschap in de meest aangename omstandigheden die maar denkbaar zijn: het is volop lente, de tuinen liggen er prachtig bij, en er is personeel dat voor goed eten en voor het huishouden zorgt.

Een groot deel van de dag wordt besteed aan het maken van muziek, dansen, en vooral het vertellen van verhalen. Elke dag wordt aan de leden van het gezelschap een nieuw onderwerp opgegeven waar elk van hen een toepasselijk en liefst vermakelijk verhaal over zal moeten vertellen. […]

Doordat het merendeel van de verhalen door vrouwen verteld wordt, heeft de Decamerone onmiskenbaar een vrouwelijke ‘stemming’. In de discussies die zich tussen de verhalen door ontwikkelen, worden de belangen en rechten van vrouwen in alle toonaarden besproken, al gaat het daarbij vooral om het recht op liefde in de meest brede zin van het woord. […]

De moderne lezer die intens van de verhalen wil genieten kan zich beter gewillig door de verteller in de even wonderlijke als herkenbare middeleeuwse wereld laten binnenleiden. Hij zal zich blijven verbazen en verkneukelen om de bewegingen op het slagveld van de liefde, waar de kansen ongelijk verdeeld zijn. Het is alsof liefde vrouwen slimmer maakt, maar dat niet alleen: mannen worden er vaak dommer van.’

Of ik deze mening van Van Stipriaan deel, weet ik zo net nog niet, maar voor de tien geselecteerde verhalen die in de bundel Slimme vrouwen zijn opgenomen, gaat deze stelling zeker op. Het is dus raadzaam, mannelijke lezers, om vanavond, als jullie vrouwen zich met andere dames in een pizzeria hebben verschanst om la festa della donna te vieren, dit boekje ter hand te nemen en de verhalen stuk voor stuk aandachtig te lezen. Zo zullen jullie niet in dezelfde valkuil vallen als de mannen die Bocaccio ten tonele voert…

Slimme vrouwen – tien verhalen uit de Decamerone
Giovanni Bocaccio
vertaald door Frans Denissen
ISBN 9789025303174
ca. € 5,00
Athenaeum – Polak & Van Gennep

feb 25

Begin deze week schreef ik uitgebreid over de kunst van het koffiezetten, niet wetende dat er ook nog een andere vorm van koffiekunst bestond. Bij toeval stuitte ik namelijk de dag erna op dit geweldige kunstwerk, gemaakt van, jawel, kopjes koffie:

Deze ‘Mocha Lisa’ werd gemaakt tijdens het Rocks Aroma Festival in Sydney, al een aantal zomers geleden. Voor het namaken van de Mona Lisa waren maar liefst 3604 kopjes koffie nodig, onderverdeeld in espresso, caffè latte en cappuccino, plus 564 kopjes met alleen maar melk, om de benodigde kleuren te creëren.

Da Vinci blijft de gemoederen nog altijd bezighouden. Ik schreef eerder dit jaar al over de zoektocht naar een verloren gewaande Da Vinci in het Palazzo Vecchio in Florence (hierbij nog een linkje naar dat artikel), maar er is meer. Zo wijdt National Geographic in het februarinummer een heel artikel aan een onbekend meesterwerk dat wellicht kan worden toegeschreven aan Da Vinci:

‘Het lijkt een te sterk verhaal: iemand gaat een galerie binnen en koopt voor een zacht prijsje een onbekend meesterwerk van Da Vinci. Toen Silverman dit portret aankocht, was het 75 jaar geleden dat er voor het laatst een werk officieel aan de meester was toegeschreven. Er bestond ook geen bewijs dat de maker van de Mona Lisa ooit op vellum had gewerkt. Er waren zelfs geen kopieën of schetsen op perkament overgeleverd. Als dit een echte Da Vinci was, waar was deze tekening dan al die vijfhonderd jaar geweest?

Silverman mailde de afbeelding van Bianca naar Martin Kemp, emeritus hoogleraar kunstgeschiedenis aan de Oxford University. Da Vinci-kenner Kemp ontvangt regelmatig dit soort plaatjes. De afzenders weten het altijd zeker: ze hebben een nieuwe Da Vinci in handen. ‘Ik ben altijd geneigd om automatisch nee te roepen,’ vertelde Kemp me. Maar de afbeelding van deze ‘griezelig levensechte’ jonge vrouw deed hem ditmaal besluiten te gaan kijken. Hij vloog naar Zürich, waar Silverman de tekening (van 33 bij 24 centimeter) in een kluis bewaarde. Kemp: ‘Toen ik het portret onder ogen kreeg, ging er een rilling door me heen. Ik besefte dat dit iets heel bijzonders was.’

Die sensatie bracht Kemp ertoe een onderzoek te starten. Dankzij hoogwaardige multispectrale scans die Pascal Cotte van Lumiere Technology in Parijs vervaardigde, kon Kemp door de verschillende lagen van de tekening heen kijken. En hoe beter hij het portret bekeek, hoe meer hij er de hand van de meester in herkende.’

uit: National Geographic, februari 2012
© tekst: Tom O’Neill | foto’s: Gzegorz Mazurowski

Het hele artikel, met prachtige foto’s, lees je zoals ik al schreef  in de National Geographic van februari 2012, die je via deze link nog kunt bestellen.

