jan 26

Zeven jaar geleden bracht een grondige zoektocht het atelier van Da Vinci aan het licht. Het bleek zich midden in Florence te bevinden, direct naast het klooster van de Santissima Annunziata. Ook hier ging veel giswerk aan vooraf en ging niet alles van een leien dakje…

Het idee om onderzoek te doen kwam van kunsthistoricus Alessandro del Meglio, die aan het hoofd stond van het cartografisch archief van het instituut dat naast het voormalige klooster van de Santissima Annunziata was gevestigd. Hij wilde in kaart brengen in hoeverre de ruimtes van zijn kantoor vroeger gebruikt werden en welke functie ze hadden.

Hij wist al wel dat de ruimtes voor 1864 toebehoorden aan het naastgelegen klooster van de Santissima Annunziata, maar de rest was nog in raadselen gehuld. Wederom gaf Vasari de hint die nodig was om verder onderzoek te doen. Hij had vrij specifiek vermeld dat Leonardo Da Vinci in 1500 zijn intrek had genomen in het genoemde klooster, onder andere om een doek met de heilige Anna en Jezus te schilderen (dat nu in de National Gallery in Londen te bewonderen is).

Leonardo bleef in elk geval in het klooster wonen tot dit werk voltooid was. Vasari tekende op dat Da Vinci het schilderij, toen het helemaal naar zijn zin was, aan de Florentijnen toonde. Twee dagen lang mochten de inwoners van de stad ‘de pracht van Leonardo zien, die iedereen verbaasde’.

De nieuwsgierigheid van Del Meglio was gewekt en hij dook in andere documenten om te achterhalen waar Da Vinci dan precies had gewoond en gewerkt. Hij wist de hand te leggen op een bron waarin wordt beweerd dat Leonardo had verbleven in ‘vijf aan elkaar gekoppelde ruimtes die via een trap met de eerst verdieping zijn verbonden’. Deze trap bleek in 1864, toen Florence de hoofdstad van Italië werd, te zijn afgesloten, omdat het klooster een gedeelte van zijn behuizing moest afstaan aan de staat.

Del Meglio wilde echter meer bewijs in handen hebben voor hij daadwerkelijk op onderzoek uit zou gaan in de ruimtes van het voormalige klooster. Hij bestudeerde de brieven en aantekeningen die Leonardo optekende. Toen hij hierin geen directe aanwijzingen vond, verlegde hij zijn onderzoek naar documenten van Leonardo’s tijdgenoten.

In een brief van Pietro da Novellara zag hij de aantekeningen van Vasari bevestigd. Deze Pietro noteerde dat Da Vinci tijdens zijn verblijf in het klooster van de Santissima Annunziata de vlucht van vogels bestudeerde. In een van de gangen naar de trap zijn vage fresco’s aangetroffen met afbeeldingen van vogels in duikvlucht. In de Codex Atlanticus, een van de omvangrijke aanteken- en schetsboeken van Leonardo, tekeningen die vrijwel exact overeenkomen met deze fresco’s.

Ook een ander fresco duidt op Leonardo’s aanwezigheid in deze ruimtes. Hoewel er nog slechts een silhouet van een engel te zien is, valt deze schets vrij eenduidig aan Da Vinci toe te wijzen. De engel heeft namelijk precies dezelfde vorm als de engel die Leonardo schilderde voor zijn Annunciatie, die ik jullie in december al liet zien en die in het echt te bewonderen is in de Galleria degli Uffizi.

Leonardo schijnt zijn atelier in het klooster van de Santissima Annunziata echter niet alleen gebruikt te hebben om te schilderen. Volgens Vasari zag Leonardo er streng op toe dat niemand zijn vertrekken binnenwandelde. Het gerucht was dat hij precies in deze ruimtes lijken ontleedde om nog beter en preciezer personen te kunnen portretteren en mensen in een natuurlijke houding te schilderen.

In het gebouw waar het atelier van Da Vinci zich bevond, is nu het Militair Geografisch Instituut (IGM) gevestigd. Het is de bedoeling dat de vertrekken waar ooit de geest van Da Vinci heeft gehuisd, worden opengesteld voor publiek. Wanneer dat gaat gebeuren, is echter nog de vraag. Uiteraard houd ik jullie hierover op de hoogte, maar tot die tijd kunnen we alleen maar gissen naar wat de gevel van de Santissima Annunziata in dat geheime atelier verbergt…

jan 25

In december vorig jaar berichtte de Volkskrant dat ‘historici van over de hele wereld een petitie hebben getekend waarmee ze willen voorkomen dat er verder wordt gezocht naar wat omschreven wordt als het beste werk van Leonardo Da Vinci ooit. Om erachter te komen of dat werk bestaat – en in welke staat het verkeert – moet namelijk geboord worden in een eveneens beroemd fresco dat in 1563 over de vermeende Da Vinci heen werd geschilderd.’

Nog steeds laaien de emoties hoog op als er over de vermeende Da Vinci wordt gesproken. Sommige onderzoekers willen het verloren werk dolgraag vinden en restaureren. Anderen vinden de beschadigingen die door de zoektocht worden toegebracht onaanvaardbaar. Wie er gelijk krijgt? Dat is afwachten. In de tussentijd een situatieschets.

Da Vinci kreeg in 1503 opdracht om een belangrijke slag uit de geschiedenis van Florence op de muur van het Palazzo Vecchio te vereeuwigen. Twee jaar later zette hij de eerste streken op de muur, maar al gauw bleek dat zijn nieuwe schildertechniek te wensen over liet. De verf droop van de muur en het was onmogelijk voor Da Vinci om het fresco zoals hij dat voor ogen had te voltooien. Althans, dat is het verhaal dat Vasari heeft opgetekend. Wetenschappers hebben deze conclusie altijd in twijfel getrokken en gaan ervan uit dat Da Vinci zijn werk weldegelijk heeft voltooid.

Het ontwerp van wat Da Vinci op de muur zou hebben willen schilderen, kennen we overigens niet precies. Er is wel nog een schets van Peter Paul Rubens van een deel van het werk, maar daarop kunnen de geleerden helaas weinig baseren. Ook de schetsen van krijgshoofden die Da Vinci waarschijnlijk voor dit werk maakte, onthullen niet meer dan Rubens’ schets.

Toen Da Vinci zijn fresco De slag om Anghiari al vijf jaar had verwaarloosd en het er steeds meer op leek dat hij het niet af zou maken, besloot Vasari om iets anders over Da Vinci’s werk heen te schilderen. Niet de strijd om Florence, maar de familie De’ Medici moest de hoofdrol spelen. Sinds 1563 tooit zijn werk een van de muren van het Palazzo Vecchio, op de plek waar dus ooit ruimte voor Leonardo Da Vinci was gereserveerd.

