okt 19

In de Scuderie del Quirinale, de voormalige pauselijke paardenstallen boven op het Quirinaal, worden telkens weer interessante exposities gehouden, die enorm veel bezoekers trekken. Voor de meesterwerken van Caravaggio en later die van Lorenzo Lotto trokken tienduizenden toeristen van over de hele wereld naar Rome, en ook de Romeinen zelf trotseerden graag de lange rij om de schitterende overzichtstentoonstellingen te zien.

Nu worden de Florentijnse schilder Filippino Lippi en Sandro Botticelli vereerd met een grote tentoonstelling. De Scuderie veranderen even in het Florence ten tijde van de vijftiende eeuw, waar beide schilders woonden en werkten. Als bezoeker maak je een tocht door de ruim dertig jaar die de kunstenaars in de hoofdstad van de renaissance inspiratie opdeden en de meest unieke fresco’s en schilderingen vervaardigden.

Botticelli hebben we op Ciao tutti wel eerder voorbij zien komen, maar Lippi is in elk geval hier een vrij onbekende schilder. Toch heeft hij veel prachtige werken nagelaten, zoals deze tere Madonna, die je nu in heel Rome ziet opduiken aangezien dit schilderij is gekozen als aankondiging voor de tentoonstelling.

Filippino Lippi, Madonna in adorazione del Bambino, Galleria degli Uffizi Florence

Stefano Zuffi schrijft in De kunst van het kijken over Lippi: ‘Het grote belang van Filippino Lippi voor de Florentijnse kunst in de tweede helft van de vijftiende eeuw wordt langzaam maar zeker door kunstcritici en het publiek erkend. Hij was geen tweederangs figuur maar juist een hoogst origineel schilder met een grote expressie kracht.

Filippino was de zoon van twee kloosterlingen, Fra Filippo Lippi en Lucrezia Buti. Hij werkte van jongs af met zijn vader samen, en voltooide na diens dood de fresco’s in de Dom van Spoleto. In 1472 kwam hij naar Florence en sloot hij vriendschap met Botticelli. In hun jonge jaren hadden de twee schilders veel stilistische kenmerken gemeen, maar rond 1480 vond Filippino Lippi, terwijl hij het contact aanhield, zijn eigen plek in Florence.

In deze periode (rond 1485) voltooide hij de fresco’s van Masaccio en Masaolino in de Cappella Brancacci. In 1488 werd Filippino naar Rome gestuurd om er de Cappella Carafa in de Santa Maria sopra Minerva te beschilderen. Terug in Florence voelde de schilder scherp de crisis van het humanisme aan na de dood van Lorenzo il Magnifico (1492), ten tijde van Savonarola’s donderpreken. Hij drukte zijn bezorgdheid uit in schilderijen die overlopen van spanning en symboliek.’

Een van die schilderijen is het visioen van de heilige Bernardus, dat normaal gesproken te zien is in de Badia Fiorentina in Florence maar nu even naar Rome is verhuisd:

Dit schilderij maakte Lippi eigenlijk voor een kerk in de buurt van Florence, maar tijdens het beleg van de stad (1529) werd het kostbare doek in veiligheid gebracht in de Badia Fiorentina, waar het zich nog steeds bevindt. De opdrachtgever, Pietro del Pugliese, zie je – zoals gebruikelijk was voor die tijd – in de hoek rechtsonder afgebeeld.

Op een van de doeken van Botticelli dat nu in de Scuderie te zien is (maar normaal gesproken in de Galleria degli Uffizi hangt), zien we bijna de hele Medici-familie opduiken. Het schilderij, met als onderwerp de aanbidding van het kindje Jezus door de drie wijzen, herbergt niet alleen Lorenzi il Magnifico (rechtsonder, in een blauwe mantel en met het hoofd schuin), maar ook Cosimo il Vecchio (de wijze die geknield aan Maria’s voeten zit) en diens zoon Piero il Gottose (de man met de rode mantel in het midden van het doek).

De opdrachtgever van dit doek, Gaspare Zanobi del Lama, is wat minder nadrukkelijk aanwezig. Hij is de man rechts in het midden, met een lichtblauwe mantel, grijzend haar en een uitgestoken wijsvinger. Op de plek waar bij Lippi de opdrachtgever stond, zien we hier Botticelli in hoogsteigen persoon, in een goudkleurige mantel.

Er valt dus op zo’n schilderij veel meer te ontdekken dan je op het eerste gezicht zou denken. De tentoonstelling in de Scuderie neemt je dan ook echt even mee naar het Florence van weleer, niet alleen door de voorstellingen maar ook en vooral door de personen die her en der opduiken en je een idee geven van hoe het leven er toen moet hebben uitgezien. Een echte aanrader dus, tijdens je bezoek aan Rome.

De tentoonstelling is nog te zien tot en met 15 januari 2012. Meer informatie vind je op de website van de Scuderie, waar je ook meteen een kaartje voor deze Florentijnse belevenis kunt kopen.

jun 24

De beeldschone Venussen en Madonna’s die Botticelli schilderde, zijn waarschijnlijk portretten van de mooiste vrouw uit de geschiedenis van de stad: Simonetta Cattaneo de Vespucci (1453-1476). Niet alleen Botticelli viel voor de betovering van deze jonge schoonheid, heel Florence lag aan haar voeten, inclusief Lorenzo en Giuliano de’ Medici. Esther van Veen, auteur van de nieuwe Dominicus stedengids Florence, vertelt:

‘Simonetta Cattaneo groeide op aan de Ligurische kust. Ze kwam in Florence wonen nadat ze rond haar vijftiende in het huwelijk trad met de edelman Marco Vespucci, een verre neef van de beroemde zeevaarder Amerigo Vespucci. Net zoals het merendeel van de Florentijnse mannen én vrouwen, waren beide De’ Medici-telgen al snel onder de indruk van Simonetta’s haast etherische, engelachtige schoonheid.

Haar fijne, bleke gelaat werd namelijk omringd door een waterval aan goudblonde lokken die tot op de heupen vielen. Ze voldeed hiermee aan alle geldende schoonheidsidealen van die tijd.