In Milaan starten ze bovendien met de restauratie van een van Da Vinci’s aantekenboeken, de Codice Trivulziano. Willemijn van Dijk schreef begin deze week over dit bijzondere project:Het restauratieproject wil niet alleen het wetenschappelijk onderzoek vergemakkelijken, maar heeft ook voor ogen het document toegankelijker te maken voor het grote publiek. Met dit doel wordt er naast de originele versie van de Codice ook een digitale versie gemaakt. De serie schetsen die Leonardo bij wijze van architectonische studie maakte van de koepel van de Dom van Milaan, bijvoorbeeld, is straks gewoon met een druk op de knop op te roepen van het internet, stel ik me zo voor.’

Dat lijkt me een prachtig vooruitzicht… Dan kunnen we Da Vinci veel makkelijker tot leven wekken dan met het zetten van ruim 3500 kopjes koffie…

feb 23

Venetië, zeventiende eeuw. Wanneer zijn familie sterft aan de pest, volgt de zestienjarige Francesco Serristori zijn vader op als privésecretaris van Baldassare Lancerini. Voor de buitenwereld is Lancerini een gerespecteerd chirurgijn. Maar Franscesco leert hem kennen als een wispelturige, tirannieke vrouwengek…

Al snel heeft Lancerini hem helemaal in zijn macht en wordt hij gebruikt om zijn vuile klusjes op te knappen. En dan wordt Francesco ook ingeschakeld in het geheime onderzoek van zijn meester naar de werking van het hart en de hersenen. Een nieuwe wereld gaat open en Francesco geraakt helemaal in de ban van de wetenschap en de geheimen van het menselijk lichaam. Hij start zijn eigen onderzoek en wil daarmee wereldberoemd worden. Maar zijn drang naar kennis drijft hem ver…

Volg Francesco Serristori dwars door het Italië en Europa van de zeventiende eeuw. Onderweg ontmoet hij historische figuren als Galileo Galilei, Molière en Pierre Puget. De leerling-snijder is een intrigerende historische roman die lang blijft nazinderen. Luc Vandromme is auteur en beeldend kunstenaar en brengt op een indringende manier het verleden tot leven.

Een fragment:

‘Ik heb mijn plan snel klaar. Als ik Cecilia Boccati kan overhalen om me te leren lezen, ga ik het redden. Zij is de kokkin van het huis en ooit diende ze bij de familie de’ Medici in Firenze. Lezen en schrijven was naast koken een verplicht onderdeel van haar opleiding. Signora de’ Medici wisselde graag recepten uit met haar kennissen. Ze stond erop dat de geschreven briefjes nauwkeurig gevolgd werden.

Hoewel er op haar kookkunst niets aan te merken was, werd Cecilia daar, zoals het de gewoonte was, op haar dertigste ontslagen. In het huis moest zelfs het keukenpersoneel van een frisse schoonheid zijn. Telkens als de naam de’ Medici valt, krijgt ze iets dromerigs en de dienstmeisjes verspreiden het gerucht dat ze daar een verborgen affaire heeft gehad. Ondanks die afwijzing in Firenze is ze een optimistische vrouw. Haar lachsalvo’s weerkaatsen tegen de koperen pannen. Sauzen, gebraden kippen en roomsoezen bereidt ze zingend, terwijl ze met haar brede achterwerk het ritme aangeeft.

Haar domein is een geliefde plek. Wie een momentje vrij heeft, komt zich aan haar levensvreugde warmen. Zelfs Lucrezia, de gezellin van de meester, zie ik een paar keer in de keuken.

‘Goed, omwille van je vader,’ geeft Cecilia uiteindelijk toe.
‘Mijn vader?’
‘Guilelmo Serristori was een geletterde heer. Welgemanierd, rechtschapen, vastberaden en trouw.’
‘Ik zal mijn uiterste best doen,’ beloof ik.
Ik moet mijn tijd goed benutten.

Het grootste deel van de dag moet Cecilia groenten snijden, bouillons trekken en taartenbeslag roeren. Aan de keukentafel vind ik een plaatsje tussen de gepureerde tomaten, de bundels selder, de appels, peren en abrikozen.

Haar techniek is onorthodox en tegelijkertijd verbazingwekkend. Ze zegt dat de hoofdkokkin in Firenze het haar op dezelfde manier heeft aangeleerd.
‘Welke vorm heeft een tomaat?’
‘Rond.’
‘Goed. Nu ken je de letter O.’

Voor mijn neus zwaait ze met een sliert deeg en laat die op het tafelblad neervallen.
‘Hé, net een slang.’
‘Inderdaad, de S.’
‘Hoeveel tanden heeft deze vork?’
‘Drie.’
‘Zoveel benen heeft de letter M,’ zegt ze terwijl ze het ding vast neemt en er eiwit mee stijf klopt.