Maar wat is er met het werk van Leonardo gebeurd? Heeft Vasari het verwijderd? Is het overgeschilderd? Wetenschappers denken dat Vasari Da Vinci’s werk niet heeft durven weghalen, maar anders te werk is gegaan. Hij zou blanco muren voor de oude fresco’s hebben gezet, waarop hij heeft geschilderd. Het werk van Da Vinci zou in dat geval dan nog steeds in het Palazzo Vecchio te vinden zijn…

Radarbeelden hebben dit vermoeden bevestigd. Tussen de muur waarop Vasari zijn fresco heeft aangebracht en de wand die daar weer achter staat, zit namelijk wel wat ruimte. Reden genoeg voor de Amerikaanse kunsthistoricus Maurizio Seracini om op zoek te willen gaan naar de verloren Da Vinci. Deze Seracini wist de burgemeester van Florence ervan te overtuigen en kreeg toestemming om op zoek te gaan naar de verloren Da Vinci.

Omdat dat echter niet zonder slag of stoot kan, en het fresco van Vasari behoorlijk beschadigd raakt door het onderzoek, zijn andere historici het hier niet mee eens en tekenden ze de hier boven genoemde petitie. Als het onderzoek echter doorgaat, wordt met behulp van een speciale camera een soort verborgen pigment onthuld, waardoor men kan vaststellen of er een Da Vinci achter Vasari’s werk schuilt. Voor het zover is, moeten de onderzoekers echter eerst de petitie naast zich neerleggen. Ook moet er geld ingezameld worden om het onderzoek te kunnen financieren. Dat zal in de huidige tijd niet meevallen…

Toch zijn de meeste mensen nieuwsgierig. Ze wachten met smart op het onderzoek. Want wat als er inderdaad een Da Vinci achter de schildering van Vasari zit? Vasari stookt de boel ook nog wel een beetje op, zelfs na zijn dood. Hij heeft zijn eigen schildering namelijk gebruikt om een hint achter te laten, die zou verwijzen naar het werk van Da Vinci. In een van de vlaggen lezen we cerca, trova. Oftewel: wie zoekt, die vindt…

Getagd met:
jan 14

Vandaag zijn we weer terug in Pisa, de stad van Galileo Galilei waar we eerder deze maand, op Galileo’s sterfdag, al even waren. De stad heeft helaas niet veel meer herinneringen aan de grote wetenschapper. Vooruit, het vliegveld van Pisa is naar hem vernoemd, maar zeg nou zelf, een museum was meer op zijn plek geweest. Daarvoor moeten we echter naar Florence, maar voordat we daar later deze week heen reizen, nog een prachtig verhaal over het genie uit Pisa.

Galileo liep namelijk niet met zijn ideeën te koop. We weten allemaal dat hij het in het openbaarheid brengen van zijn meningen en gedachten heeft moeten bekopen met een langdurig huisarrest. Maar ook voor die tijd was Galileo voorzichtig en nam hij bij het optekenen van zijn bevindingen alle voorzichtigheid in acht.

Het was misschien ook wel een beetje eerzucht dat hem ertoe dwong zijn aantekeningen niet eenduidig te noteren. Want stel dat een andere wetenschapper ze zou lezen en met zijn ontdekkingen aan de haal zou gaan?

Wat het motief ook was, feit is dat Galileo zijn aantekeningen niet letterlijk noteerde. Net zoals Da Vinci zijn aantekeningen meestal in spiegelschrift noteerde, bedacht Galileo een manier om zijn bespiegelingen cryptisch weer te geven. Hij vond een oplossing in het optekenen van anagrammen. Een anagram is een woord of zin, gevormd uit de letters van een ander woord of een andere zin maar in een andere volgorde.

Dat was precies wat Galileo deed – en waar hij heel wat uren op gepuzzeld moet hebben. Zo noteerde hij toen hij twee raadselachtige vlekjes aan weerszijden van Saturnus zag: SMAISMRMILMEPOETALEVMIBVNENVGTTAVIRAS. Zowel de Toscaanse ambassadeur in Praag als Johannes Kepler, die hij hierover had bericht, konden er geen touw aan vastknopen.

Kepler deed echter wel een poging het raadsel op te lossen en vond: Salve umbistineum geminatum Martia proles (Heil, stralende tweelingzoons van Mars), waaruit hij opmaakte dat Galileo had ontdekt dat Mars twee manen had. Nu weten we dat dat inderdaad klopt, maar toentertijd waren de manen van Mars ver buiten bereik van Galileo’s telescoop. De juiste oplossing van het anagram was Altissimum planetam tergeminum observavi (Ik heb de hoogste planeet drievoudig gezien).

Een maand later ontdekte Galileo de schijngestalten van Venus. Hij maakte van zijn waarneming een notitie voor Giuliano De’ Medici, die luidde: Haec immatura a me jam frustra legunturoy (Dit onvolwassene heb ik vergeefs gelezen). Wederom deed Kepler een poging de letters in de juiste volgorde te zetten. Het duidt op een knappe geest dat hij er wederom iets van weet te maken, namelijk: Macula rufa in Jove est gyratur mathemarum (Een rode vlek op Jupiter draait mathematisch rond).

Inderdaad heeft Jupiter een rode vlek, maar die had Galileo nog niet gezien. Hoe knap Kepler dus ook met Galileo’s letters goochelde, hij zat er wederom naast. De juiste oplossing was: Cynthiae figuras aemulatur mater Amorum (De moeder van Amor (Venus dus) imiteert de vormen van Cynthia (dus de maan)). Opmerkelijk is wel dat Galileo in geen enkel anagram de naam van de hemellichamen waarover hij schrijft noemt. Dat deed hij ongetwijfeld om het oplossen van zijn raadsel te bemoeilijken – hij kon immers niet voorzichtig genoeg zijn…

Getagd met:
dec 17

Da Vinci’s Annunciatie is waarschijnlijk het eerste werk dat de kunstenaar zelfstandig maakte. Hij werkte eraan van 1472 tot 1475, en hoewel het hier en daar van imperfectie getuigt, laten de engel en Maria al zien waartoe Leonardo in staat is: over de kleinste details is nagedacht en de schilder probeerde steeds iets nieuws uit, iets anders, iets revolutionairs.

Zo laat hij Maria hier met driekwart profiel zien, een nieuwe ontwikkeling in de renaissancekunst. Tot dan toe keek Maria je meestal recht aan. Ook de vleugels van de engel zijn spectaculair. Het verhaal gaat dat Leonardo de vleugels heeft gekopieerd van een vogel in vlucht – door goed te kijken hoe een vogel zijn vleugels gebruikte, wist Leonardo ze de suggestie van beweging mee te geven.

De engel houdt een lelie vast, het symbool van reinheid en maagdelijkheid. Zo wordt de boodschap van de onbevlekte ontvangenis nog eens duidelijk onderstreept. Wel vreemd is dat er cipressen te zien zijn; toentertijd kwamen deze bomen, die nu zo kenmerkend zijn voor Toscane, nog niet in Italië voor. Waarschijnlijk zag Leonardo de bomen ooit in een manuscript en kopieerde hij ze hier om de achtergrond vorm te geven.