De De’ Medici-broers streden allebei om haar gunst. Giuliano, die veel knapper en romantischer was dan Lorenzo, slaagde erin haar te veroveren. Ter ere van Simonetta organiseerde hij in 1475 een riddertoernooi, La Giostra genaamd, op het Piazza di Santa Croce. Hij had Botticelli een vaandel met Simonetta als Pallas Athena laten schilderen, waarop stond geschreven La Sans Pareille, oftewel ‘Zij die geen gelijke kent’.

Dat ze al getrouwd was, bleek geen probleem te zijn voor Giuliano. Voor Simonetta blijkbaar ook niet, want ze trok zelfs bij hem in, in het Palazzo Medici. Haar echtgenoot, die vernederd werd door haar publieke overspel, zou proberen zijn gezicht te redden door te beweren dat zo’n grote schoonheid publiek bezit was.

Na haar voortijdige dood in 1476 (ze stierf vóór haar vierentwintigste verjaardag aan de tering) was heel Florence in diepe rouw gedompeld. Duizenden Florentijnen namen deel aan haar rouwstoet, die naar de Ognissanti-kerk leidde, waar ze begraven werd.

Velen meenden dat de stad een deel van haar ziel was kwijt geraakt. Hierop ontstond een ware cultus, waarin Simonetta bijna als een Madonna werd vereerd. Botticelli bleef zijn muze de rest van zijn leven schilderen, zelfs toen ze al lange tijd dood was. Op zijn verzoek werd hij na zijn eigen dood (34 jaar later, in 1510) in dezelfde kerk ‘aan haar voeten’ begraven.

Ook andere kunstenaars droegen ontelbare schilderijen en gedichten aan haar schoonheid op. Lorenzo il Magnifico schreef zelfs zijn beroemdste dichtregels naar aanleiding van Simonetta’s dood:

Quant’ è bella giovinezza,
che si fugge tuttavia!
Chi vuol esser lieto sia,
di doman non c’è certezza.

Zoet en zalig is de jeugd,
maar kortstondig is haar vreugd!
Maak je los van alle zorgen:
niemand kent de dag van morgen.

(vertaling Frans van Dooren)

Simonetta staat ook op het fresco van de Madonna della Misericordia, dat Domenico Ghirlandaio schilderde in de Ognissanti kerk in Florence. Hierop is de hele familie Vespucci te zien, die beschermd wordt door de maagd Maria. Direct links van Maria knielt Amerigo Vespucci, Simonetta zie je onder Maria’s linkerhand (rechts op het fresco dus).’

Simonetta heeft overigens ook model gestaan voor Venus op Botticelli’s La Primavera. Over dit bijzondere schilderij en het spannende verhaal erachter gaat het nieuwste boek van Marina Fiorato, Het raadsel van Botticelli. Voor wie nieuwsgierig is naar dit verhaal; via deze link kun je alvast het voorproefje dat ik 30 april jl. gaf lezen. Een intrigerend verhaal over een intrigerende vrouw!

Meer verhalen van Esther van Veen lezen? De nieuwe Dominicus stedengids Florence, die in de week van 4 juli 2011 verschijnt, onthult alle geheimen van de hoofdstad van Toscane! Kijk voor meer informatie op www.florencestedengids.nl  

jun 01

De Maand van het Spannende Boek opent op Ciao tutti met Het Medici Mysterie, waarin de geheimen in en om de kunstwerken van de kunstenaars die door de De’ Medici werden begunstigd worden ontrafeld.

Na de controversiële publicatie van haar zoektocht naar het evangelie van Jezus Christus, Het Boek der Liefde, duikt journaliste Maureen Paschal opnieuw de geschiedenis in, omdat haar geliefde Berenger Sinclair een link blijkt te hebben met Lorenzo De’ Medici. In hun zoektocht ontrafelt Maureen de kunstwerken van de grote meesters en vrienden van de De’ Medici: Donatello, Botticelli en Michelangelo. Ze vindt aanwijzingen die verwijzen naar de legende van Longinus Gaius, de Romeinse soldaat die Jezus met zijn speer stak. Zou deze Romein, gedoemd om eeuwig te leven, iemand kunnen zijn die ze kent? Zou zijn beruchte Speer van het Lot, zelfs door Hitler gezocht, de sleutel kunnen zijn voor Berengers lot? Terwijl Maureen en Berenger haastig op zoek gaan naar antwoorden, worden ze achtervolgd door iemand die de eeuwenoude bloedvete voor altijd wil beëindigen.

Een fragment:

‘Antoninus Pius, keizer van het Romeinse Rijk, was geen slager. Hij was filosoof, een man van de wetenschap, en hij wilde niet de geschiedenis ingaan als een wrede, onverdraagzame tiran. Maar daar stond hij, letterlijk tot zijn enkels in het bloed van christelijke martelaren. Tijdens hun leven waren de vier broers prachtige jongemannen geweest. Maar hun gruwelijke dood, door zweepslagen en andere vormen van marteling, had hen veranderd in onherkenbare massa’s bloederig vlees.

Hun aanblik bezorgde Pius braakneigingen, maar hij mocht zich niet zwak tonen in het bijzijn van zijn onderdanen. Doorgaans was zijn houding tolerant tegenover de ergerlijke minderheid die zich christelijk noemde. Hij vond het zelfs stimulerend om in debat te gaan met diegenen onder hen die geschoold waren en zich redelijk opstelden.

Hoe merkwaardig hij hun overtuigingen ook vond – hun geloof in slechts één enkele Messias die was opgestaan uit de dood en die op enig moment naar de wereld zou terugkeren – het had er alle schijn van dat hun ideeën zich met ontmoedigende gestaagheid door heel Rome verspreidden. Een aantal Romeinse edelen had zich openlijk achter het christendom geschaard, en hun deelname aan christelijke rituelen werd door Pius en zijn regering getolereerd.

