nov 10

Het bekendste schilderij van Da Vinci is de Mona Lisa, die haar thuis heeft in het Louvre in Parijs. Dit misschien wel beroemdste schilderij ter wereld wordt in het recent verschenen Stil leven – door de westerse kunstgeschiedenis in 26 stappen door Ted van Lieshout ook voor jonge kunstliefhebbers toegelicht.

Van Lieshout doet dit op een unieke manier. Hij vergelijkt namelijk steeds twee kunstwerken met elkaar, en dat op zo’n manier dat er zelfs voor de meest ongeoefende kijker nog iets bijzonders te ontdekken valt. Hij zet de lezer echt aan tot kijken, en terwijl hij dat doet maakt hij bijna achteloos begrippen als compositie en stijl inzichtelijk. Hij vertelt over de techniek die de schilder heeft gebruikt en geeft zijn mening over het gekozen onderwerp, maar bovenal stimuleert hij de jonge kunstkijkers een eigen mening te vormen.

De Mona Lisa van Da Vinci heeft Van Lieshout naast Naakt dat de trap afdaalt van Marcel Duchamp gezet. Op het eerste gezicht misschien een vreemde vergelijking, maar gelukkig verklaart Van Lieshout zijn keuze in het begeleidende stuk tekst. Duchamp schilderde namelijk ooit een snor en een baardje op een foto van de Mona Lisa, en een nieuw kunstwerk was geboren. Maar Duchamp was nog niet uitgegrapt: na deze besnorde Mona Lisa volgde een foto van de originele Mona Lisa, door Duchamp Mona Lisa geschoren genoemd.

Terug naar Da Vinci’s Mona Lisa. Ted van Lieshout vertelt hierover het volgende: ‘De echte Mona Lisa, dus zonder snor en sik, en ook niet geschoren, werd tussen 1503 en 1506 geschilderd door Leonardo da Vinci. Het is het beroemdste portret dat bestaat, vooral door de geheimzinnige glimlach. Niemand weet waarom ze glimlacht. Misschien had ze wel gewoon rotte tanden. Ik vind het zelf trouwens veel gekker dat ze geen wenkbrauwen heeft, maar daar hoor je nooit iemand over.

De Italiaanse Da Vinci had talent voor ongeveer alles. Hij was niet alleen tekenaar, schilder, beeldhouwer, architect en zanger (dat was ook voor mij nieuw, SB), maar ook uitvinder. Zijn nieuwsgierigheid was zo groot, dat hij zelfs lijken van binnen en van buiten ging tekenen omdat hij wilde weten hoe een mens ‘werkt’. Of hij dat eng vond weet ik niet, maar hij vond dat het nodig was. En dat was ook zo, want veel van wat de doktoren van toen over het menselijk lichaam beweerden, bleek onwaar te zijn. Dat bewees Da Vinci.

Ook schreef Da Vinci duizenden schitterende bladzijden vol met ideeën en tekende daarbij. Bijvoorbeeld hoe vogels vliegen en hoe dat moest leiden tot de uitvinding van een vliegtuig. Hij bedacht zelfs het principe van de camera, maar ja, tijd om die uitvindingen écht uit te werken, had hij niet. Te veel dingen om te doen. Hij had er een eenvoudige verklaring voor om uit te leggen waarom hij zo weinig afmaakte: Een kunstenaar als ik denkt dingen uit. Als ik die dingen vervolgens met mijn eigen handen moet maken, dan heb ik geen tijd om iets nieuws uit te denken.’

Marcel Duchamp beweerde overigens dat er een man model heeft gezeten voor de Mona Lisa, anderen beweren dat het een portret van Da Vinci zelf is. de gelijkenis is er in elk geval, maar of het echt waar is zullen we echter nooit weten…

Gelukkig nam Da Vinci de tijd om steeds iets nieuws te bedenken en heeft hij een enorme hoeveelheid werken achtergelaten. Morgen bekijken we een van zijn grootste werken in Florence, in het Palazzo Vecchio. Maar met dit boek in huis kun je op elk gewenst moment naar heel veel musea ter wereld – het is een inspirerende reis door de geschiedenis van de kunst, verfrissend en zeker ook voor volwassenen meer dan de moeite waard!

Stil leven – door de westerse kunstgeschiedenis in 26 stappen
Ted van Lieshout
ISBN 9789025749774
€ 14,95
uitgeverij Gottmer

okt 05

Vandaag gaat de Kinderboekenweek van start, die dit jaar in het teken van superhelden staat. Helden met een hoofdletter H dus. Een superheld hoeft niet iemand met bijzondere krachten te zijn, ook een ogenschijnlijk kleine daad kan iemand tot een grote held maken, zoals de dieren in de verhalen van Toon Tellegen, die met kleine daden zichzelf onsterfelijk maken.