Zo gaat het door. Ze gebruikt de potten, het bestek, de fruitsoorten en de kruiden om me in te wijden in de geheimen van het schrift.’

Waar dat toe leidt, lees je in

De leerling-snijder
Luc Vandromme
ISBN 9789063066246
€ 24,95
uitgeverij Davidsfonds

feb 04

L’omino con i baffi, zo luidt de bijnaam van het mannetje dat op elk koffiepotje van Bialetti te vinden is. De tekening van dit mannetje met snor vloeide begin jaren vijftig uit het potlood van Paul Campani, die het mannetje vorm gaf aan de hand van een doodle van Alfonso Bialetti, de grondlegger van het bedrijf, zelf. Tot op de dag van vandaag staat dit mannetje symbool voor Bialetti – en voor de Italiaanse manier van koffiedrinken.

Want hoewel Italianen vaak een kopje koffie in de bar drinken, lusten ze thuis toch ook wel graag een caffè. Wie denkt dat de meeste Italianen thuis koffie zetten met een ultramodern blinkend en sissend espressoapparaat, heeft het mis. Nee, thuis zetten de Italianen koffie met een moka, een koffiepotje dat je simpelweg vult met water en koffie en vervolgens gewoon op het vuur zet.

Het resultaat? De koffie die met een moka wordt gezet, is vergelijkbaar met espresso; het water wordt namelijk ook nu onder druk door de koffie geperst. De druk is echter lager dan in een espressomachine (circa 1,5 bar in plaats van 9 bar), waardoor het cremalaagje op de koffie ontbreekt.

Voor de Italianen is koffiezetten met de moka dus dagelijkse kost. Al bijna tachtig jaar lang bevolken de koffiepotjes Italiaanse aanrechten, keukenkastjes en eettafels. Het ritueel van koffiezetten met een moka is te danken aan Alfonso Bialetti, die in 1933 het allereerste koffiepotje in deze vorm produceerde en de naam Moka Express gaf.

Het idee voor deze koffiemachine ontstond bij toeval. Luigi De Ponti zag hoe een wasmachine warm water onder druk door het wasmiddel heen omhoog perste en bedacht dat dit ook met koffie moest kunnen. Alfonso Bialetti werkte dit idee tot in detail uit, met als resultaat zoals gezegd de allereerste moka. Het koffiepotje was niet alleen revolutionair qua ontwerp en gebruiksgemak, het was ook voor het eerst dat met een aluminium apparaat koffie kon worden gezet.

Bovendien zorgde de Moka Express voor een essentiële verandering in de Italiaanse koffiecultuur. Koffie werd voordat de moka op de markt kwam vooral buitenshuis gedronken. Hoewel de Italianen nog steeds graag een bar binnenwandelen voor een kopje koffie, wordt er sinds de introductie van de moka veel meer koffie thuis genuttigd. Bijna tachtig jaar nadat de eerste moka werd gepresenteerd, is namelijk in 90% (!) van alle Italiaanse huishoudens zo’n koffiepotje te vinden. En hoewel er veel verschillende varianten op de markt zijn, is het mannetje met de snor alomtegenwoordig!

In Florence ontdekte ik, onder de galerij van Piazza della Repubblica, een winkel die geheel gewijd is aan het mannetje met de snor. Koffiepotjes in alle kleuren en maten, koffiekopjes, bewaarblikken voor gemalen koffie en koffiepads, lepeltjes, magneten… Je kunt het zo gek niet bedenken of het mannetje laat er zijn gezicht op zien. Zeker leuk om even een kijkje te nemen als je door de stad wandelt!

Voor iedereen die al in het gelukkige bezit is van een mannetje met de snor of een ander merk moka hierbij een handleiding aan de hand waarvan je de perfecte koffie uit een moka tovert.

*vul het onderste gedeelte van de moka met kraanwater, tot een klein stukje onder het veiligheidsventiel;

*plaats het filter in het onderste gedeelte en schep hier speciaal voor de moka gemalen koffie in (dit staat specifiek op de koffieverpakking), zonder aan te drukken;

*schroef de bovenzijde van de moka vast op de onderzijde met filter en zet de moka op laag vuur;

*zodra het water goed warm is, stroomt de koffie in het bovenste gedeelte van de moka;

*haal de moka pas van het vuur als de koffie begint te pruttelen – en klaar is je koffie!

Of zonder woorden, volgens de strip van het mannetje met de snor:

Voor een goede nazorg is het wel belangrijk te weten dat je een moka nooit in de vaatwasser mag afwassen. Spoel hem goed schoon met warm water en eventueel een klein beetje afwismiddel en droog alle onderdelen goed na. Dan smaakt ook het volgende kopje koffie hemels!

Meer lezen over de moka en andere Italiaanse koffiegewoonten? Kijk dan op het weblog van Martijn Bak van Agriturismo Partingoli, die ik tijdens mijn bezoek in oktober een beetje heb aangestoken met het blogvirus.

feb 02

Ja lieve lezers, het zit erop, de deadline voor mijn boek is gehaald! Gisteren stuurde ik alle 40.000 woorden naar de uitgever, vergezeld van een uitgebreide selectie foto’s. Vandaag gaat een hele dikke envelop vol kaartjes, tickets, bonnetjes en andere in de loop der tijd verzamelde memorabilia op de post. Aan de heren van Studio Denk nu de taak om dit alles ook qua vorm tot een waar meesterwerk te vormen!