De groeiende sekte mocht zich ook verheugen in een grote populariteit onder de vrouwen in de hoogste kringen. Ongetwijfeld omdat vrouwen bij alle rituelen en ceremoniën werden betrokken en door de mannen als gelijken werden behandeld. Ze konden zelfs het ambt van priester bekleden in deze vreemde nieuwe wereld van het christelijke geloof.

De Romeinse priesters in hun tempels gewijd aan Jupiter en Saturnus, waren hevig verontwaardigd dat het de christenen werd toegestaan de goden te beledigen met hun belachelijke idee van één enkele godheid. Keizer Pius sloeg echter meestal geen acht op hun geweeklaag, met als gevolg dat het leven in Rome zich onder zijn bewind doorgaans in betrekkelijke vrede afspeelde. Alleen wanneer zich ontwikkelingen voordeden die zo afweken van de norm dat er levens in gevaar werden gebracht, of bij natuurrampen of soortgelijke tragedies, zagen de christenen zich geconfronteerd met dodelijke bedreigingen.

De Romeinse priesters, en met hen hun volgelingen, waren maar al te graag bereid om de christenen verantwoordelijk te stellen voor elk onheil waar Rome door werd getroffen. Want ze twijfelden er niet aan of de monotheïstische overtuiging van de christenen was dermate beledigend voor de ware goden van het rijk, dat onschuldige en oppassende burgers het slachtoffer werden van goddelijke vergelding.

In de debatten die hij had gevoerd, had keizer Pius ontdekt dat er twee soorten christenen waren: de fanatici met een verwilderde blik in hun ogen, die niet zelden maar al te gretig leken om te sterven en op die manier hun vroomheid te bewijzen; en de oprecht redelijke, barmhartige volgelingen, die zich inzetten voor de armen en de zieken, in plaats van zich te wijden aan prediking en het winnen van zieltjes. Pius gaf royaal de voorkeur aan die laatsten; ze waren waardevolle burgers die een positieve bijdrage leverden aan de gemeenschap waarbinnen ze functioneerden.

Deze christenen, die door Pius de Barmhartigen werden genoemd, vertelden met bezieling over hun Messias, over diens krachtige helende vermogens, en ze citeerden zijn wijze woorden over de noodzaak tot barmhartigheid. Maar ze spraken vooral hartstochtelijk over de macht van de liefde in al haar gedaanten.

Er waren in Rome zelfs christenen die beweerden rechtstreeks van hun Messias af te stammen, via de bloedlijn van zijn kinderen die zich in Europa hadden gevestigd. Degenen die zich daarop beriepen, waren dezelfde Barmhartigen die zich onvermoeibaar inzetten om het leed van de armen en de lijdenden te verzachten. Hun onbetwiste leider was Vrouwe Petronella, een beeldschone, charismatische edelvrouwe.

Ondanks het feit dat ze openlijk het christelijke geloof aanhing, was Petronella met haar rode haren, als dochter en erfgename van een van de oudste geslachten in de stad, geliefd bij het volk van Rome. Niet in de laatste plaats omdat ze het familiekapitaal genereus aanwendde voor het hoogste goed van het keizerrijk en omdat ze slechts naastenliefde en verdraagzaamheid predikte. Als Petronella en haar Barmhartigen de enige soort christenen in Rome waren geweest, zou het waarschijnlijk nooit tot de huidige, gruwelijke slachting zijn gekomen.

Met de groep christenen waar Pius naar verwees als de Fanatici, was het heel anders gesteld. In tegenstelling tot de Barmhartigen, die vol warmte en toewijding over hun Messias spraken en die hem zagen als hun grote leermeester op een spiritueel pad dat ze de Weg van de Liefde noemden, beleden de Fanatici met luide stem hun geloof in de enige ware God, die alle andere goden zou uitbannen en die op de Dag van het Laatste Oordeel een gruwelijk vonnis zou vellen over de ongelovigen.

Het was een vooruitzicht dat de Romeinen als diep kwetsend ervoeren. Tot overmaat van ramp maakten de Fanatici het allemaal nog kwetsender door hartstochtelijk te verkondigen dat het leven op aarde er niet toe deed; dat het slechts ging om het leven na dit leven. Een dergelijke filosofie, die stoelde op een abjecte minachting voor het geschenk van het leven waarvoor de goden de stervelingen hadden uitverkoren, was in de ogen van de Romeinse priesters en hun volgelingen de ultieme heiligschennis.

Behalve heiligschennis was een dergelijke overtuiging ook volstrekt onbegrijpelijk voor een cultuur die de zintuiglijke beleving vierde en omhelsde in talloze spirituele en seculiere feesten en rituelen. Voor de meeste Romeinen waren de Fanatici een raadsel, geboren uit waanzin; een groep die diende te worden gemeden, zelfs gevreesd.’

Het Medici Mysterie ontrafelen? Lees dan

Het Medici Mysterie
Kathleen McGowan
vertaald door Erica Feberwee
ISBN 9789022992975
€ 19,95
A.W. Bruna Uitgevers

Ciao tutti voor de tweede keer genomineerd voor de Travvies Award
Ja, je leest het goed, ik kreeg woensdag 25 mei het heuglijke nieuws dat Ciao tutti voor de tweede keer (!) genomineerd is voor de Travvies Reiswebsite Awards!

De Travvies Awards zijn een nieuwe websiteverkiezing, waarbij 99 geweldige reiswebsites meedingen naar een award. Er zijn zes verschillende categorieën. Ciao tutti is genomineerd in de categorie Reisverslagen. De Travvies Awards worden uitgereikt door StedenTripper.com.

Tot en met 7 juni kun je je stem uitbrengen (liefst op Ciao tutti natuurlijk) via http://www.stedentripper.com/travvies/

Grazie mille enne… zeg het voort!

Saskia

apr 30

De jonge, vrijgevochten Luciana, die als prostituee en als schildersmodel werkt, wordt door een van haar voornaamste klanten gevraagd om te poseren voor een bevriende schilder. Deze schilder blijkt niemand minder te zijn dan Sandro Botticelli, die graag wil dat Luciana poseert als de centrale figuur Flora op zijn beroemde schilderij La Primavera.