In de kinderliteratuur zijn veel grote en kleine helden te vinden. Naast bewerkingen van klassieke heldenverhalen over bijvoorbeeld Odysseus, worden ook nieuwe helden gecreëerd. Zoals Billo, de hoofdpersoon in Zeven kleine criminelen, de nieuwe roman van de Italiaanse auteur Christian Frascella.

Voordat Christian Frascella (Turijn, 1973) ging schrijven, werkte hij onder andere in een fabriek en een callcenter. Zijn debuut Ik ben de sterkste werd in Italië in 2009 bekroond met de Premio John Fante, de Premio Viareggio en de Premio Zocca. De filmrechten zijn inmiddels verkocht.

Ook in Nederland werd Ik ben de sterkste zeer lovend ontvangen. Frascella ontving samen met vertaalster Henrieke Herber de prestigieuze Dioraphte Jongerenliteratuur Prijs 2011.

Zeven kleine criminelen is zijn tweede boek, dat gaat over zeven twaalfjarige jongens die op een hoekje van het dorpsplein de overval van de eeuw beramen. De leider van de groep, Billo, heeft een plan: ‘We leggen het aan met de serveerster uit het café, stoppen een slaappil in de koffie die bestemd is voor de beveiliger van de bank en we worden allemaal rijk!’ Aan alles wordt gedacht: neppistolen die niet van echte te onderscheiden zijn, bivakmutsen, een vluchtplan en natuurlijk de slaappil. Waar de zeven kleine criminelen echter niet op hebben gerekend is de terugkeer van de Mexicaan.

Een fragment:

Ze waren allemaal ongeveer twaalf jaar oud toen ze besloten de plaatselijke bank te beroven. Het idee kwam van Billo en Gorilla. Na afloop van een partijtje voetbal op het plein, terwijl ze zich al uithijgend opfristen aan het fonteintje, had Billo het ook bij de anderen geopperd.
‘Wat zouden jullie ervan zeggen als we eens wat geld verdienden?’
Ranacci had hem wantrouwend aangekeken. ‘Hoe bedoel je?’
Ranacci liep altijd ergens op te kauwen.

Billo was serieus. ‘Ik heb erover nagedacht. We hebben allemaal geldproblemen, behalve Corda dan…’
‘Dat is heus niet mijn schuld.’
‘Niemand zegt ook dat het jouw schuld is.’
‘Al heb hij wel heel veel en z’n vrienden maar heel weinig!’ zei Cecconi met een zwaar Napolitaans accent – zijn ouders kwamen uit Napels – en hij gaf hem een por. Corda wilde geërgerd een stap bij hem vandaan zetten, maar Cecconi pakte zijn arm en draaide die in een oogwenk op zijn rug. ‘Aau!’ Het was een greep die zijn vader hem had geleerd. Een judotechniek, beweerde die.

‘Hou daarmee op, verdomme!’ stoof Billo op. Cecconi liet plotseling los, Corda viel achterover op de grond. Iedereen lachte. Fostelli hielp Corda overeind.
‘Hou op, zei ik!’
Ze werden allemaal stil. Billo gaf een trap tegen een steen, die over het plein vloog en tegen een paal ketste.
‘… kut, de paal!’ riep Cecconi uit.

Billo wierp hem een boze blik toe. Als Billo je op die manier aankeek, was je waarschijnlijk wel te ver gegaan. Cecconi staarde naar de grond, alsof hij zojuist geld was kwijtgeraakt.
‘Ik was aan het vertellen dat ik een plan heb bedacht,’ begon Billo opnieuw.
Corda zei: ‘Ja ja, jij en denken!’
‘Doet je reet geen pijn meer?’ zei Billo, zijn zwarte ogen tot spleetjes geknepen. ‘Zo niet, dan kan ik ’m nog wel even verrot schoppen.’

‘Wat heb je bedacht?’ vroeg Fostelli om de spanning te breken.
‘Een plan, zei ik.’
‘Ja, dat snap ik… maar wat voor plan?’
Billo gebaarde het groepje mee te komen. Hij liep naar een van de bankjes aan het plein en klom op de leuning.
‘Als wat ik zeg naar buiten komt, sla ik jullie allemaal op je bek.’
‘Zeggen we ook niks tegen Gorilla?’ vroeg Cecconi.

Eigenlijk heette hij Gorelli, maar iedereen noemde hem Gorilla en daar was hij trots op. Hij vond het leuk om met zijn vuisten op zijn borst te trommelen en oerkreten te slaken. Hij was ervan overtuigd dat meisjes dat leuk vonden, want als hij dat deed moesten ze lachen.
‘Het is net zo goed zijn plan als het mijne en ik heb hem gezegd dat hij moest komen,’ zei Billo geïrriteerd. ‘Maar hij zei dat hij naar Totò, die oude komiek, wilde kijken op tv… Naar Totò!’
‘Totò is leuk, ik moet ’r ook om lachen. Welke film was ’t?’
Billo keek naar Cecconi’s goeiige, dromerige gezicht, zijn lichtblauwe Napoli-T-shirt, de verbleekte letters van het opschrift BUITONI. Hij trok een vies gezicht: ‘Die over die hoer van een zus van je, nou goed!’