Maar laten we niet op de zaken vooruitlopen; het duurt nog een maand of twee voordat we het eindresultaat kunnen vasthouden en de 40.000 woorden in gedrukte vorm tot ons kunnen nemen. Uiteraard zal ik jullie zo gauw als mogelijk een online voorproefje laten zien, maar ik wil jullie eerst mee terug in de tijd nemen, naar 20 januari j.l. om precies te zijn.

Toen stapte ik namelijk in het vliegtuig naar Florence, de stad waar ik ooit een zomer lang Italiaans studeerde en die aanvoelt als een tweede thuis. De stad waar ik hoopte eindelijk een keuze te kunnen maken uit alle stukjes die ik de afgelopen twee jaar schreef, en die stukjes op een goede manier aan elkaar te verbinden.

Al wekenlang spookten mogelijke invalshoeken door mijn hoofd. Vooral ’s nachts, maar ’s ochtends onder de douche was ik de eerste om ze weer te verwerpen. Nu moest het er echter van gaan komen; de periode waarin ik mocht schrijven, schaven en schrappen was immers nog maar tien dagen lang.

Toen de griep zich als ongewenste reisgenoot aandiende, baalde ik dan ook stevig. Ik twijfelde zelfs even of ik wel kon vliegen, maar de roep van Florence was sterker dan koorts, hoestbuien en keelpijn samen. En gelukkig maar, want eenmaal op Florentijnse bodem kregen de verhalen als vanzelf vorm.

Dat kwam deels door de stad zelf – hoe fijn is het toch elke keer weer om over de Florentijnse kasseien te struinen, de stenen van de stad te ruiken, de voetstappen van een Lorenzo il Magnifico nog te horen weerkaatsen… Deels kwam het ook door de zon, die zich elke dag van zijn beste kant liet zien en de stad in de avondschemering, als ik mijn hoofd even buiten de deur stak na een dag lang tikken, in een lieflijk licht zette.

Maar het kwam ook en vooral door mijn schrijfplek in deze geweldige stad, Casa Miracoli (‘Huis der Wonderen’). Een klein huisje, vlak bij de Santa Croce, waar een mooi houten bureau op me wachtte. Hier schoof ik elke ochtend, na een grote kop cappuccino en brioche, mijn stoel aan en typte ik stug door.

Het bureau waar mijn laptop en ik wonderen hebben verricht

Het werk ging als vanzelf, maar als ik het even niet wist was daar Tommaso, de barman van buurbar Baldovino, om me even op te beuren met een kop cioccaffè (cappuccino met chocolade), een sterke espresso en bovenal zijn vrolijke verschijning. Als zelfs dat niet hielp – of als ik even geen behoefte had aan nog meer koffie – was er de stad zelf. Een wandeling door de smalle straten naar het Piazza della Signoria, de Duomo of de Ponte Vecchio ordende mijn gedachten.

Onderweg sneuvelden heel wat van mijn lievelingsstukjes. Stap voor stap liet ik ze los – voor in het blogboek welteverstaan, want op deze site blijven ze uiteraard gewoon te lezen. Maar meer nog dan gesneuveld werd er geïnspireerd, gecreëerd en in het geheugen opgeslagen, zodat ik jullie ook komende weken van mooie stukjes kan laten genieten. Die zullen helaas niet in het blogboek worden opgenomen, maar wie weet keer ik ooit terug naar Florence voor een opvolger, een tweede blogboek.

Het is echter nog te vroeg om daarover na te denken – eerst droom ik van hoe de vormgevers aan de slag gaan met toegangskaartjes, bonnetjes, tickets, foto’s en die 40.000 woorden. Ze moeten het hier zonder koffie en vrolijkheid van Tommaso stellen, dus mochten ze door de bomen het bos niet meer zien, dan neem ik ze een weekje mee naar de wonderlijke wereld die Florence heet!

Getagd met:
feb 01

Toen ik vorige week de burgemeester van Florence interviewde, was ik niet de enige die vragen stelde. Ook Matteo Renzi, zoals de burgemeester heet, was nieuwsgierig naar wat mij in zijn werkkamer in Palazzo Vecchio bracht. Ik vertelde over de gids De smaak van Florence die ik voor De Smaak van Italië aan het samenstellen ben, over het magazine zelf natuurlijk, en over mijn passie voor Italië in alle mogelijke facetten, die onder andere tot uiting komt in een dagelijks blog, Ciao tutti.

Nu is deze burgemeester, zeker voor Italiaanse begrippen, heel jong (net voor ik kwam vierde hij zijn 37ste verjaardag). Bovendien is hij dol op moderne media (hij heeft een Facebook-pagina en een Twitter-account die hij beide goed bijhoudt), dus mijn blog wekte zijn nieuwsgierigheid. Toen ik vorige week vertelde dat ik al bijna twee jaar dagelijks blog, bood hij mij een bijzonder cadeau aan voor het tweejarig bestaan van Ciao tutti: het beklimmen van de toren van Palazzo Vecchio, die normaal gesproken niet voor publiek toegankelijk is.