Wanneer de kunstenaar haar echter wegstuurt zonder haar te betalen, steelt Luciana in haar woede een niet-afgemaakte miniatuur, cartone genaamd, van het schilderij. Hiermee zet ze een reeks van gebeurtenissen in gang en binnen een paar uur nadat Luciana de miniatuur heeft meegesmokkeld zijn er drie moorden gepleegd. Wat kan er zo bijzonder zijn aan dit schilderij? Welk geheim gaat er achter het doek schuil?

Luciana richt zich tot een monnik die in het klooster van Sante Croce verblijft, en samen ontvluchten ze Florence. Om het raadsel van Botticelli’s La Primavera te ontcijferen, doen ze negen verschillende Italiaanse steden aan, elk met een eigen geheim…

Net als ik morgen zal doen, reizen Luciana en de monnik ook van Napels naar Rome, waar ze worden onthaald door de paus. Een fragment:

‘Toen we eindelijk door de poort Rome binnenreden, was ik stomverbaasd dat het zo massaal was. Kolossale vierkante gebouwen glansden als goud in de zon, groter dan ik ooit had gezien, niet in Florence en zelfs niet op het Veld der Wonderen in Pisa. Het was in de hondsdagen, de Hondsster stond hoog naast de zon en de zon scheen lang en tot laat in de avond, maar zelfs zij moest ten slotte het veld ruimen. Goud werd zilver wanneer het licht boven Rome afnam en het langzaam donker werd. De paleizen, stadsgebouwen, kastelen en kerken veranderden langzaam zoals een opaal van kleur, alsof ze het decor vormden van een sprookje. Rome was een unieke stad, de verblijfplaats van prinsen.

Die indruk werd bevestigd toen we aankwamen bij Castel Sant’ Angelo – een enorme bruidstaart met kantelen van terracotta bakstenen, een rode pion in ons schaakspel. Op de oever van de traag stromende rivier leek het gebouw eerder op een vesting dan op een kasteel, maar onze kamers waren weelderig ingericht en we werden hartelijk ontvangen. Ons reisgezelschap kreeg de hele bovenste verdieping toegewezen, en in onze eigen eetzaal aten en dronken we in stijl. Na de maaltijd gingen broeder Guido en ik een eindje wandelen, allebei – zonder het uit te spreken – op zoek naar een plek om even alleen te zijn.

We hadden onderweg heel af en toe met elkaar kunnen praten, maar de vrouwen waren gescheiden van de mannen ondergebracht en broeder Guido en ik hadden alleen in het koninklijke rijtuig, in het bijzijn van de koning en de koningin, gelegenheid gehad om met elkaar te praten. We hadden af en toe fluisterend een gesprekje gevoerd, maar het woord ‘primavera’ niet durven noemen. En de laatste paar dagen, toen we hadden gehoord dat de paus ons had uitgenodigd in zijn kasteel en ons een audiëntie had beloofd, had broeder Guido alleen nog maar opgewonden kunnen fluisteren over zijn komende ontmoeting met de kerkvader. Hij bad zo veel dat ik bang was dat zijn tong uit zijn mond zou vallen, en hij knielde bij elke wegkapel tot ik dacht dat zijn knieën tot op het bot zouden slijten. Ook was ik bang geweest dat Don Ferrante argwaan zou krijgen, omdat ik niet dacht dat Niccolò della Torre bekend zou staan als een devote gelovige.

Elke keer als mijn vriend weer in het rijtuig was gestapt, had ik hem er met gebaren en een strenge blik aan herinnerd dat hij zijn rol moest spelen. Ik had onkuis tegen hem aan gehangen, mijn tieten in zijn gezicht gedrukt en vermaningen in zijn oor gefluisterd alsof het geen zure, maar zoete woordjes waren. (Ik moet bekennen dat ik wat dat betreft mijn gevoelens had laten spreken, voor zover dat mogelijk was.) Ten slotte was hij zich weer iets beter gaan gedragen, maar ik had wel gemerkt dat hij, toen we dichter bij de stad kwamen, in alle staten van religieuze opwinding was. Ik was ook opgewonden, maar dat was omdat ik hoopte dat we eindelijk weer eens over het schilderij konden praten en ik zou horen waarom Rome ook een onderdeel van het raadsel was.

Tijdens onze passeggiata die avond vonden we een perfecte plek voor een gesprek: het hoogste kanteel, bemand door twee angstaanjagende, heen en weer lopende schildwachten. Ze stelden geen vragen en wilden niet weten wat we daar kwamen doen, en ik nam aan dat hun was verteld wie de gasten waren en dat ze eraan waren gewend dat die gasten ’s avonds naar buiten kwamen om het uitzicht te bewonderen. Ten slotte draaide ik het uitzicht mijn rug toe, zoals ik ook op de berg in Fiesole had gedaan, om eindelijk ter zake te komen.’

Of Luciana en Guido, de monnik, in Rome een stapje dichter bij de oplossing van het raadsel van Botticelli komen, lees je in

 

Het raadsel van Botticelli
Marina Fiorato
ISBN 9789047201892
€ 19,95
uitgeverij Artemis & co

Via deze link kun je alvast de booktrailer bekijken, die je als het ware meezuigt in het schilderij van Botticelli!

Het raadsel van Botticelli winnen?
Ciao tutti mag van uitgeverij Artemis drie exemplaren van Het raadsel van Botticelli weggeven. Wil je kans maken op dit heerlijke boek, stuur dan voor 15 mei een mail met je naam en adres naar winnen@ciaotutti.nl.

aug 09

Wanneer ik over de Albert Cuyp loop en de geur van verse aardbeien me naar elke fruitkraam trekt, weet ik dat de zomer niet lang meer op zich laat wachten. Als dan de Italiaanse ijsverkopers terugkeren uit hun dorp in de bergen, waarnaar ze elk jaar in oktober terugreizen, weet ik het zeker: het is zomer!