Iedereen moest lachen, behalve één. Als er heilige zaken waren, in die tijd, waren dat de voetbalclub waar je fan van was en de vrouwen uit je familie.
‘Wat heb me zus d’rmee te maken?’ Hij gaf hem een duw, waarop Billo zich op hem stortte. Cecconi stond al klaar om zich te verdedigen. Een judohouding, natuurlijk.

‘Rustig, jongens,’ zei Fostelli op zijn volwassen toon. ‘Laten we blijven nadenken…’ hij legde zijn hand op Cecconi’s schouder en wierp Billo een sussende glimlach toe ‘en verder gaan.’
‘Met dank aan pastoor Fostelli,’ zei Billo. Toen keek hij hen een voor een aan. Niemand zei iets. ‘Het gaat om de bank.’
‘De bank?’ Ranacci spuugde een abrikozenpit uit. ‘Bedoel je… die bank?’ en hij wees op de dorpsbank, met de ingang aan de hoofdstraat.

‘Inderdaad,’ bevestigde Billo. ‘Die. Maar niet wijzen, verdomme, en je niet omdraaien om ernaar te kijken!’ Natuurlijk had iedereen zich al omgedraaid.
‘Jullie zijn echt eikels! Welke andere bank hebben we hier in Roccella? Kijk me aan!’
Iedereen keek hem aan.
Billo draaide zich om en liep weg. De anderen liepen mee.
‘Ik heb die bank goed bekeken. En ik heb een plan gemaakt.’
‘Een plan om wat te doen?’
‘Hem leeg te roven!’

Hoe het met Billo en zijn bankroofplannen afloopt, lees je in

Zeven kleine criminelen
Christian Frascella
vertaald door Henrieke Herber
ISBN 9789048811625
€ 16,95
Moon Books

jul 22

Morgen is het zover, dan komt de beroemdste muis uit Italië naar Nederland. Als je je nu afvraagt wie dat dan wel mag zijn, dan heb je vast geen kinderen in de basisschoolleeftijd. Onder hen is deze muis, Geronimo Stilton geheten, namelijk mateloos populair. Zowel in Italië als in Nederland brengt deze muis de hoofden van kinderen op hol, met zijn spannende avonturen en bizarre belevenissen, waarvan hij – letterlijk – in geuren en kleuren verslag doet.

Geronimo Stilton is dus een muis van Italiaanse origine. Hij is uitgever van De Wakkere Muis, de meest verkochte krant van Muizeneiland, maar het liefst schrijft hij boeken: grappige verhalen, zachter dan mozzarella, smeuïger dan brie en pittiger dan roquefort. Verhalen met snorharen!

Geronimo is dol op het verzamelen van antieke voorwerpen zoals kaaskorsten uit de achttiende eeuw en speelt graag golf. Hij is afgestudeerd in de Geschiedenis van de Rattentaal en de Filosofie van de Snorhaar.

Geronimo haat reizen, maar toch wordt hij vaak door zijn familie en vrienden meegesleept in de meest vreemde avonturen over de hele wereld. Meestal staat hij doodsangsten uit, want hij is van nature niet zo’n heldhaftige muis. Maar al dat reizen heeft toch één voordeel: hij doet er de inspiratie op voor zijn verhalen. Die verhalen worden over de hele wereld gelezen en zijn al in minstens twintig talen vertaald. Zelfs in het Chinees!

Deze Italiaanse bestsellerauteur woont en werkt in Rokford, op Muizeneiland. Geronimo Stilton: ‘Het is er giga-fijn om te wonen. Als ik een dagje vakantie heb, ga ik graag naar de Dolfijnenbaai, in het noorden van Muizeneiland. Daar is het muizenissig rustig en mooi.’

Rokford is de hoofdstad van Muizeneiland. Hier wonen veel beroemde muizen en de bekendste bedrijven hebben een kantoor in deze plaats. Rokford is eigenlijk wat Amsterdam in Nederland is. Er zitten heel veel restaurants en winkels. Er is een vliegveld, een museum en een markt.

Op Muizeneiland is meer dan genoeg te zien en te doen. Wat dacht je bijvoorbeeld van de Bibberberg (14), de Boterberg (23), het Muisterslot (24) of de Oase van de Spuwende Kameel (34)? Ten noordoosten van Muizeneiland ligt Walviseiland. Een beschermd natuurgebied, waar de universiteit van Muizeneiland is gevestigd: het eeuwenoude en wereldberoemde Topford College. Daar heeft Geronimo ook gestudeerd.