Schetsen tonen aan dat Leonardo er wel op heeft gezwoegd. Het was tenslotte zijn eerste werk en hij moest goed voor de dag komen. Dat is grotendeels gelukt; zo getuigt bijvoorbeeld de prachtig gebogen arm van de engel, met de in plooien vallende tuniek die door een lint op de bovenarm bijeen wordt gehouden.

Dat Maria’s rechterarm nogal lang is, en dat de lessenaar waarachter ze zit dichterbij lijkt te staan dan zijzelf, ach, dat zijn kleinigheden. Leonardo was immers net twintig toen hij aan dit werk begon – en duidelijk nog een beginnend meester. Maar de talentvolle hand van deze meester laat zich al zien – en daar kunnen wij nog altijd van meegenieten!

Je vindt Da Vinci’s Annunciatie in de Galleria degli Uffizi in Florence, in zaal 15 om precies te zijn. In datzelfde museum hangt een Annunciatie van de Sienese kunstenaar Simone Martini; die bekijken we morgen!

Getagd met:
nov 11

Eergisteren wees ik al even op de vinger van Da Vinci, de omhoog wijzende vinger die wijst op verlossing, op de komst van Christus. Een van de duidelijkste voorbeelden die Da Vinci ooit schilderde, is te zien op het doek Johannes de Doper, dat normaal gesproken te zien is in het Louvre in Parijs.

Het is vermoedelijk het laatste doek dat Da Vinci schilderde – waarschijnlijk had hij het nog in zijn bezit toen hij stierf. Het is het meest gekopieerde van zijn werken, en kunstkenners strijden nog altijd over de authenticiteit van het doek. Wel is door onderzoek boven water gekomen dat Da Vinci niet degene is die de staf en het dierenvel heeft geschilderd; die zijn beide later toegevoegd.

Wie goed kijkt, ziet een enorme overeenkomst tussen de glimlach van Johannes de Doper en de Mona Lisa – de lippen van beide personen krullen even mysterieus licht omhoog. Maar het gezicht van deze Johannes de Doper is in nog een ander opzicht mysterieus. Da Vinci gebruikte het ook op een van zijn andere doeken, Sint-Anna te Drieën. De heilige Anna en Johannes de Doper lijken een en dezelfde persoon te zijn.

Da Vinci begon met de studies voor dit schilderij op verzoek van de Franse koning Lodewijk XII, die iets bijzonders cadeau wilde doen aan zijn jarige echtgenote. Op het doek moesten zowel Maria en Jezus als Johannus de Doper en de heilige Anna worden afgebeeld. Da Vinci zou rond 1508 begonnen zijn met schetsen, maar helaas heeft hij het werk nooit afgemaakt. Alles wat er nog van rest, is een voorbereidende studie in houtskool en enkele schetsen. De voorbereidende studie, het Burlington House Cartoon, is ondanks het feit dat het slechts een studie voor een groot doek is, een van Da Vinci’s belangrijkste werken.

Overigens maakte Da Vinci later in opdracht van een van de kerken in Florence wel een schilderij met de drie generaties van de heilige familie: Maria, Jezus, de heilige Anna en een lammetje. Johannes de Doper is de grote afwezige. Waarom is voor ons nog steeds een vraag. En waarom kloppen de verhoudingen op dit doek nauwelijks, terwijl Da Vinci normaal gesproken de perfecte verhoudingen wist op te tekenen? We zullen het nooit weten…

Net zoals we nooit zullen weten wie er model stond voor de laatste Johannes de Doper. Een man of een vrouw? Da Vinci zelf? Wederom zijn er meer vragen dan antwoorden, meer ondoorgrondelijke mysteries dan harde feiten. Zeker ook als je de schets voor de eerste Sint-Anna te Drieën bekijkt, met de onmiskenbaar omhoog wijzende vinger.

Ook op de Madonna in de grot, waarvan we eergisteren de twee verschillende versies zagen, zien we duidelijk een opgestoken wijsvinger, en bij Het Laatste Avondmaal kun je er ook al niet omheen. Bij het doek Madonna met de spindel is de verwijzing niet heel ver te zoeken…

Zijn laatste doek is hiermee dus zeker mysterieus te noemen, maar niet geheimzinniger dan de meeste van zijn andere werken. Het is wel een mooie ronde cirkel, de afbeelding van Johannes de Doper als Da Vinci’s laatste schilderij. Johannes de Doper staat namelijk ook centraal op het allereerste schilderij waar Da Vinci voor zover bekend aan werkte, De Doop van Christus. Maar daarover morgen meer!

nov 10

Het bekendste schilderij van Da Vinci is de Mona Lisa, die haar thuis heeft in het Louvre in Parijs. Dit misschien wel beroemdste schilderij ter wereld wordt in het recent verschenen Stil leven – door de westerse kunstgeschiedenis in 26 stappen door Ted van Lieshout ook voor jonge kunstliefhebbers toegelicht.

Van Lieshout doet dit op een unieke manier. Hij vergelijkt namelijk steeds twee kunstwerken met elkaar, en dat op zo’n manier dat er zelfs voor de meest ongeoefende kijker nog iets bijzonders te ontdekken valt. Hij zet de lezer echt aan tot kijken, en terwijl hij dat doet maakt hij bijna achteloos begrippen als compositie en stijl inzichtelijk. Hij vertelt over de techniek die de schilder heeft gebruikt en geeft zijn mening over het gekozen onderwerp, maar bovenal stimuleert hij de jonge kunstkijkers een eigen mening te vormen.

De Mona Lisa van Da Vinci heeft Van Lieshout naast Naakt dat de trap afdaalt van Marcel Duchamp gezet. Op het eerste gezicht misschien een vreemde vergelijking, maar gelukkig verklaart Van Lieshout zijn keuze in het begeleidende stuk tekst. Duchamp schilderde namelijk ooit een snor en een baardje op een foto van de Mona Lisa, en een nieuw kunstwerk was geboren. Maar Duchamp was nog niet uitgegrapt: na deze besnorde Mona Lisa volgde een foto van de originele Mona Lisa, door Duchamp Mona Lisa geschoren genoemd.

Terug naar Da Vinci’s Mona Lisa. Ted van Lieshout vertelt hierover het volgende: ‘De echte Mona Lisa, dus zonder snor en sik, en ook niet geschoren, werd tussen 1503 en 1506 geschilderd door Leonardo da Vinci. Het is het beroemdste portret dat bestaat, vooral door de geheimzinnige glimlach. Niemand weet waarom ze glimlacht. Misschien had ze wel gewoon rotte tanden. Ik vind het zelf trouwens veel gekker dat ze geen wenkbrauwen heeft, maar daar hoor je nooit iemand over.

De Italiaanse Da Vinci had talent voor ongeveer alles. Hij was niet alleen tekenaar, schilder, beeldhouwer, architect en zanger (dat was ook voor mij nieuw, SB), maar ook uitvinder. Zijn nieuwsgierigheid was zo groot, dat hij zelfs lijken van binnen en van buiten ging tekenen omdat hij wilde weten hoe een mens ‘werkt’. Of hij dat eng vond weet ik niet, maar hij vond dat het nodig was. En dat was ook zo, want veel van wat de doktoren van toen over het menselijk lichaam beweerden, bleek onwaar te zijn. Dat bewees Da Vinci.