Inmiddels is het alweer heel wat weken geleden dat ik de eerste aardbeien proefde en dat de rolluiken van de ijscoman om de hoek elke ochtend knarsend omhoog worden getakeld. In de tussentijd zijn er al heel wat bakjes aardbeien verorberd en ijssmaken geproefd. Daarom deze week op Ciao tutti een ijsspecial: elke dag een artikel over ijs.

We beginnen vandaag in het Italiaans (met onderaan dit artikel een verklarend woordenlijstje)! In het zomernummer van Italië Magazine neemt Daniela Ditvoorst-Falsetta een kijkje in de Italiaanse gelaterie.

‘Gli italiani mangiano tantissimo gelato, circa 15 chili all’anno. Per acquistarlo si va nella gelateria più buona in città. Sì, ma quale? Le gelaterie artigianali in Italia sono 32419! Per non parlare del numero dei gusti. Sono ormai oltre 600 gusti di gelato censiti in Italia. Ma nonostante la diversità dell’offerta, secondo un sondaggio, i preferiti restano i gusti classici: cioccolato (27%), nocciola (20%), limone (13%)< fragola (12%), crema (10%), stracciatella (9%) e pistacchio (8%). Io personalmente li preferisco tutti e voi, quale preferite?

L’arte gelatiera influenza acnhe le cucine degli chef più raffinati. Grazie alla collaborazione tra cuochi e gelaterie, il gelato non è più solamente un dessert ma un ingrediente fresco che accompagna carne e pesce. Sostanzialmente può essere abbinato a qualsiasi portata, dall’antipasto al secondo piatto. Per esempio, che ne direste di una tartare di scampi freschi con gelato di gambero o acciughe marinate?

Sono all’avanguardia anche il gusto al parmigiano, all’aceto balsamico, al carciofo, ai peperoni, alle olive e alla cipolla rossa. Quest’ultimo l’ho assaggiato personalmente a Tropea, in Calabria. Volete sapere che sapore aveva? Ma di cipolla rossa naturalmente!

Comunque, che sia dolce o salato, il gelato artigianale è sempre buono. E per quest’estate, qualunque sia il vostro gusto preferito: buon gelato a tutti!’

censiti geteld
sondaggio enquête
nocciola hazelnoot
fragola aardbei
gelatieri ijsmakers
abbinato a gecombineerd met
gambero garnaal
acciughe ansjovisjes
sono all’avanguardia ze lopen voorop
carciofo artisjok

 

Nu moet ik eerlijk zeggen dat het water mij nog niet in de mond loopt bij de gedachte aan ijs van rode uien. Ik houd het liever bij onze zomerkoninkjes. Ook deze zijn in het zomerse nummer van Italië Magazine aanwezig:

‘In Nemi, een lieflijk dorpje in de buurt van Rome, worden de eerste aardbeien van het jaar gevierd met een heus aardbeienfeest op de eerste zondag van juni. De fragolare, boerinnen gespecialiseerd in de aardbeienteelt, lopen dan in processie door de straten in hun klederdracht: rode rok, zwart vest, witte blouse, gevouwen hoofddoek. De fragolare waren vroeger ook in Rome aanwezig voor het feest aldaar op 13 juni, een feest waar aardbeien, die gratis onder de aanwezigen werden uitgedeeld, de hoofdrol speelden. In Rome stopte dit feest in 1870, maar in Nemi ging het vrolijk door.

In Sicilië, tussen de dorpen Sciacca e Ribera, heeft men zich gespecialiseerd in een soort bosaardbeitje dat ook door Slow Food wordt beschermd, de fragolina di Ribera. Door het verdwijnen van de seizoenen en het continue aanbod van aardbeien het hele jaar door is deze soort een soort bijproduct van kleine agrarische bedrijven geworden. Hij wordt traditioneel gebruikt om jams, geleien, diksap en natuurlijk ijsjes van te maken. Houd ze in de gaten als je naar Sicilië gaat, want als je ze eenmaal hebt geproefd, wil je niks anders meer,’ aldus Barbara Summa.

Ze geeft ook het recept voor fragole al limone (aardbeien in citroensap), een klassieker in Italië!

Ingrediënten:
aardbeien, gewassen en in stukjes gesneden
suiker naar smaak
citroensap naar smaak

Was de aardbeien, verwijder het kroontje en snijd de grotere aardbeien in kleinere stukjes. Breng de aardbeien op smaak met suiker en citroensap. Laat ze marineren. Als je ze een tijdje laat staan vormt zich vanzelf een zoete siroop, die eigenlijk het lekkerst is. Serveer de aardbeien in citroensap met vanille-ijs.

Heerlijk om van te genieten tijdens het lezen van de andere artikelen in Italië Magazine, onder andere over Pantelleria, het magische eiland tussen Sicilië en Afrika, over de kunst van Botticelli, over de historie van de Ape (het vrachtwagentje op drie wielen dat in Italië op elke hoek van de straat opduikt) en over fietsen langs de Tiber in Umbrië. Genieten!

Getagd met:
mei 28

ARS VITINAM MORES
ANINUMQUE EFFINGERE
POSSES PULCHRIOR IN TER
RIS NULLA TABELLA FORET

Zo luidt de tekst op het cartellino op de achtergrond van dit schilderij. Het is een variatie op de slotregels van een epigram van Martialis, die zich in net zulke bewoordingen uitliet over een jeugdportret van Marcus Antonius Primus. De woorden vormen, net als het lieftallige portret, een compliment voor het jonge meisje: ‘O kunst, als jij de zeden en de geest zou kunnen uitbeelden, dan zou er op aarde geen mooier schilderij te vinden zijn.’

Het meisje dat op dit schilderij is afgebeeld is de jonge Giovanna degli Albizzi. In 1486 trouwde zij in Florence met Lorenzo Tornabuoni. Hun huwelijk was voor de kunstenaars in Florence de perfecte aanleiding om de prachtigste kunstwerken te vervaardigen. Lorenzo en Giovanna kwamen dan ook uit twee rijke, invloedrijke families in Florence. Nieuwsgierig naar hoe een bruiloftsfeest er in die tijd uitzag?