Nu komt deze bekende Italiaanse muis dus naar Nederland, voor zijn optreden in de musical Fantasia. Fantasia gaat over angst, over moed, over oorlog en vrede, over licht en duister, over goed en kwaad… maar vooral over vriendschap!

Op zolder vindt Geronimo een mooi kristallen muziekdoosje. Het brengt hem via een gouden trap naar een gouden poort. Florina de feeënkoningin heeft Geronimo’s hulp nodig. Achter de gouden poort wacht Prulletje Prulschrijver hem op om samen door de zeven Rijken van Fantasia te reizen. Ze doorkruisen het rijk van de heksen, de zeemeerminnen, de draken, de aardmannetjes, de kaboutertjes, de reuzen en de feeën. Achter iedere poort van kostbaar gesteente ligt een nieuw avontuur.

Hij beleeft de spannendste momenten en zet zelfs zijn leven op het spel. Maar het muziekdoosje zorgt ervoor dat zijn reis net iets makkelijker wordt. Bereikt Geronimo zijn doel en kan hij Florina redden?

De musical Fantasia is op de volgende plaatsen te zien:

Slagharen – 24-7 t/m 7-8-2011
Amsterdam – 21-9 t/m 9-10-2011
Utrecht – 14 t/m 30-10-2011
Eindhoven – 4 t/m 13-11-2011
Breda – 18 t/m 27-11-2011

Kijk voor meer informatie over de musical en alle boeken van Geronimo Stilton op www.dewakkeremuis.nl

jul 15

Ga je binnenkort samen met je (klein)kinderen naar Italië op vakantie? Dan is het natuurlijk wel handig als ze alvast wat bijzondere dingen van Italië en de Italianen weten. Met het vrolijke vakantieboek Ciao Italia – vol met spelletjes, weetjes, puzzels en vragen – heeft het land geen geheimen meer voor ze.

Tomasso Tomatini, een vrolijke Italiaanse tomaat, vertelt alles over pizza, Italiaanse gebaren, ijs, pasta en hoogtepunten als de Toren van Pisa en het Colosseum. Ook stelt hij een hoop vragen waarmee ze kunnen testen wat hun (groot)ouders allemaal over Italië weten.

Tomasso Tomatini leert de kinderen bijvoorbeeld de belangrijkste Italiaanse gebaren, die onontbeerlijk zijn tijdens een vakantie in Italië – ook voor volwassenen! Een voorproefje:

Ruotare l’indice a vite sulla guancia
Met de vinger in de wang draaien geeft aan dat iemand het eten lekker vindt. Nederlanders bewegen de hand naast de wang heen en weer; Italianen draaien met de wijsvinger in de wang.

Portarsi le mani alla testa
Met de handen naar het hoofd. Dit gebaar wordt vaak gemaakt in combinatie met uitspraken als Mamma Mia!, Santo cielo! (lieve hemel) of Povero me! (arme ik).

Passarsi la mano sotto il mento
Hand van keel via kin van het gezicht af bewegen.Dit wijst op onverschilligheid of kwaadheid. Non m’importa niente! (Het kan me niks schelen!).

Avvicinare gli indici tesi
De beide wijsvingers naar elkaar toe bewegen met handen tegen elkaar, om aan te geven dat twee mensen het eens zijn of dikke maatjes zijn. Quei due sono d’accordo (die twee zijn het samen eens).

Accarezzarsi il mento
De kin aaien in betekenis van verveling. Eigenlijk trek je een denkbeeldige baard. Che barba! Oftewel: wat een baard!, in de betekenis van ‘Wat duurt het lang en wat is dit saai!’

Ciao Italia is natuurlijk ook leuk tijdens de reis naar Italië. Als de kinderen op achterbank alvast in vakantiestemming komen, nadert de Italiaanse grens stukken sneller! Veel plezier alvast op vakantie, en een goede reis, of zoals Tomasso zou zeggen: buon viaggio!

Ciao Italia
Esther Sikkink
ISBN 9789490838027
€ 3,75
Studio Uitgeeftak | www.uitgeeftak.nl

Bestel Ciao Italia hier!

jun 20

De stapels boeken voor de zomervakantie liggen vast al klaar, gezien de Italiaanse tips van de afgelopen maanden, maar vandaag iets leuks voor de wat jongere lezers (al heb ik er zelf ook erg van genoten!). De reis naar Italië is in een oogwenk voorbij met dit spannende avontuur op de achterbank!