Ook schreef Da Vinci duizenden schitterende bladzijden vol met ideeën en tekende daarbij. Bijvoorbeeld hoe vogels vliegen en hoe dat moest leiden tot de uitvinding van een vliegtuig. Hij bedacht zelfs het principe van de camera, maar ja, tijd om die uitvindingen écht uit te werken, had hij niet. Te veel dingen om te doen. Hij had er een eenvoudige verklaring voor om uit te leggen waarom hij zo weinig afmaakte: Een kunstenaar als ik denkt dingen uit. Als ik die dingen vervolgens met mijn eigen handen moet maken, dan heb ik geen tijd om iets nieuws uit te denken.’

Marcel Duchamp beweerde overigens dat er een man model heeft gezeten voor de Mona Lisa, anderen beweren dat het een portret van Da Vinci zelf is. de gelijkenis is er in elk geval, maar of het echt waar is zullen we echter nooit weten…

Gelukkig nam Da Vinci de tijd om steeds iets nieuws te bedenken en heeft hij een enorme hoeveelheid werken achtergelaten. Morgen bekijken we een van zijn grootste werken in Florence, in het Palazzo Vecchio. Maar met dit boek in huis kun je op elk gewenst moment naar heel veel musea ter wereld – het is een inspirerende reis door de geschiedenis van de kunst, verfrissend en zeker ook voor volwassenen meer dan de moeite waard!

Stil leven – door de westerse kunstgeschiedenis in 26 stappen
Ted van Lieshout
ISBN 9789025749774
€ 14,95
uitgeverij Gottmer

nov 09

Vandaag openen de deuren van een grote tentoonstelling over Da Vinci. Niet in een van de grote musea in Italië, maar in de National Gallery in Londen. Hier zijn tot 5 februari 2012 ruim 60 tekeningen en schilderijen van deze renaissancekunstenaar te zien. Hoewel er al veel tentoonstellingen rondom Da Vinci zijn georganiseerd, is dit de eerste keer dat de schilder Da Vinci centraal staat – en niet de uitvinder of de wetenschapper.

Aanleiding voor deze grootste expositie is de recent voltooide restauratie van de Madonna van de grot. Van de versie die normaal gesproken ook in de National Gallery hangt welteverstaan, want van dit schilderij zijn twee versies in omloop. Ook het Louvre in Parijs heeft een Madonna van de grot van Da Vinci’s hand, maar dan een versie van vroeger datum.

Da Vinci kreeg de opdracht voor dit schilderij in 1483 van het Broederschap van de Onbevlekte Ontvangenis in Milaan. Deze broederschap wilde graag dat Da Vinci liet zien hoe Jozef, Maria en Jezus tijdens de vlucht naar Egypte een schuilplaats zochten in een grot, waar ze Johannes de Doper ontmoetten, die werd beschermd door de aartsengel Uriël. Volgens de overlevering was deze ontmoeting van groot belang, omdat Jezus zijn neef Johannes de Doper toestemming gaf om hem te dopen als ze allebei volwassen zouden zijn.

Het schilderij moest in samenwerking met twee andere kunstenaars worden gemaakt, hetgeen vrij ongebruikelijk was voor die tijd. Da Vinci zou het middenpaneel beschilderen, Evangelista de Predis was verantwoordelijk voor het verguldsel en zijn broer, Ambrogio de Predis, zou de zijpanelen verzorgen.

De tijd om dit alles te realiseren was behoorlijk kort. Leonardo kreeg de opdracht in april, en op 8 december, waarop Maria’s Onbevlekte Ontvangenis wordt gevierd, moest het werk kunnen worden onthuld. Maar Leonardo haalde de deadline niet en uiteindelijk zou het drie jaar duren voordat de Madonna van de Grot klaar was. De eerste versie dan, want de tweede versie was pas in 1508 gereed.

Waarom er twee versies van dit schilderij zijn, is overigens niet bekend. Algemeen wordt aangenomen dat de broeders niet tevreden waren met de eerste versie (met de rode mantel), waarop Leonardo da Vinci besloot een tweede versie te maken. Het feit dat de broeders niet tevreden waren is vanuit ons huidige oogpunt op zijn minst opmerkelijk te noemen. Beide werken voldoen immers precies aan het verzoek van de broederschap – met uitzondering van het ontbreken van Jozef, maar dat is zover wij nu weten nooit onderwerp van discussie geweest. Toch is het schilderij het lijdend voorwerp geweest van een twintig jaar durend conflict tussen Da Vinci en de broederschap.

Op de eerste versie van het schilderij, dat normaal gesproken in het Louvre hangt, zien we Maria met een kleine Christus, een kleine Johannes de Doper en een aartsengel. Om hen heen hangt een mysterieuze sfeer, die nog eens wordt versterkt door alle grotten en rotsen die zijn afgebeeld. Misschien staat de grot voor kennis van de mystieke wereld, misschien ook staat de grot symbool voor de legende die vertelt hoe de berg zich opende om de heilige familie onderdak te kunnen bieden.

De tweede versie doet iets minder mystiek aan. Het water op de achtergrond komt duidelijk naar voren en maakt de grotten minder geheimzinnig. De engel is daarentegen wel mysterieuzer; bij de eerste versie is de engel duidelijk een vrouw, hier is dat minder goed te zien. Johannes de Doper wordt wel duidelijker in beeld gebracht; hij draagt nu een kruis. Het is echter de vraag of Da Vinci dit zelf heeft toegevoegd of dat dit later nog is gedaan.

Wat wel duidelijk op beide versies van het schilderij te zien is, is de omhoog wijzende vinger van Johannes de Doper. Deze vinger komt op enorm veel werken van Da Vinci voor, let maar eens op als je de tentoonstelling bezoekt of de komende tijd andere werken van Da Vinci bekijkt.

Een interessant fenomeen dus, deze twee versies van een en hetzelfde schilderij. Tijdens de expositie in Londen zijn beide versies voor het eerst tegelijk te bewonderen – en te vergelijken. De geoefende kijker moet minimaal tien verschillen kunnen onderscheiden. Ik ben benieuwd of jullie die allemaal kunnen ontdekken!

aug 16

Wie een wandeling maakt in de buurt van het San Siro stadion in Milaan, komt op zijn weg een enorm paard tegen, dat ooit is ontworpen door Leonardo da Vinci. Helaas heeft Leonardo zijn ontwerp zelf nooit anders gezien dan op papier. Zijn droompaard staat pas sinds 1999 tussen het voetbalstadion en het hippodroom van Milaan, als eerbetoon aan zijn bijzonder geniale ontwerp.