Dat was Gert Jan van der Sman, onderzoeker bij het NIKI (het Nederlands Interuniversitair Kunsthistorisch Instituut in Florence) ook. Hij heeft dan ook jarenlang in allerlei archieven gespit naar documenten over Lorenzo en Giovanna. Wat voor cadeaus kregen ze op hun bruiloft? Wie waren de gasten? En hoe was hun leven na dit grootse huwelijk?

In Lorenzo & Giovanna – Schoonheid en noodlot in Florence vertelt hij het verhaal van de twee jonge geliefden, aan de hand van de tientallen schilderijen, fresco’s en voorwerpen waarmee ze zich hadden omringd. De jonge Lorenzo was bijvoorbeeld al afgebeeld in de Sixtijnse Kapel in Rome. De twee geliefden duiken vervolgens ook op in het werk van grote schilders als Ghirlandaio en Botticelli. En toen Giovanna twee jaar na het huwelijk overleed, bleef zij een geliefd onderwerp voor de Florentijnse kunstenaars.

Van der Sman verzamelde tevens een groot aantal gedichten die met de verbintenis van de twee jonge Florentijnen te maken hebben. ‘Ik was al lang van plan iets te doen met het werk van Botticelli in het Louvre. Er kwam steeds meer informatie boven over deze Giovanna en haar bruidegom, Lorenzo. In mijn boek wil ik vooral laten zien hoe kunst betekenis krijgt tegen de achtergrond van deze twee mensenlevens,’ aldus Gert Jan van der Sman.

Lorenzo werd uiteindelijk in 1497 ter dood veroordeeld, als speelbal in een politiek complot. Maar toen had hij, net als zijn echtgenote, zijn sporen in de kunstgeschiedenis al nagelaten. In musea verspreid over de wereld is het jonge stel, samen of apart, te zien.

Gert Jan van der Sman: ‘Waar kunst en geschiedenis elkaar raken, ontstaat een verhaal. Dikwijls heeft de tijd alle sporen uitgewist die doen begrijpen onder welke omstandigheden een kunstwerk tot stand kwam. Vaker nog blijft het bij flarden informatie die nauwelijks tot een samenhangend geheel kunnen worden gevoegd. Over de ontstaansgeschiedenis van bijvoorbeeld de Mona Lisa wordt om die reden onophoudelijk gespeculeerd. Voor Domenico Ghirlandaio’s Portret van Giovanna degli Albizzi ligt de situatie echter anders. Geen ander vrouwenportret uit de renaissance blijkt beter gedocumenteerd te zijn.

Het schilderij kreeg een ereplaats in een van de privévertrekken van Giovanna’s echtgenoot, de welgestelde bankierszoon Lorenzo Tornabuoni. Diens initiaal – een gestileerde L – is op schouderhoogte verwerkt in de jurk van goudbrokaat. […]

Onvermijdelijk waaiert de analyse van het kunstwerk naar verschillende richtingen uit. Giovanna’s portret verwijst naar menselijke relaties, handelingen en rituelen, alle te situeren binnen de rijke geschiedenis van Florence tijdens de laatste decennia van de vijftiende eeuw. Mijn boek stelt de levens van Giovanna en Lorenzo op de voorgrond. Twee opmerkelijke levens, waarin schoonheidszin besloten lag, maar die ook gekenmerkt werden door persoonlijke tragedie – tegen de achtergrond van de uiterst turbulente machtsstrijd in Florence.’

Lorenzo & Giovanna – Schoonheid en noodlot in Florence
Lorenzo & Giovanna vertelt het verhaal van de welgestelde bankierszoon Lorenzo Tornabuoni (1468-1497) en zijn vrouw Giovanna degli Albizzi (1468-1488), beiden afkomstig uit aanzienlijke invloedrijke Florentijnse geslachten. Lorenzo Tornabuoni was een veelzijdig getalenteerde neef van Lorenzo De’ Medici, de machtigste man van Florence. Giovanna was een van de knapste dochters van de welvarende patriciër Maso di Luca degli Albizzi. Hun huwelijk in 1486 werd zó uitbundig gevierd, dat er honderd jaar later nóg over geschreven werd.

De auteur ontdekte ongepubliceerde (ego)documenten die ons vertellen over de dagelijkse leefwereld van het jonge echtpaar. Vanwege hun sterke banden met de Medici-familie maakten beide hoofdpersonen de glorie en turbulenties van de Florentijnense renaissance van dichtbij mee. De schijnbare tegenstellingen van de Italiaanse renaissancecultuur worden goed zichtbaar: een hoogstaand geestesleven en een verfijnd esthetisch gevoel gaan ongehinderd samen met maatschappelijke zelfverheffing en list. Alles werd met dezelfde hartstocht beleden.

Meer dan twintig kunstwerken van wereldberoemde kunstenaars als Botticelli en Ghirlandaio kunnen met beide personen in verband worden gebracht en zijn in dit boek in kleur afgebeeld. De auteur heeft de levensverhalen van deze welvarende en getalenteerde Florentijnen opgetekend. Hij laat zien hoe de kunstwerken vervlochten waren met hun leven, waarin momenten van glorie en tegenspoed elkaar voortdurend afwisselden en dat voor beide echtelieden veel te vroeg een dramatisch einde kende.

mei 19

De Galleria degli Uffizi heeft ontelbaar veel kunstwerken in haar collectie waarbij de hoofdrol is weggelegd voor Venus, de godin van de Schoonheid. Op het schilderij dat ik gisteren besprak, The Tribuna of the Uffizi van Johann Zoffany, zie je vooraan een van de beroemdste werken waarop Venus staat afgebeeld, de Venus van Urbino van Titiaan.

Het schilderij is op het doek van Zoffany een beetje een vreemde eend in de bijt, aangezien het in die tijd in Florence nog niet zo gewoon was om een vrouw zo open en bloot af te beelden, zonder enige bedekking en zonder een belangrijke context. De Venus van Urbino wordt dan ook beschouwd als één van de eerste schilderijen uit de moderne tijd die open en bloot het sensuele lichaam van de vrouw huldigden. De jonge vrouw die Titiaan heeft uitgekozen om model te staan, lijkt zich niet te generen. Ze geeft zich helemaal bloot en zoekt zelfs oogcontact met de toeschouwer.