In Gladiator is de hoofdrol weggelegd voor Marcus Cornelius Primus, een jonge rekruut die wordt ingewijd in het harde bestaan van gladiator. Zijn dagen worden beheerst door strikte discipline en afmattende trainingen. Maar hij kan zijn verleden niet zomaar vergeten: zijn vader, ooit een gevierde centurio, werd door soldaten vermoord, en zijn moeder werd ontvoerd en als slavin verkocht. Marcus is vastbesloten om Pompeius de Grote, die destijds commandant van zijn vader was, te vinden en hem om hulp te vragen. Het recht moet zegevieren en zijn moeder moet bevrijd worden.

Wat Marcus echter niet weet is dat hij een levensgevaarlijk geheim met zich meedraagt. Als de andere Romeinen hier lucht van krijgen, is hij zijn leven niet meer zeker…

Een fragment:

‘Marcus wist meteen dat het mis was toen de oude Aristides op een vroege zomerochtend de binnenplaats op stormde. Marcus was enthousiast met Cerberus aan het spelen en probeerde de ruigharige jachthond te leren om op zijn bevel te gaan zitten en daarna te gaan liggen. Maar Cerberus had alleen zijn kop schuin gehouden, met zijn tong uit zijn bek, en niet-begrijpend naar zijn jonge baasje gekeken. Zodra hij Aristides in het oog kreeg, rende hij met grote sprongen op de oude man af en begon te kwispelen.

De geitenhoeder was buiten adem en leunde hijgend op zijn staf tot hij was bijgekomen en weer iets kon uitbrengen.
‘Drie mannen.’ Met een trillende vinger wees hij naar het pad dat vanaf Nidri de heuvel op liep.
‘Grote mannen… Soldaten, volgens mij.’

De vader van Marcus zat aan de lange, oude tafel in de schaduw van een houten latwerk waar polsdikke wijnstokken doorheen kronkelden. Titus Cornelius was druk bezig geweest met de boekhouding van de boerderij, maar nu legde hij zijn stylus op de wastafeltjes, kwam overeind en liep met grote passen de kleine binnenplaats over.
‘Soldaten, zei je?’
‘Ja, meester.’
‘Juist.’ Titus glimlachte licht voor hij op een toegeeflijke toon verderging. ‘En wat weet jij van soldaten, oude man? Dieren, ja, natuurlijk. Maar soldaten?’

Aristides rechtte zijn rug en staarde zijn meester in de ogen. ‘Twee van de mannen hebben speren bij zich, en ze dragen allemaal een zwaard.’

Marcus keek naar zijn vader en zag heel even een bezorgde blik over zijn gezicht trekken. Marcus had zijn vader nog nooit ongerust gezien. Hij had meerdere littekens in zijn verweerde gezicht, overgehouden aan zijn tijd in de legioenen van generaal Pompeius. Hij was centurio geweest, een officier, gepokt en gemazeld door alle veldslagen, toen hij ontslag had genomen en de adelaars de rug had toegekeerd. Hij had de boerderij op het eiland Lefkas gekocht om daar met Marcus’ moeder, die een paar maanden daarvoor het leven aan een zoon had geschonken, een rustig leven te beginnen. In de jaren daarna had hij een vast inkomen opgebouwd met een kleine kudde geiten die door Aristides werd verzorgd en de druivenplanten die op zijn grondgebied stonden.

Marcus kon zich van zijn vroege jeugd betere tijden herinneren, maar nu had het al drie jaar niet meer geregend en de gewassen waren verwoest door droogte en meeldauw. Titus had zich genoodzaakt gezien om geld te lenen. Marcus wist dat het om een groot bedrag ging – hij had zijn ouders er ’s avonds over horen fluisteren als ze dachten dat hij sliep, en lag dan nog uren te piekeren als zij allang stil waren.

Toen hij een zacht geschuifel hoorde draaide Marcus zich om en hij zag dat zijn moeder haar kamer uit was gelopen, die aan de binnenplaats lag. Ze was een nieuwe tunica voor hem aan het maken, maar zodra ze had gehoord wat Aristides zei, was ze achter haar weefgetouw vandaan gekomen.

‘Ze hebben speren,’ mompelde ze, en toen keek ze naar Titus. ‘Misschien zijn ze op weg naar de heuvels om op wilde zwijnen te jagen.’
‘Dat lijkt me sterk,’ zei de oud-centurio hoofdschuddend. ‘Als ze op zwijnenjacht gaan, waarom hebben ze dan zwaarden bij zich? Nee, hier is iets anders aan de hand. Ze komen naar de boerderij.’ Hij deed een stap naar voren en gaf Aristides een schouderklopje. ‘Goed dat je me hebt gewaarschuwd, oude vriend.’