Het verslag van deze bijzondere klim heb ik bewaard voor vandaag, omdat het vandaag precies twee jaar geleden is dat ik mijn allereerste blog schreef. Inmiddels zijn we 736 blogstukjes verder, die samen een groot deel van Italië beslaan. Elke maand komen er nieuwe lezers bij, die soms zelfs uitgroeien tot heuse fans. Er zijn meer dan 700 reacties geplaatst – van de mailtjes die ik dagelijks ontvang met bedankjes, vragen, tips en ervaringen ben ik al lang geleden de tel kwijt geraakt.

De zoektocht naar de verhalen heeft me op heel bijzondere plekken gebracht, maar heeft me bovenal kennis laten maken met heel bijzondere mensen, in Nederland en Vlaanderen, in Italië, op papier en via e-mail. Alles samen maakt dat ik meer dan tevreden terugkijk op de afgelopen twee jaar Ciao tutti, en dat ik zin heb in weer een jaar bijzondere verhalen, anekdotes, recepten en inspiratie – en ik hoop jullie met mij!

Maar goed, terug naar het cadeau. Dat was natuurlijk een schot in de roos. Niet alleen omdat juist dit soort verrassingen maken dat ik dol ben op Italië, maar ook omdat mijn favoriete beeld van Florence precies op deze toren is geschoten. Het is een oude foto, gemaakt door de Fratelli Alinari, van een man die de wenteltrap helemaal bovenin Palazzo Vecchio beklimt, met op de achtergrond de koepel van de Duomo.

Ik was dan ook dolblij met dit genereuze aanbod. Aangezien het interview aan het einde van de middag plaatsvond, moest ik de ochtend erop terugkomen, zodat ik de toren met mooi weer en goed zicht kon beklimmen. Jullie begrijpen dat ik die nacht bijna geen oog dicht deed. Het vooruitzicht op deze klim zorgde ervoor dat ik bijna mijn bed uit stuiterde.

De dag van de klim was het geluk met mij, want hoewel het de dag ervoor licht bewolkt was, scheen de zon nu volop. Aan alle kanten was er dan ook volop uitzicht. Hoe hoger de medewerkers van Palazzo Vecchio en ik kwamen, hoe meer je van de stad en de omgeving kon zien. De koepel van de Duomo natuurlijk, de torentjes van het Bargello en de Badia Fiorentina, de koepel van de San Lorenzo, de Santa Croce, de kerkjes aan de overzijde van de Arno…

Uiteraard heb ik veel van deze uitzichten vastgelegd met mijn camera, zodat jullie kunnen meegenieten van deze bijzondere klim. Zo wordt het cadeau van de burgemeester ook een beetje een cadeau aan de lezers van Ciao tutti !

jan 30

Het leukste van reizen is dat je altijd en overal nieuwe mensen ontmoet. Vrolijke mensen, inspirerende mensen, diepzinnige mensen, maar in elk geval mensen met wie er een klik is en die je blik op iets anders vestigen dan je gewoon bent. Het leuke van bloggen is dat je regelmatig, al dan niet virtueel, andere bloggers ontmoet en discussieert over wat je nu precies wil doen, wil bereiken, wil delen.

Het allerleukste is natuurlijk een ontmoeting met een blogger die net als ikzelf een passie heeft voor Italië en eten. Dan loopt een ontmoeting van een uur al snel uit op een hele avond eten, drinken en praten. Veelal over eten en drinken, maar ook over wat er nou zo leuk is aan schrijven over iets wat veel mensen leuk en lekker vinden. Of over nieuwe restaurantjes, recepten, ingrediënten…

Zo geschiedde ook in Florence. Tijdens mijn vorige verblijf hier had ik al een groot aantal leuke, inspirerende mensen mogen ontmoeten. Die wilde ik nu dus graag weer even allemaal zien en spreken en er het liefst ook nog mee eten. In een simpele osteria, gewoon thuis aan de keukentafel of bij een trippa-kraampje; deze ontmoetingen laten je de diversiteit van een stad zien, op elke denkbare manier, dus ook culinair.

Terwijl ik terug wandelde van een uitgebreide lunch, zag ik op de stoep van ‘ino, in de buurt van het Piazza della Signoria, drie koks poseren voor een blonde dame. Mijn nieuwsgierigheid dwong me even halt te houden en te vragen wat ze daar zo buiten deden. De koks wezen naar de fotografe en vertelden dat ze moesten poseren voor haar blog. Daar wilde ik meer van weten, dus we verhuisden naar binnen, waar we onder het genot van lekkere hapjes en een goed glas wijn uitgebreid kennis maakten.