Bijna dertig jaar voordat Titiaan de Venus van Urbino schilderde, kreeg hij van zijn leermeester Giorgione de opdracht diens Slapende Venus te voltooien. Hoewel de schilderijen wel enkele overeenkomsten tonen, is het beeld van de godin dat Titiaan weet te schetsen veel wereldser en wulpser. De jonge vrouw is nauwelijks nog te herkennen als de mythologische Venus-figuur – ze is eerder een minnares die haar geliefde met haar zwoele blik naar het bed probeert te lokken.

Hoe valt het dan te verklaren dat het hier volgens de titel toch echt om Venus gaat? Eerlijk gezegd bestaat er geen gegronde verklaring. De titel lijkt namelijk niet door Titiaan zelf aan het werk te zijn gegeven. Toen deze de opdracht voor het doek van Guidobaldo della Rovere, de hertog van Urbino, kreeg, spraken beide heren steeds over ‘dat schilderij met het naakt’. De naam Venus van Urbino werd pas veel later, om precies te zijn in 1568, door Giorgio Vasari aan het werk gegeven – wie weet wel omdat Vasari zelf helemaal ondersteboven raakte van de zwoele, uitdagende blik van het meisje.

Die uitdagende blik staat wel in zeer groot contrast tot de blik van misschien wel de bekendste Venus ter wereld, die weliswaar niet op het schilderij van Zoffany te zien is maar waarvoor elk jaar opnieuw duizenden mensen naar Florence afreizen: de Venus van Botticelli. Op het doek De geboorte van Venus spoelt ze, staand in een schelp, aan op het eiland Cyprus om de menselijke liefde op aarde te brengen. Zephyr, de god van de Wind, blaast haar naar de kust, terwijl Flora, de godin van de Lente, haar een mantel aanreikt, zodat ze niet ontbloot aan land hoeft te gaan.

In de tijd van Botticelli stond Venus symbool voor méér dan alleen de godin die de mens het geschenk van de menselijke liefde kwam brengen. Volgens Marsilio Ficino, humanistisch filosoof en auteur van De Amore (‘Over de liefde’), belichaamt Botticelli’s Venus ook de hemelse liefde, het verlangen naar het goddelijke schone en goede. Maar niet alleen Venus wekt deze liefde op, ook de schoonheid van het kunstwerk zelf brengt heimwee naar het schone teweeg. Botticelli weet als geen ander de subtiele schoonheid van Venus te vangen – maar tegelijkertijd straalt haar schoonheid als het ware af op een ieder die zijn kunstwerk aandachtig bekijkt.

Botticelli’s Venus zou overigens een portret zijn van de zestienjarige Simonetta Vespucci, een van de mooiste meisjes van Florence in de tijd dat Botticelli het doek schilderde (rond 1484). Ze was de minnares van Giuliano de’ Medici. Zelf heeft ze haar geschilderde schoonheid niet lang kunnen bewonderen; ze overleed op achttienjarige leeftijd aan tuberculose.

Botticelli baseerde de houding van ‘zijn’ Venus op de Medici Venus, de marmeren sculptuur die op het schilderij van Zoffany uiterst rechts te zien is. Deze Venus werd in 1618 in de Villa Hadriana bij Tivoli gevonden. Kardinaal Ferdinando de’ Medici was zo verrukt van het beeld, dat hij niets liever wilde dan het elke dag bekijken. Hij kocht het in eerste instantie voor zijn villa in Rome. Nadat het beeld in de Vaticaanse musea was beland, werd het door Napoleon ‘ontvoerd’. De Medici Venus bracht enige tijd door in het Louvre in Parijs, maar gelukkig kon ze in 1815 weer naar haar Florentijnse thuis terugkeren.

Door alle reizen heeft het beeld gelukkig niet aan schoonheid ingeboet. Ook nu nog vormt deze Venus een hoogtepunt van een bezoek aan de Galleria degli Uffizi, net als het voor de vele reizigers die in de achttiende eeuw een rondreis door Italië maakten hét hoogtepunt van hun kennismaking met de Italiaanse kunstschatten vormde. De Medici Venus bevindt zich trouwens, als een van de weinige werken die op het schilderij van Zoffany te zien zijn, nog steeds in de Tribuna.

Sarah Dunant brengt de hoogtijdagen van de kunst in Florence op een bijzondere manier tot leven in De geboorte van Venus – Liefde en dood in Florence.

‘Wanneer ik er nu op terugkijk, zie ik het eerder als trots dan als vriendelijkheid dat mijn vader dat voorjaar die jonge schilder mee terugbracht uit het noorden. De kapel in ons palazzo was niet zo lang daarvoor gereedgekomen, en al enige maanden was hij op zoek geweest naar het juiste paar handen voor de altaarfresco’s. Niet dat Florence zelf over onvoldoende schilders beschikte. De stad was vervuld van de geur van verf en van het krassen van inkt op de contracten. Het kwam voor dat je niet op straat kon lopen uit vrees in een of andere modderkuil van bouwwerken te vallen. Iedereen die geld bezat, wilde niets liever dan God en de republiek eren door mogelijkheden te creeren voor kunst. Wat ik zelfs nu al hoor beschrijven als een Gouden Eeuw was destijds gewoon de mode van die tijd. Maar ik was toen nog jong, en als tal van anderen begoocheld door al die feestelijkheid.’

Alessandra is nog maar vijftien als haar vader een jonge mysterieuze schilder in huis haalt om de familiekapel te beschilderen. Alessandra, die heimelijk haar hart heeft verpand aan de schilderkunst, is opgetogen. Ze probeert zoveel als ze maar kan iets van de fascinerende vreemdeling op te steken. Al gauw neemt hij haar gedachten en gevoelens volledig in beslag. Maar naar oud gebruik wordt Alessandra niet lang daarna uitgehuwelijkt. Wanneer ze ontdekt dat haar echtgenoot haar ontrouw is, is in eerste instantie haar hart gebroken en zinkt ze weg in een diepe depressie. Ze ziet echter al snel in dat de huwelijkse staat haar ook een onverwachte vrijheid te bieden heeft: ze kan haar oude passie, het schilderen, weer oppakken. Zo ontmoet ze opnieuw de schilder uit haar jeugd… Verleidelijk leesvoer!