‘Oude vriend?’ De ogen van de geitenhoeder glinsterden. ‘Ik ben nog geen tien jaar ouder dan u, hoor, meester.’
Titus lachte, een volle, bulderende lach die Marcus al zijn hele leven hoorde en die hem elke keer weer geruststelde. Ondanks een zwaar leven in de legioenen was zijn vader altijd goedgehumeurd gebleven. Soms pakte hij Marcus wel streng aan – zo had hij erop gestaan dat Marcus zijn eigen ruzies uitvocht met een aantal kinderen uit Nidri, maar het was overduidelijk dat zijn vader van hem hield.

‘Waarom komen ze hierheen?’ vroeg zijn moeder. ‘Wat zoeken ze hier?’
Marcus zag zijn vaders lach verflauwen. ‘Problemen,’ gromde hij. ‘Dat zoeken ze hier. Ze zijn vast door Decimus gestuurd.’
‘Decimus?’ Marcus zag hoe zijn moeder geschokt haar hand naar haar mond bracht. ‘Ik zei toch dat we ons niet met hem hadden moeten inlaten.’
‘Nou, daar is het nu te laat voor, Livia. Nu moet ik dit met hem afhandelen.’

Marcus schrok van zijn moeders reactie en kuchte zacht.
‘Vader, wie is Decimus?’
‘Decimus?’ Titus lachte spottend en spuugde op de grond. ‘Dat is een hond van een afperser die al jaren geleden eens flink op zijn nummer gezet had moeten worden.’
Marcus staarde hem wezenloos aan en Titus grinnikte terwijl hij zijn hand uitstak om liefdevol door zijn donkere krullen te woelen. ‘Het is niet bepaald een fijne man, onze Decimus. De rijkste woekeraar op Lefkas, en dankzij zijn banden met de Romeinse gouverneurs is hij nu ook aangesteld als belastinginner.’

‘Geen prettige combinatie,’ voegde Livia daar zachtjes aan toe. ‘Hij heeft al meerdere boeren rondom Nidri te gronde gericht.’
‘Nou, deze boer krijgt hij niet!’ snauwde Titus. ‘Aristides, haal mijn zwaard.’
De geitenhoeder trok verontrust zijn wenkbrauwen op en haastte zich toen naar binnen. Cerberus keek hem nog even na en liep vervolgens op een drafje terug naar Marcus, die de hond liefkozend over zijn kop aaide. Livia kwam naar voren en greep Titus’ stevige arm beet.

‘Wat bezielt je, Titus? Je hebt toch gehoord wat Aristides zei? Ze zijn met z’n drieën en gewapend. Soldaten, zei hij. Daar kun je niet tegenop. Geen denken aan.’
Titus schudde zijn hoofd. ‘Ik heb wel eens een grotere overmacht tegenover me gehad, en verslagen. Dat weet jij ook.’

Zijn moeders gezicht verstrakte. ‘Dat is heel lang geleden. Je hebt al ruim tien jaar niet meer gevochten.’
‘Ik zal alleen met ze vechten als het niet anders kan. Maar Decimus heeft ze ongetwijfeld gestuurd om geld te innen, en ze zullen niet weggaan voor ze het hebben.’
‘Hoeveel geld?’
Titus sloeg zijn ogen neer en krabde in zijn nek. ‘Negenhonderd sestertiën.’
‘Negenhonderd!’

‘Ik loop drie termijnen achter,’ legde Titus uit. ‘Ik had dit wel verwacht.’
‘En kun je ze betalen?’ vroeg ze bezorgd.
‘Nee. Ik heb bijna niets in de kluis. Genoeg om ons de winter door te krijgen, maar daarna…’ Hij schudde zijn hoofd.

Livia fronste boos haar wenkbrauwen. ‘Dit mag je me straks allemaal haarfijn uitleggen. Marcus!’ zei ze tegen haar zoon. ‘Ga de geldkist halen die onder het altaar in het atrium staat. Nú!’
Marcus knikte en wilde het huis in rennen.
‘Hier blijven, jongen!’ riep Titus, hard genoeg om tot buiten de poort nog gehoord te worden. ‘Laat die kist staan. Ik laat me niet dwingen om ook maar één munt te betalen voor ik er klaar voor ben.’

‘Ben je gek geworden?’ vroeg Livia. ‘Je kunt niet in je eentje tegen gewapende mannen op.’
‘Dat zullen we nog wel eens zien,’ antwoordde Titus duister.
‘Ga met de jongen naar binnen. Ik regel dit wel.’
‘Straks raak je gewond, Titus, of je wordt vermoord. En wat gebeurt er dan met Marcus en mij? Nou?’
‘Ga naar binnen,’ beval Titus.

Marcus zag dat zijn moeder haar mond opendeed om tegen te sputteren, maar ze kenden de staalharde blik in Titus’ ogen allebei maar al te goed. Ze schudde geërgerd haar hoofd en stak haar hand uit naar Marcus. ‘Kom mee.’