Het paard was, zoals we al een paar keer eerder hebben gezien, het resultaat van een ontwerpwedstrijd. In 1472 of 1473 besloot de familie Sforza een wedstrijd uit te schrijven voor een standbeeld dat ervoor moest zorgen dat hun voorvader, Francesco Sforza, voor altijd in de herinnering van de Milanezen zou blijven.

Leonardo voelde er wel voor om dit beeld te mogen vervaardigen, maar hij wist ook dat hij met een bijzonder origineel ontwerp voor de dag moest komen om kans te kunnen maken op deze eervolle opdracht. In Leonardo’s biografie schrijft Serge Bramley: ‘De kunst om een groot paard met ruiter te beeldhouwen is verloren gegaan, zo vreest men, in de donkere tijden na de val van het Romeinse Rijk. Wie zou nog kunnen wedijveren met de Marcus Aurelius van het Capitool (4,25 meter hoog) of de prachtige Regisole van Pavia? Men heeft geprobeerd een dergelijke voorstelling te schilderen (Paolo Uccello en Andrea del Castagno in de Domkerk van Florence); de werkelijke moeilijkheid schuilt in het gieten en het metaalsmelten, niet in de tekening. De techniek vormt het grootste struikelblok voor de beeldhouwers.

In Padua heeft Donatello, naar het voorbeeld van de Romeinse Marcus Aurelius, het eerste monumentale bronzen ruiterstandbeeld sinds de Oudheid gemaakt (de Gattamelata, 3,20 meter hoog, en in 1453 geïnstalleerd). Verrocchio probeert in Venetië dit standbeeld te overtreffen met de vervaardiging van zijn Colleoni. Het onderwerp (een paard) spreekt evenzeer tot Leonardo’s verbeelding als het probleem van de techniek; tegelijkertijd ziet de leerling dit als een prachtige gelegenheid om zijn meester uit te dagen.’

Leonardo schetst en denkt, breekt zijn hoofd over de beste verhoudingen voor het paard, over de stand waarin het zou moeten staan. Hij bestudeert honderden paarden om hun anatomie helemaal onder de knie te krijgen. Hij tekent pagina’s vol paarden, nu eens staand op vier benen, dan weer steigerend of zich op de vijand stortend:

In 1482 krijgt Leonardo da Vinci de opdracht. Hij bijt zich nog meer dan eerst in het ontwerp, maar al gauw vragen andere dingen als huwelijken en nieuwe opdrachten om voorrang. Hij houdt het paard echter altijd in zijn achterhoofd. In een van zijn ontelbare aantekenboeken schrijft hij: ‘Op 23 april 1490 ben ik met dit boek en opnieuw met het paard begonnen.’

Inderdaad maakt hij een heel nieuw ontwerp. De eerste schets, met een paard dat op zijn achterste benen staat, zorgde toch voor teveel problemen. Met name het evenwicht was een heikel punt; het lukte Leonardo niet een juiste gietmethode voor dit ontwerp te ontwikkelen. Opnieuw nam hij dus zijn tekengerei ter hand en schetste hij het ene na het andere paard.

In mei 1491 staat er een paard op papier waar Leonardo min of meer tevreden over is. Het is een heel andere schets, met een stapvoets lopend paard in plaats van een paard dat al steigerend de wereld inkeek. Leonardo was duidelijk over de afmetingen van het paard: het moest meer dan zeven meter hoog worden, zodat het de eerder genoemde paarden van Donatello en Verrocchio in zijn schaduw zou zetten. Hiervoor zou meer dan honderd ton brons benodigd zijn!

Leonardo maakte een kleimodel op ware grootte, dat enorm veel bewondering oogstte. Het paard hoefde alleen nog maar met was overgoten te worden en te worden voorzien van een terracotta mal, waar het brons in gegoten kon worden. Leonardo droomde er al van zijn paard te onthullen en de andere kunstenaars uit hun zadel te stoten. Vasari schreef over dit enorme paard: ‘Iedereen die het grote model dat Leonardo in klei uitvoerde heeft gekend, beweerde nog nooit zoiets moois, zoiets schitterends te hebben gezien.’

Leonardo had niet alleen een prachtig paard ontworpen, hij had eveneens goed nagedacht over hoe dat enorme paard in brons gegoten zou moeten worden. Hij kwam tot de conclusie dat zijn paard uit één stuk gegoten moest worden, en niet – zoals in die tijd gebruikelijk was – door verschillende stukken van het paard apart te gieten en later aan elkaar te solderen.

Hoe zorgvuldig hij te werk ging, staat in zijn aantekeningen: ‘Ten eerste, onderzoek elk bestanddeel en kies het beste.’ Hoe gedetailleerd en zorgvuldig Leonardo’s voorbereidingen echter ook zijn, hij heeft geen rekening gehouden met een dreiging uit het noorden. Karel VIII, koning van Frankrijk, besluit de Alpen over te steken en Italië binnen te vallen. Paniek alom, en het paard raakt in de hoofden van de Sforza’s al snel op de achtergrond.

Hoewel Leonardo de plannen voor zijn paard nog steeds verder uitdiept en bijwerkt, moet hij uiteindelijk langzaam inzien dat zijn paard er niet zal komen. Simpelweg omdat er geen brons meer beschikbaar is om het paard te gieten – en evenmin geld om nieuw brons aan te schaffen. Toch schrijft hij in 1496 in een van zijn dagboeken: ‘Over het paard zal ik niets zeggen, want ik weet hoe de tijden zijn.’

In Leonardo’s biografie lezen we: ‘De gietvormen blijven ongebruikt. De door de dichters bezongen kolos van klei begint te scheuren, af te brokkelen en langzaam te vergaan in de Corte Vecchia of op de plek waar hij enkele jaren daarvoor zo triomfantelijk tentoongesteld werd. De Franse soldaten maakten daarna korte metten met alles wat nog van het paard restte…

Het ruiterstandbeeld van Francesco Sforza zal nooit in brons gegoten worden, waardoor het onduidelijk blijft of Leonardo er werkelijk in geslaagd zou zijn het te gieten. Velen betwijfelen het – Michelangelo op de eerste plaats – en wijten het mislukken van de onderneming aan de kunstenaar zelf. Vasari schrijft: ‘Hij stelde voor […] een bronzen paard van buitengewone afmetingen te maken. Hij begon ermee en hij maakte het zo groot dat hij het niet kon voltooien.’ Vasari veronderstelt dat de geest van Da Vinci ‘verlamd was door zijn overmatige ambities’.

Andere getuigenissen pleitten juist voor het genie van Da Vinci. Recent onderzoek wijst uit dat de calculaties die Da Vinci voor het gieten van zijn paard had gemaakt, klopten. Uit een computersimulatie blijkt dat zijn grootse plannen absoluut haalbaar waren geweest. Sterker nog: als Da Vinci had doorgezet, was zijn paard zijn belangrijkste nalatenschap geweest, en niet Het laatste avondmaal.