Getagd met:
mrt 21

Gisteren is de lente begonnen, oftewel la primavera! Daarom vandaag de drie mooiste Italiaanse primavera’s!

La Primavera I
La Primavera is voor de Italianen niet alleen de aanduiding van de lente, het is ook de bijnaam van de eerste grote klassieker van het wielerseizoen: Milaan – San Remo. Vroeger werd deze wedstrijd gereden op 19 maart, de feestdag van San Giuseppe, maar tegenwoordig starten de renners op de zaterdag die het dichtst bij 19 maart ligt. Sommige wielrenfans spreken overigens niet van La Primavera, maar van La prima vera, de eerste échte wielerwedstrijd van het jaar.

La Primavera II
La Primavera is ook de naam van een van de bekendste schilderijen van Sandro Botticelli. Botticelli werd als Alessandro Filipepi geboren in de wijk Ognissanti in Florence. Uit de kunstenaarsbiografie Le Vite van Giorgio Vasari weten we dat Botticelli eerst in dienst trad bij zijn oudste broer Giovanni, een goudsmid. Vanwege zijn enorme omvang werd deze broer ‘il botticello’ (het vaatje) genoemd. Al snel ging deze bijnaam ook op Alessandro over, die sindsdien nauwelijks nog bekend is onder zijn eigen naam. Bij wie Botticelli daarna in de leer ging is onduidelijk; het vermoeden bestaat dat hij zich bij Fra Filippo Lippi meldde, maar ook Andrea del Verrocchio wordt wel genoemd als leermeester van de jonge Botticelli. In het laatste geval zouden Leonardo da Vinci en Botticelli een tijdje samen gestudeerd en gewerkt hebben.

In 1470 opende Botticelli zijn eigen studio in Florence, maar al snel probeerde hij, zoals veel schilders in die tijd, in Rome werk te vinden. Hoewel hij enkele fresco’s in de Sixtijnse Kapel heeft geschilderd, slaagde hij er niet in een bestaan op te bouwen in de eeuwige stad. Hij keerde dan ook terug naar Florence, waar hij rond 1478 begon aan La Primavera. Botticelli schilderde deze lieflijke voorstelling in opdracht van Lorenzo di Pier Francesco de’ Medici (een achterneef van Lorenzo Il Magnifico), ter gelegenheid van zijn huwelijk met Semiramis d’Appiano. Het schilderij hing dan ook eerst lange tijd in de slaapkamer van het paar in het Palazzo Medici (aan de huidige Via Cavour in Florence). Leuk om te weten is dat het schilderij op twee meter hoogte heeft gehangen; vandaar dat je de onderkant van de voet van een van de gratiën kunt zien. Daarna is het doek eeuwenlang in de vergetelheid geraakt. Pas halverwege de negentiende eeuw is La Primavera naar de Galleria degli Uffizi verhuisd, waar het sindsdien door drommen bezoekers wordt bewonderd.

La Primavera is bovenal een allegorie op het begin van de lente. Botticelli heeft bijna tweehonderd verschillende soorten bloemen afgebeeld die in de lente in de heuvels rondom Florence bloeien. Wel heeft hij enige artistieke vrijheid genomen door allerlei bloemen te schilderen die onmogelijk in de lente kunnen bloeien. Ook sinaasappels groeien eigenlijk natuurlijk in een andere tijd van het jaar.

Helemaal links staat Mercurius, te herkennen aan zijn gevleugelde schoenen en aan de staf met twee slangen. Hij jaagt de grijze winterwolken uit beeld. Daarnaast zien we de drie gratiën. In het midden straalt de godin van de Schoonheid, Venus, met boven haar hoofd een geblinddoekte Cupido die op het punt staat een liefdespijl af te schieten. Rechts van Venus staat de lentegodin Flora, met aan haar zijde de nimf Chloris en Zephyr, de god van de Wind. Chloris en Zephyr zijn overigens ook afgebeeld op een ander bekend schilderij van Botticelli, de Geboorte van Venus.

Botticelli liet zich voor beide schilderijen inspireren door verzen van zijn vriend Angelo Poliziano, die eveneens bevriend was met de Medici. Voor en tijdens het schilderen van La Primavera las hij ook veel verzen van Ovidius en Lucretius. Toch valt de betekenis van dit meesterwerk daarmee niet gemakkelijker te duiden. Er zit zo veel symboliek in verborgen (niet alleen qua gekozen figuren en hun positie, maar ook in de soorten bloemen en fruit die Botticelli geschilderd heeft) dat een diepgaande studie hier veel te ver voert. Wel zeker is dat het schilderij als een keerpunt in de kunstgeschiedenis wordt beschouwd, aangezien het een van de eerste niet-religieuze schilderijen is sinds de Griekse en Romeinse tijd. Wie wil weten waarom precies, kan zijn hart ophalen met Barbara Deimlings Botticelli.

La Primavera III
Nog een bijzondere primavera is van de hand van Giuseppe Arcimboldo. Arcimboldo is vooral beroemd geworden om zijn teste composte, compositieportretten. Deze stelde hij samen uit losse voorwerpen uit het alledaagse leven, zoals bloemen, fruit of boeken. La Primavera maakt deel uit van een reeks met de vier jaargetijden in de hoofdrol. L’Estate (de zomer) is samengesteld uit graan, vruchten en komkommers; L’Autonno (de herfst) uit appels, paddenstoelen, druiven en peren en L’Inverno (de winter) uit knoestige wortels, klimop en citrusvruchten. Voor La Primavera koos Arcimboldo veel bloemen en lentekruiden. Wie deze echte primavera wil zien, moet overigens naar Parijs, want alle jaargetijden hangen gezamenlijk in het Louvre.

Getagd met:
preload preload preload