Marcus keek van zijn moeder naar zijn vader en bleef staan waar hij stond, vastbesloten om zijn vader te bewijzen wat hij waard was.
‘Marcus, kom mee. Nu meteen!’
‘Nee. Ik blijf hier.’ Hij maakte zich groot en zette zijn handen in zijn zij. ‘Cerberus en ik kunnen vader bijstaan als het op een gevecht aankomt.’ Hij wilde dapper klinken, maar zijn stem bibberde een beetje.

‘Wat krijgen we nu? Wou je blijven?’ vroeg Titus verbaasd.
‘Jij bent er nog niet aan toe om je al in het strijdgewoel te mengen, mijn zoon. Ga met je moeder mee.’
Marcus schudde zijn hoofd. ‘U hebt me nodig. Ons.’ Hij knikte naar Cerberus en de oren van de hond gingen rechtop staan terwijl hij met zijn staart kwispelde.

Voor Titus bezwaar kon maken, kwam Aristides weer naar buiten. Met zijn ene hand omklemde hij zijn staf en in de andere had hij een zwaardschede waaraan een leren band bungelde. Titus nam het wapen aan, sloeg de band over zijn hoofd en bewoog een paar keer met zijn schouder tot het zwaard goed hing en hij makkelijk bij het gevest kon. Aristides liep naar de poort om het pad dat langs de helling naar Nidri leidde in de gaten te houden. Plotseling pakte Titus de greep van het zwaard beet en trok de kling in één vloeiende beweging uit de schede, zo snel dat Marcus in elkaar kromp. Hij slaakte een kreet en Cerberus gromde.

Zijn vader keek hem lachend aan en stak het wapen weer weg. ‘Rustig maar. Ik wilde alleen even controleren of ik het zwaard makkelijk kon trekken. Daarom zorg ik er altijd voor dat de schede en de kling geolied zijn… voor het geval dat.’
Marcus slikte nerveus. ‘Voor het geval dat wat, vader?’
‘Voor het geval dat er zoiets als dit gebeurt. En nu laat je dit aan mij over. Ga naar binnen tot ik je roep.’

Marcus keek opstandig terug. ‘Ik hoor aan uw zijde te staan, vader. Ik kan vechten.’ Hij legde zijn hand op het leren lapje en de bandjes van de katapult die in de riem rond zijn middel was gestoken. ‘Hiermee kan ik op vijftig passen afstand een haas raken.’

Zijn moeder had het gesprek tussen haar man en zoon zwijgend aangehoord, maar nu riep ze: ‘Marcus, alsjeblieft! Kom onmiddellijk naar binnen!’
‘Livia,’ kwam haar man tussenbeide. ‘Ga jij maar. Verstop je in de keuken. Ik bespreek dit wel met Marcus. Hij komt er zo aan.’

Ze wilde protesteren, maar toen ze de vlammende blik in zijn ogen zag, draaide ze zich om en liep weg; haar sandalen schuifelden over de terrasstenen. Titus keek weer naar Marcus en glimlachte hem toe. ‘Mijn zoon, je bent echt nog te jong om mijn ruzies te kunnen uitvechten. Ga alsjeblieft met je moeder mee.’
Maar het was al te laat. Voor Titus uitgesproken was liet Aristides een fel gesis horen. De geitenhoeder zette zijn hand aan zijn mond en riep zo hard hij durfde: ‘Meester! Ze komen eraan!’

De rest van het avontuur lees je in

Gladiator – Vechten voor vrijheid
Simon Scarrow
ISBN 978 90 257 4970 5
€ 14,95
uitgeverij Gottmer

Getagd met:
apr 11

Een onverschrokken held, onverwachte ontsnappingen, een vleugje romantiek, humor en een zeppelin – allemaal ingrediënten van de nieuwe roman van Timothée de Fombelle, Vango – Tussen hemel en aarde.

Het verhaal begint in 1918. Vango spoelt met zijn kindermeisje aan op een van de Eolische eilanden. Hij is drie jaar, kan zich niets meer herinneren en het kindermeisje weigert te spreken over wat hun is overkomen. Vango groeit op het eiland op, maar het verlangen naar avontuur en vragen over zijn afkomst doen hem al jong besluiten eropuit te trekken.

Hij stapt als keukenhulp aan boord van een zeppelin. Daar ontmoet hij Ethel, een beeldschone miljonairsdochter uit Schotland, die verliefd op hem wordt. Zij is ook degene die Vango helpt als hij in Parijs, waar hij intussen beland is, bedreigd wordt door duistere figuren. Zijn het Russische spionnen? Wat willen ze van hem?

Ook de Franse politie maakt jacht op Vango, hij wordt zelfs beschuldigd van moord… Vango kan niet anders dan vluchten. Zijn vlucht voert hem van Parijs naar de Bodensee en uiteindelijk – via Brazilië – naar Schotland. Vango beleeft een adembenemend avontuur, tegen de achtergrond van de belangrijke historische gebeurtenissen in de roerige jaren dertig.