Leonardo’s droompaard zou in één beweging gegoten kunnen worden, zelfs binnen 165 seconden. Da Vinci had twee manieren bedacht om het brons te kunnen gieten en beide manieren blijken haalbaar te zijn. Het paard kan zowel horizontaal als verticaal worden gegoten. ‘Maar,’ zo stelt onderzoeker Paolo Galluzzi, ‘hij had de positie van de benen wel los moeten laten, aangezien een twintig meter diep gat om brons in te gieten niet veilig is.’

‘Het model laat zien dat Da Vinci alles zorgvuldig gepland had,’ aldus Alessandro Incognito, directeur van het bedrijf dat de computersimulaties uitvoerde. ‘De zwakke plekken tijdens het gieten, waarbij het brons het snelst afkoelt, blijken voor het evenwicht van het paard helemaal niet zo belangrijk te zijn.’

Leonardo’s droompaard had dus zomaar gerealiseerd kunnen worden. ‘Nu het onderzoek heeft uitgewezen dat Leonardo’s project haalbaar is, zijn we van plan om zijn droompaard ook echt te gaan gieten,’ vertelt Galluzzi. ‘En dan komt het natuurlijk in Milaan te staan, in de stad waarvoor Da Vinci het ontwierp.’ Tot die tijd moeten we het doen met een replica, die slechts 3 meter hoog is. Maar net als Leonardo dromen we ervan dat zijn enorme paard ooit werkelijkheid wordt…

Getagd met:
aug 08

Vandaag wandelen we door het centrum van Milaan, zodat jullie een beetje een indruk krijgen van wat jullie komende dagen staat te wachten. In de loop van deze en volgende week komt een aantal bezienswaardigheden uitgebreid aan bod en krijgen jullie wat Milanese recepten die de smaak van de stad en de omgeving naar het noorden brengen.

We beginnen op het Piazza del Duomo. Het gebied rond de Duomo was in de vierde eeuw het religieuze hart van Milaan. Tot de veertiende eeuw stonden hier de basilieken Santa Tecla en Santa Maria Maggiore en de doopkapellen San Giovanni alle Fonti en Santo Stefano. Al deze gebouwen moesten worden gesloopt om plaats te maken voor de gigantische kathedraal.

In die tijd was heel Milaan maar iets groter dan wat nu het oude stadshart is: het huidige Piazza della Scala (op een steenworp afstand van de Duomo) lag aan de rand van de stad! Je kunt je wel voorstellen hoe groots de Duomo oogde, en hoe indrukwekkend de aanblik van deze kerk was. Ook nu nog maakt de Duomo een onvergetelijke indruk. Het is bijna onmogelijk om alle details van de voorgevel in je op te nemen.

© foto Giovanni Dall’Orto

Een bezoek aan het dak van de Duomo is eigenlijk een must als je in Milaan bent. Het is een unieke ervaring op het dak van de kerk rond te lopen, waar eveneens veel prachtige beelden te zien zijn. Ook heb je vanaf hier een schitterend uitzicht op de stad en – met helder weer – op de besneeuwde bergtoppen.

Vanaf de Duomo zie je ook goed het stratenplan van Milaan. Pas in de negentiende eeuw werden er vanaf het Piazza del Duomo brede straten aangelegd. Ook de enorme winkelgalerij met glazen koepel staat er nog niet zo heel lang. Rond 1860 werden de vervallen gebouwen rondom de Duomo gesloopt om plaats te maken voor de Galleria Vittorio Emanuele II, die na de Italiaanse eenwording hét symbool van Milaan werd.

De chique winkelgalerij moest het Piazza del Duomo verbinden met het Piazza della Scala en maakte deel uit van een groots stadsvernieuwingsproject. De vloer van de centrale achthoekige ruimte onder de 47 meter hoge koepel is versierd met verschillende mozaïeken (waarover overmorgen meer); de mozaïeken op de bogen stellen de continenten Azië, Amerika, Afrika en Europa voor.

Aan het andere uiteinde van de Galleria ligt het Piazza della Scala, dat zijn naam dankt aan het wereldberoemde operagebouw Teatro alla Scala, dat door Giuseppe Piermarine is gebouwd op de plek waar eerst de Santa Maria della Scala stond, een kerk die was gebouwd voor Regina della Scala, de vrouw van een van de Visconti’s.

Het theater werd op 3 augustus 1778 ingewijd met een opera van Antonio Salieri. La Scala werd in 1943 gebombardeerd, maar drie jaar later weer in volle glorie herbouwd. De traditionele gala-avond waarmee het operaseizoen begint, vindt altijd plaats op 7 december, de feestdag van Sant’Ambrogio, de beschermheilige van Milaan. De zaal telt wel 2015 zitplaatsen – het moet geweldig zijn hier op de planken te staan en al die mensen in vervoering te brengen!

Via de Piazza San Fedele en de Via Agnello lopen we naar de Corso Vittorio Emanuele II, een van de belangrijkste winkelstraten van Milaan. Deze enorm indrukwekkende winkelstraat volgt de route van een oude Romeinse straat, de Corsia dei Servi (slavenlaantje). Deze straat was in 1628 het toneel van broodrellen, die Manzoni beschrijft in zijn beroemde werk I promessi sposi. Nu is het er net zo druk als tijdens die rellen, maar dan met winkelende mensen, druk bellende zakenmensen en winkeliers uit de buurt die even snel een espresso komen drinken.

Aan het einde van deze winkelstraat ligt de San Babila, een Romaanse kerk uit de elfde eeuw. De kerk staat in schril contrast met de andere gevels aan het gelijknamige plein, die allemaal in 1927 zijn gerenoveerd onder leiding van Albertini. De gevels van de kantoren, winkels en luxe-appartementen geven een perfect beeld van de functionele manier waarop het fascistische gemeentebestuur uit die tijd zich bezig hield met planologie.

Hier in de buurt vind je het huis van Alessandro Manzoni, de auteur van het net genoemde I promessi sposi. Manzoni woonde hier van 1814 tot 1873, toen hij na een val van de trappen van de San Fedele aan zijn einde kwam. Het perfect bewaard gebleven interieur bevat onder andere het vertrek waar Manzoni in 1862 Garibaldi ontving en zes jaar later Verdi ontmoette. Het meest indrukwekkend vond ik echter de enorme bibliotheek, met een collectie van meer dan 40.000 boekwerken!

De buurt waarin het huis van Manzoni zich bevindt, wordt ook wel Quadrilatero d’Oro (gouden vierhoek) genoemd. De Via Manzoni, de Via Monte Napoleone, de Corso Venezia en de Via della Spiga vormen een vierkant waarbinnen alle belangrijke modeketens een winkel hebben: Valentino, Gucci, Armani, Cartier, Prada, Chanel, Versace… Hier vergaap je je aan de mooie etalages en aan de mensen die bepakt en bezakt met hun nieuwe aanwinsten naar buiten wandelen.