De fotografe bleek Vlaamse te zijn, maar al een hele tijd in Florence te wonen en te werken. Ze fotografeert graag eten, maar ook alles wat daarmee verband houdt. In Italië heeft Sofie, zoals deze medeblogger heet, dus aan het goede adres. Want waar kun je nu beter schrijven over eten? Waar kun je zo’n mooie foto’s maken van ingrediënten, opgemaakte borden, enthousiaste producenten en bedreven koks?

Sofie is dol op lekker eten en bovendien erg nieuwsgierig naar wat er allemaal achter dat eten zit. Is extra vergine olijfolie inderdaad lekkerder dan gewone olie? Waarom kun je nooit genoeg ijs eten? Welke mensen zitten achter de lekkerste kaas, de beste wijn, het mooi opgemaakte bord?

Om antwoord te vinden op al deze vragen gaat Sofie regelmatig op pad. En daarvan doet ze, gelukkig voor ons, uitgebreid verslag op haar blog, The Curious Eater. Als nieuwsgierige eter verzamelt ze hier de beste adressen, uiteraard vergezeld van de mooiste foto’s, allemaal van eigen hand.

Ik was natuurlijk erg benieuwd naar wat ze over ‘ino zou schrijven, ook omdat dit bijzondere culinaire adresje een plek krijgt in de reisgids De smaak van Florence, die in april verschijnt en waarvoor ik nu de laatste adressen check, hier in Florence. Zou ze er net zo enthousiast over zijn als ik? Je leest het via deze link ophaar blog, maar ik zal jullie alvast verklappen dat ze minstens net zo laaiend enthousiast is als ik.

Dus als jullie de volgende keer in Florence zijn en rond lunchtijd een fijn adresje zoeken voor een heerlijk broodje, ontwijk dan de drukke tentjes rondom het Piazza della Signoria en duik de Via dei Georgofili in, net naast de Galleria degli Uffizi. Hier maken de koks van ‘ino elke dag tussen 11 en 17 uur een goddelijk broodje voor je klaar. Zeker als jullie hen de groeten doen van Saskia en Sofie, of ze straks de gids De smaak van Florence laten zien!

Kijk voor nog meer heerlijke tips van Sofie op haar blog lezen, www.thecuriouseater.com. Een indruk van haar fotografie krijg je via haar website http://sofiedelauw.com/. Veel lees-, kijk- en eetplezier!

Getagd met:
jan 26

Zeven jaar geleden bracht een grondige zoektocht het atelier van Da Vinci aan het licht. Het bleek zich midden in Florence te bevinden, direct naast het klooster van de Santissima Annunziata. Ook hier ging veel giswerk aan vooraf en ging niet alles van een leien dakje…

Het idee om onderzoek te doen kwam van kunsthistoricus Alessandro del Meglio, die aan het hoofd stond van het cartografisch archief van het instituut dat naast het voormalige klooster van de Santissima Annunziata was gevestigd. Hij wilde in kaart brengen in hoeverre de ruimtes van zijn kantoor vroeger gebruikt werden en welke functie ze hadden.

Hij wist al wel dat de ruimtes voor 1864 toebehoorden aan het naastgelegen klooster van de Santissima Annunziata, maar de rest was nog in raadselen gehuld. Wederom gaf Vasari de hint die nodig was om verder onderzoek te doen. Hij had vrij specifiek vermeld dat Leonardo Da Vinci in 1500 zijn intrek had genomen in het genoemde klooster, onder andere om een doek met de heilige Anna en Jezus te schilderen (dat nu in de National Gallery in Londen te bewonderen is).

Leonardo bleef in elk geval in het klooster wonen tot dit werk voltooid was. Vasari tekende op dat Da Vinci het schilderij, toen het helemaal naar zijn zin was, aan de Florentijnen toonde. Twee dagen lang mochten de inwoners van de stad ‘de pracht van Leonardo zien, die iedereen verbaasde’.

De nieuwsgierigheid van Del Meglio was gewekt en hij dook in andere documenten om te achterhalen waar Da Vinci dan precies had gewoond en gewerkt. Hij wist de hand te leggen op een bron waarin wordt beweerd dat Leonardo had verbleven in ‘vijf aan elkaar gekoppelde ruimtes die via een trap met de eerst verdieping zijn verbonden’. Deze trap bleek in 1864, toen Florence de hoofdstad van Italië werd, te zijn afgesloten, omdat het klooster een gedeelte van zijn behuizing moest afstaan aan de staat.

Del Meglio wilde echter meer bewijs in handen hebben voor hij daadwerkelijk op onderzoek uit zou gaan in de ruimtes van het voormalige klooster. Hij bestudeerde de brieven en aantekeningen die Leonardo optekende. Toen hij hierin geen directe aanwijzingen vond, verlegde hij zijn onderzoek naar documenten van Leonardo’s tijdgenoten.

In een brief van Pietro da Novellara zag hij de aantekeningen van Vasari bevestigd. Deze Pietro noteerde dat Da Vinci tijdens zijn verblijf in het klooster van de Santissima Annunziata de vlucht van vogels bestudeerde. In een van de gangen naar de trap zijn vage fresco’s aangetroffen met afbeeldingen van vogels in duikvlucht. In de Codex Atlanticus, een van de omvangrijke aanteken- en schetsboeken van Leonardo, tekeningen die vrijwel exact overeenkomen met deze fresco’s.