Een van de bekendste bezienswaardigheden van Milaan ligt aan de andere kant van de stad. In het klooster dat bij de Santa Maria delle Grazie hoort, schilderde Leonardo da Vinci zijn Laatste Avondmaal. De positie van de apostelen, hun gezichten en de gebruikte symbolen hebben in de loop der tijd voeding gegeven aan verschillende complottheorieën, waarvan de bekendste natuurlijk wordt uitgewerkt in De Da Vinci Code van Dan Brown. Volgende week staan we wat uitgebreider stil bij Leonardo’s apostelen.

Aan de nabijgelegen Corso Magenta, met zijn chique winkels en historische gebouwen, vind je op nummer 65, net voorbij de kerk, het gebouw waar Da Vinci verbleef toen hij aan het Laatste Avondmaal werkte. Hier is nu een chique boekhandel, Libreria degli Atellani, gevestigd. Op nummer 61 staat het Palazzo delle Stelline, ooit een weeshuis voor meisjes en nu een congrescentrum. Op de hoek met de Via Carducci, die de oorspronkelijke loop van het Navigli-kanaal volgt, is Bar Magenta gevestigd, een van de oudste barretjes van Milaan. Hier schenken ze al koffie sinds het begin van de negentiende eeuw!

Aan het Piazza Sant’Ambrogio staat de gelijknamige kerk, die voor de Milanezen eigenlijk nog belangrijker is dan de Duomo, aangezien de kerk is gewijd aan de patroonheilige van de stad. Deze kerk vereren we volgende week met een uitgebreid bezoek!

Rechts van de Sant’Ambrogio bevindt zich de Università Cattolica del Sacro Cuore, gevestigd in het oude benedictijner klooster. De universiteit werd in 1921 opgericht door pater Agostino Gemelli. De twee kruisgangen, met Ionische en Dorische zuilen, zijn twee van de vier zuilen die Bramante in 1497 had ontworpen. Deze universiteit is een van de meest gerenommeerde onderwijsinstellingen van Italië. Neem zeker even een kijkje in de aula magna met zijn schitterende gewelfde plafonds. Ook al ben je geen student, je mag hier gerust even naar binnen lopen!

Ook de Pinacoteca Ambrosiana is een bezoek meer dan waard. Dit museum werd al in 1618 opgericht, door kardinaal Federico Borromeo, de neef van San Carlo en diens opvolger als aartsbisschop van Milaan. Het museum maakte deel uit van een groot cultureel project, dat ook de Bibliotheca Ambrosiana en de Accademia del Disegno omvatte. Het museum moest vooral een inspiratiebron zijn voor jonge kunstenaars. De collectie omvat onder meer werken van Caravaggio, Botticelli, Rafaël en Titiaan. De Bibliotheca Ambrosiana, die in het museum gevestigd is, heeft een collectie van meer dan 75.000 boeken, waaronder meer dan duizend pagina’s van de Codex Atlanticus van Leonardo da Vinci.

Een ander groot Milanees museum bevindt zich in het Castello Sforzesco, aan het eind van de Via Dante, een van de chiquere straten van de stad. Het Castello werd in 1368 door de Visconti’s gebouwd en later in opdracht van de Sforza’s verfraaid en verbouwd tot een schitterend renaissancepaleis. Onder Francesco Sforza, die vanaf 1450 heer van Milaan was, en zijn zoon Lodovico il Moro bood het Castello plaats aan een van de meest luisterrijke hoven van de renaissance. Leonardo da Vinci en Bramante kwamen er regelmatig en werkten aan menig opdracht voor de Sforza’s.

Tijdens het bewind van de Spanjaarden en de Oostenrijkers raakte het kasteel in verval en kreeg het zijn oorspronkelijke militaire functie weer terug. Het werd uiteindelijk door Luca Beltrami van de sloop gered. Beltrami restaureerde het Castello tussen 1893 en 1904 en verbouwde het tot een belangrijk museumcentra, de Musei Civici, die nog tot op de dag van vandaag in het kasteel gehuisvest zijn.

De middelste toren aan de voorzijde, de Filarete-toren, werd in 1521 verwoest toen het buskruit dat er lag opgeslagen explodeerde. De toren werd in 1905 herbouwd door Beltrami, die hierbij uitging van het originele ontwerp van Filarete. In de kleine toren linksachter, de Torre Castellana, had Lodovico il Moro zijn schatkamer ondergebracht. Die werd ‘bewaakt’ door Argus, die bij de ingang van de Sala del Tesoro staat afgebeeld op een fresco van Bramante.

Achter het Castello ligt het Parco Sempione, een park van ruim 47 hectare groot. Toch beslaat dit park nog maar een deel van de oude hertogelijke tuin van de Visconti’s, die in de vijftiende eeuw werd uitgebreid tot een jachtdomein van zo’n 300 hectare. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd er in het park tarwe verbouwd, maar na de wederopbouw werd het weer een plaats waar de Milanezen even kunnen ontspannen.

Nog iets verder naar het noorden vind je een van de prachtigste plekken van Milaan, het Cimitero Monumentale, dat dankzij de prachtige beelden en graven wel iets weg heeft van een openluchtmuseum. De Famedio (Famae Aedes), het ‘huis voor beroemdheden’, vormt het hart van het kerkhof. Het is een soort pantheon waar beroemde Milanezen en niet-Milanezen zijn begraven. Je ziet bijvoorbeeld de graftomben van de auteur Alessandro Manzoni, van de architect Luca Beltrami en van de dichter en Nobelprijswinnaar Salvatore Quasimodo. Ook staan er busten van Garibaldi, Verdi en Cavour.

Een bezoek aan het Cimitero Monumentale is bijna een bezoek aan een museum voor de kunst van eind negentiende eeuw tot nu. In het Civico Mausoleo Palanti, een enorm mausoleum met een crypte, die in 1943 dienst deed als schuilkelder, bevinden zich de graftomben van de komiek Walter Chiari en van Hermann Einstein, de vader van de beroemde Albert Einstein.

Wandel rustig langs de graven en laat de kunstige monumenten op je inwerken. In de middelste laan staan twee graftomben die zijn ontworpen door Enrico Butti. De eerste, de tombe van de jonge Isabella Casati, wordt ook wel Jonge vrouw betoverd door een droom genoemd. Hier bevindt zich ook een schrijn van Besenzanica, Werk genaamd. Rechts zie je de monumentale tombe van Toscanini, gebouwd voor de zoon van de dirigent. Indrukwekkend zijn ook de tomben van Carlo Erba, Bocconi, Campari en Falck.

Fare aperitivo, oftewel een aperitief drinken, is een Milanese gewoonte en mag dan ook zeker niet ontbreken tijdens een tocht door Milaan. De leukste plek voor een aperitivo is de wijk Navigli, een wijk rondom de restanten van een belangrijk stelsel van waterwegen dat door een groot deel van de stad liep. Over het Naviglio Grande is bijvoorbeeld het Candoglia-marmer vervoerd dat nodig was voor de bouw van de Duomo.

Ook de artistieke wijk Brera is een prima plek voor een aperitief. Mocht je hier wat eerder op de dag zijn, neem dan de tijd voor alle bijzondere plekken in deze studentenwijk: de kerk Santa Maria del Carmine, de Pinacoteca di Brera (een van de beroemdste musea van Italië), de kleine, originele winkeltjes en de gezellige koffiebarretjes.