Ook een ander fresco duidt op Leonardo’s aanwezigheid in deze ruimtes. Hoewel er nog slechts een silhouet van een engel te zien is, valt deze schets vrij eenduidig aan Da Vinci toe te wijzen. De engel heeft namelijk precies dezelfde vorm als de engel die Leonardo schilderde voor zijn Annunciatie, die ik jullie in december al liet zien en die in het echt te bewonderen is in de Galleria degli Uffizi.

Leonardo schijnt zijn atelier in het klooster van de Santissima Annunziata echter niet alleen gebruikt te hebben om te schilderen. Volgens Vasari zag Leonardo er streng op toe dat niemand zijn vertrekken binnenwandelde. Het gerucht was dat hij precies in deze ruimtes lijken ontleedde om nog beter en preciezer personen te kunnen portretteren en mensen in een natuurlijke houding te schilderen.

In het gebouw waar het atelier van Da Vinci zich bevond, is nu het Militair Geografisch Instituut (IGM) gevestigd. Het is de bedoeling dat de vertrekken waar ooit de geest van Da Vinci heeft gehuisd, worden opengesteld voor publiek. Wanneer dat gaat gebeuren, is echter nog de vraag. Uiteraard houd ik jullie hierover op de hoogte, maar tot die tijd kunnen we alleen maar gissen naar wat de gevel van de Santissima Annunziata in dat geheime atelier verbergt…

jan 25

In december vorig jaar berichtte de Volkskrant dat ‘historici van over de hele wereld een petitie hebben getekend waarmee ze willen voorkomen dat er verder wordt gezocht naar wat omschreven wordt als het beste werk van Leonardo Da Vinci ooit. Om erachter te komen of dat werk bestaat – en in welke staat het verkeert – moet namelijk geboord worden in een eveneens beroemd fresco dat in 1563 over de vermeende Da Vinci heen werd geschilderd.’

Nog steeds laaien de emoties hoog op als er over de vermeende Da Vinci wordt gesproken. Sommige onderzoekers willen het verloren werk dolgraag vinden en restaureren. Anderen vinden de beschadigingen die door de zoektocht worden toegebracht onaanvaardbaar. Wie er gelijk krijgt? Dat is afwachten. In de tussentijd een situatieschets.

Da Vinci kreeg in 1503 opdracht om een belangrijke slag uit de geschiedenis van Florence op de muur van het Palazzo Vecchio te vereeuwigen. Twee jaar later zette hij de eerste streken op de muur, maar al gauw bleek dat zijn nieuwe schildertechniek te wensen over liet. De verf droop van de muur en het was onmogelijk voor Da Vinci om het fresco zoals hij dat voor ogen had te voltooien. Althans, dat is het verhaal dat Vasari heeft opgetekend. Wetenschappers hebben deze conclusie altijd in twijfel getrokken en gaan ervan uit dat Da Vinci zijn werk weldegelijk heeft voltooid.

Het ontwerp van wat Da Vinci op de muur zou hebben willen schilderen, kennen we overigens niet precies. Er is wel nog een schets van Peter Paul Rubens van een deel van het werk, maar daarop kunnen de geleerden helaas weinig baseren. Ook de schetsen van krijgshoofden die Da Vinci waarschijnlijk voor dit werk maakte, onthullen niet meer dan Rubens’ schets.

Toen Da Vinci zijn fresco De slag om Anghiari al vijf jaar had verwaarloosd en het er steeds meer op leek dat hij het niet af zou maken, besloot Vasari om iets anders over Da Vinci’s werk heen te schilderen. Niet de strijd om Florence, maar de familie De’ Medici moest de hoofdrol spelen. Sinds 1563 tooit zijn werk een van de muren van het Palazzo Vecchio, op de plek waar dus ooit ruimte voor Leonardo Da Vinci was gereserveerd.

Maar wat is er met het werk van Leonardo gebeurd? Heeft Vasari het verwijderd? Is het overgeschilderd? Wetenschappers denken dat Vasari Da Vinci’s werk niet heeft durven weghalen, maar anders te werk is gegaan. Hij zou blanco muren voor de oude fresco’s hebben gezet, waarop hij heeft geschilderd. Het werk van Da Vinci zou in dat geval dan nog steeds in het Palazzo Vecchio te vinden zijn…

Radarbeelden hebben dit vermoeden bevestigd. Tussen de muur waarop Vasari zijn fresco heeft aangebracht en de wand die daar weer achter staat, zit namelijk wel wat ruimte. Reden genoeg voor de Amerikaanse kunsthistoricus Maurizio Seracini om op zoek te willen gaan naar de verloren Da Vinci. Deze Seracini wist de burgemeester van Florence ervan te overtuigen en kreeg toestemming om op zoek te gaan naar de verloren Da Vinci.

Omdat dat echter niet zonder slag of stoot kan, en het fresco van Vasari behoorlijk beschadigd raakt door het onderzoek, zijn andere historici het hier niet mee eens en tekenden ze de hier boven genoemde petitie. Als het onderzoek echter doorgaat, wordt met behulp van een speciale camera een soort verborgen pigment onthuld, waardoor men kan vaststellen of er een Da Vinci achter Vasari’s werk schuilt. Voor het zover is, moeten de onderzoekers echter eerst de petitie naast zich neerleggen. Ook moet er geld ingezameld worden om het onderzoek te kunnen financieren. Dat zal in de huidige tijd niet meevallen…

Toch zijn de meeste mensen nieuwsgierig. Ze wachten met smart op het onderzoek. Want wat als er inderdaad een Da Vinci achter de schildering van Vasari zit? Vasari stookt de boel ook nog wel een beetje op, zelfs na zijn dood. Hij heeft zijn eigen schildering namelijk gebruikt om een hint achter te laten, die zou verwijzen naar het werk van Da Vinci. In een van de vlaggen lezen we cerca, trova. Oftewel: wie zoekt, die vindt…

Update 12 maart 2012: Toch een echte Da Vinci in Palazzo Vecchio?
Italiaanse onderzoekers lijken na langdurig onderzoek in het Palazzo Vecchio in Florence nu (op 12 maart 2012) verfsporen te hebben gevonden die inderdaad zouden duiden op de aanwezigheid van een verloren gegaan werk van Leonardo Da Vinci.

Deze verfsporen zouden volgens de onderzoekers namelijk overeenkomen met kleuren die Da Vinci heft gebruikt bij het schilderen van de Mona Lisa gebruikte. De verf is opgespoord door kleine gaatjes te maken in het werk van Vasari. Overigens zonder het werk van deze Florentijnse schilder daarbij te beschadigen, zo verzekeren de onderzoekers. De burgemeester van Florence, die in het Palazzo Vecchio werkt en de vorderingen dus elke dag letterlijk op de voet kan volgen, is opgetogen over de vondst en wil ervoor zorgen dat het onderzoek doorgang kan blijven vinden.

Getagd met:
jan 24

Florence kent naast de kale façade van de San Lorenzo, die ik jullie gisteren liet zien, nóg een kerk met een kale voorgevel. Daarvoor moeten we wel naar de wijk Oltrarno, aan de overkant van de Arno.

Daar vind je het gezellige Piazza di Santo Spirito, een plein dat wordt gedomineerd door de gele voorgevel van de Santo Spirito. Hoewel de kale voorgevel wellicht anders doet vermoeden, is deze kerk een van de mooiste van Florence. Michelangelo kwam er graag en Bernini zou zelfs ooit hebben gezegd dat hij deze kerk het mooiste godshuis ter wereld vond.

De kerk is gebouwd naar een ontwerp van Brunelleschi, net als de Duomo en de San Lorenzo. In eerste instantie wilde Brunelleschi de kerk met het gezicht naar de Arno aanleggen. De bewoners van de huizen op het stuk tussen het huidige plein en de rivier lagen echter lange tijd dwars, waardoor de plannen uiteindelijk werden gewijzigd.

In 1444 ging de bouw echt van start, maar twee jaar later overleed Brunelleschi plotseling en stokten de werkzaamheden, zoals ook bij de San Lorenzo het geval was. Hoewel de bouw in 1452 weer werd opgepakt, stokte de bouw al snel opnieuw, toen de kerk in maart 1471 werd verwoest door een grote brand.

De voormalige refter in het klooster links van de kerk, waar nu het museum Fondazione Salvatore Romano is gevestigd, is het enige deel van het originele ontwerp dat overeind is gebleven. Hier vind je prachtige fresco’s van Andrea Orcagna, met als onderwerp het laatste avondmaal en de kruisiging van Jezus, en werken van onder anderen Donatello en Ammannati. Het museum is vernoemd naar een Napolitaanse kunstliefhebber die zijn verzameling aan beelden aan het klooster schonk.

De kerk zelf herbergt een crucifix dat Michelangelo voor de abt van het klooster zou hebben gemaakt om hem te bedanken voor zijn verblijf aldaar. Volgens de overlevering zou Michelangelo van deze abt bovendien de mogelijkheid hebben gekregen de lijken van het bijbehorende hospitaal te bestuderen. Ook is er een prachtige Madonna met kind te zien van Filippino Lippi, die op de achtergrond de iets verderop gelegen Porta San Frediano heeft geschilderd.

Brunelleschi maakte ook een ontwerp voor de façade van de Santo Spirito, maar dit is nooit uitgevoerd. Na al die eeuwen is de voorgevel dus nog steeds heel kaal, net als die van de San Lorenzo. Hoewel deze simpele, gele voorgevel eigenlijk wel heel mooi staat, zeker in het zachte zonlicht, wordt er door de Florentijnen nog wel eens verlangend uitgekeken naar een nieuw ontwerp. In Caffè Ricchi, een koffiebarretje aan het Piazza di Santo Spirito, vind je een keur aan ontwerpen voor de gevel van de kerk, variërend van het logo van Gucci tot een fauteuil met een kat en een bord spaghetti. Kijk maar mee:

preload preload preload