Genoeg inspiratie voor een bezoek aan Milaan hoop ik, de komende dagen ga ik wat dieper in op een aantal prachtige plekken. Morgen gaan we terug naar het begin van deze wandeling voor een bezoek aan het mooiste beeld van de stad!

jul 10

Na de amandelkoekjestaart van gisteren vandaag een verhaal over Saronno, het amandelstadje in het noorden van Italië.

Overal in Italië woeden oorlogen als in Saronno plotseling een jonge kunstenaar opduikt. Bernardino Luini is een leerling van Leonardo da Vinci en is door zijn leermeester gestuurd om een fresco te schilderen in de kerk van Saronno. De flamboyante kunstenaar wordt betoverd door de schoonheid van Simonetta di Saronno, een jonge weduwe van adellijke komaf.

Hij vraagt haar te poseren voor het fresco van de madonna. In eerste instantie moet Simonetta niets van hem hebben, maar als ze toch ingaat op zijn verzoek gebeurt het onvermijdelijke: ze worden verliefd. Als het jonge paar verstrikt raakt in een reeks religieuze schandalen en de inwoners van Saronno zich tegen Bernardino keren, moet hij de stad ontvluchten. Bernardino zal er echter alles aan doen om terug te keren naar de vrouw van wie hij zielsveel is gaan houden.

De schrijfster van het boek, Marina Fiorato, vertelt hoe het verhaal over Simonetta di Saronno tot stand kwam: ‘Het idee voor De madonna van Saronno kwam van de legende van de alom geliefde likeur amaretto di Saronno, nu bekend als Disaronno Originale. Het verhaal gaat over een liefdesverhouding tussen een mooie weduwe (een waardin in de legende) en de kunstenaar Bernardino Luini, uit de school van Da Vinci.

Luini schilderde naar alle waarschijnlijkheid in 1525 de weduwe als de Maagd in de Sanctuariumkerk van Saronno, en zij bedacht amaretto voor hem als liefdesgeschenk. Hoewel dit verhaal de essentie van het boek vormt, moet duidelijk gesteld worden dat de amarettodrank die op deze pagina’s wordt genoemd verder geen verband houdt met de huidige Disaronno, noch wat de ingrediënten noch wat de productiemethode betreft. De geheimen van Disaronno Originale blijven vanzelfsprekend in bewaring bij de familie Reina uit Saronno. […]’

Een fragment uit De madonna van Saronno:

‘Simonetta had een fijne smaak, en had de heerlijkste wijnen geproefd vanaf het moment dat ze als baby een speen kreeg die was gedoopt in Venetiaanse marsala. Toen ze een getrouwde vrouw was, had Lorenzo haar kennis verbreed door haar bier en brandewijn, grappa en limoncello te laten proeven. Hun tafel was bijna bezweken onder de beste wijnen van Lombardije en omstreken; de Sassella en Grumello uit het Valtellina, de rode Valcalepio en witte Oltrepo Pavese. San Colombano uit Lodi en Chiaretto van de westoevers van het Gardameer. Ze wist wat de tong streelde en werkte daar nu naartoe.

De hele nacht werkte ze door, terwijl ze de monniken van de Grande Chartreuse aanriep., die hun groene brouwsel distilleerden in de naam van God. Ze was die nacht een zuster van de Arabische nomaden die in de woestijn hun sterke, zoete arak stookten. Steeds weer proefde ze, tot haar hoofd tolde en ten slotte haar zintuigen het begonnen te begeven. Haar ogen konden niet scherp meer zien, en haar gedachten gingen, als huiswaarts kerende druiven, naar Bernardino terug.

In haar verwarde toestand dacht ze dat het brouwsel dat ze maakte, voor hem was. Ze stopte alles wat in haar hart leefde in het drankje. Ze ging naar buiten en plukte ’s nachts in het geurige donker abrikozen van de leibomen, terwijl hun vruchtvlees nog warm was van de zon en hun velletje zo zacht als dat van een jong muisje. Abrikozen voor de zoetheid, de overstelpende zoetheid die ze had gevoeld toen hij haar die ene heftige keer had gekust.

Daarna voegde ze er uit een Chinese pot nog kruidnagelen aan toe, zo zwart als zijn haar, en eenmaal fijngestampt zo bitter als de herinnering aan zijn vertrek, de laatste keer toen hij zich van haar afwendde en wegreed in de richting van de heuvels. De spiralende schil van de groenste appel die onder het schillen over haar handen gleed als de slang van Eva, deed haar denken aan de gelukkige zondeval die haar in zijn armen had gedreven.

Maar de gele schil van een goudkleurige citroen beet in de sneetjes in haar knokkels, als afstraffing voor de vingers die het warme haar op zijn hoofd hadden vastgegrepen toen ze zijn gezicht naar zich toe had getrokken. Pas toen, toen liet ze zich helpen door de herinnering aan hem, toen ze bitter en zoet combineerde, de essentie van hun ontmoeting, wist ze dat het goed was.

Ze nam een grote slok van de drank die nu klaar was, terwijl ze snel met haar ganzenveer de precieze hoeveelheden en ingrediënten opschreef die ze had gebruikt. Ze zat te knikkebollen boven haar inktzwarte vingers, en toen haar voorhoofd de zachte bladzijden van het grootboek raakte, dacht ze dat ze een glas met hem deelde, lachend, ergens waar de zon hun huid tijdens het drinken verwarmde zoals ze wist dat nooit zou gebeuren.’

Bernardino Luini wordt inmiddels bewonderd als de beroemdste renaissancekunstenaar  van Lombardije. Hij wordt zelfs wel vergeleken met zijn leermeester, Leonardo da Vinci. In feite werd Bernardino’s aanwezigheid in het klooster van Sint Mauritius in Milaan zo geheim gehouden en was het werk daar met zoveel talent gemaakt, dat de fresco’s jarenlang aan Leonardo zelf zijn toegeschreven.

Fiorato: ‘Er is weinig bekend over Luini’s levensgeschiedenis, en ik heb me dan ook grote vrijheden veroorloofd met zijn levensverhaal, in het bijzonder wat betreft het ouderschap van zijn twee oudste zoons, Evangelista en Giovan Pietro. Zijn werk spreekt echter voor zich. Breng in elk geval een bezoek aan de mooie kerk Santa Maria dei Miracoli in Saronno, nu het Santuario Beata Vergine dei Miracoli geheten.

Als je Bernardo’s ware genie wilt zien, stap dan over de drempel van het Monastero San Maurizio (het vroegere Monastero Maggiore) in Milaan, waarvan de decoratie Luini’s belangrijkste kunstwerk is.’

Het verhaal dat Fiorato rondom Bernardino Luini en de madonna van Saronno bedacht, lees je in

De madonno van Saronno
Marina Fiorato
ISBN 9789047201090
€ 19,95
uitgeverij Artemis

preload preload preload