Een fragment, dat zich afspeelt op Salina, een van de Eolische eilanden, in oktober 1918:

‘Ze duwden de deur open en de stormwind waaide met hen naar binnen.
Ze waren met z’n vieren. Vier mannen die een levenloze, in een rood bootzeil gewikkelde vrouw droegen. Iedereen stond op. Tonino, de waard van de herberg, maakte voor de broodoven een tafel vrij en riep zijn dochters. Ze legden het lichaam op het houten blad neer.
‘Leeft ze nog?’ vroeg Tonino.

Zijn oudste dochter sloeg de rode stof opzij, scheurde de doorweekte jurk open en legde haar oor op het hart van de vrouw. De gasten van de herberg, de waard, de vissers die het lichaam hadden meegenomen, de hele gelagkamer wachtte.
Carla luisterde een hele poos.
‘En, Carlotta?’ riep Tonino ongeduldig.
‘Sst…’ antwoordde ze.

Ze wist het niet zeker. Buiten huilde de wind. Een tak van een bougainvillestruik sloeg tegen het luik. Niets is zo licht als een hartslag. Vergeleken bij een storm is het een belletje dat het tegen een fanfare moet opnemen.
Uiteindelijk stond Carla op en glimlachte.
‘Ze leeft.’

Haar zusje kwam al met doeken aanzetten om het lichaam af te drogen. Ze pakte een paar grote keien die bij het vuur lagen op te warmen, wikkelde die in een stuk stof en legde ze als kruiken tegen de natte huid. De mannen, die gebiologeerd naar die blote schouders staarden, werden met grote gebaren door de zusjes weggestuurd.
‘Ciao, signori! Ciao!’

Ze spanden een laken om zich af te zonderen en de vrouw uit te kleden. Tonino gaf iedereen iets te drinken.
‘Waar komt ze vandaan?’ vroeg hij.
Er waren een stuk of twintig mensen in de herberg van Malfa.
‘Slecht weer, goede zaken.’ Dat had de waard die ochtend, toen de lucht donker werd, gezegd. En inderdaad was de gelagkamer die ochtend vol.

Toch had het eiland niet veel bewoners meer. In enkele tientallen jaren tijd was de bevolking met een factor zes verminderd. De mensen vertrokken met hele bootladingen tegelijk om hun fortuin in Amerika of Australie te gaan zoeken. Ze lieten spookdorpen achter,

‘We hebben haar op het stenen pad boven het strand aan Scario gevonden.’
Dat zei Pippo Troisi. Hij was geen visser. Hij verbouwde kappertjes en hij had een kleine wijngaard, maar als het hard waaide werd hij ingehuurd om de sloepen te verzwaren.
Hij had de vrouw het eerst gezien en het was voor hem een persoonlijke zaak geworden. De trots van zijn leven. Af en toe keek hij met een bezittersblik naar het schimmenspel dat zich achter het laken afspeelde.

‘Waar komt ze vandaan?’ vroeg Tonino.
‘Niemand kent haar,’ antwoordde Pippo.
Daar hadden ze niks op te zeggen en het bleef een poos stil. Op een eiland kent iedereen elkaar. En al ontmoetten ze wel eens onbekende schippers in de havens, ze hadden nog nooit een onbekende, beeldschone vrouw op een pad bij de klif opgeraapt.

‘Je kon haar uitwringen,’ voegde Pippo eraan toe. ‘Ze moet een poos in de regen hebben gelegen.’
‘Waar komt ze nou vandaan?’ ging de herbergier maar door, terwijl hij in zijn glas keek.
De wind speelde nu met de schoorsteen op de fluit.
‘Ze komt van zee,’ antwoordde een stem vanachter het laken. Dat was Carla. Ze stak haar hoofd om de hoek en zei: ‘Deze vrouw is net zo gezouten als een ton van jouw kappertjes, Pippo Troisi.’

Ze keken elkaar zwijgend aan. De zee had hun alles gegeven, ze liet hen leven, soms sterven, ze bezorgde hun verrassingen – een gestrande walvis, wrakken of zeven kisten bananen die vorige zomer uit een schip waren gevallen – maar nog nooit had ze een vrouw als een vliegende vis halverwege de klif bij het strand van Scario geworpen.

‘Ze doet haar ogen open!’
Ze snelden naar voren. Carla en haar zus hielden hen in bedwang, ze hadden beslist niet een stap verder durven zetten.
De vrouw lag onder een dikke laag sjaals en dekens. De meisjes hadden het degelijk aangepakt. Een non was er niks bij, geen enkel stukje huid was zichtbaar. Zelfs haar haren waren in een lap stof gewikkeld. Het enige wat je kon zien, was haar hoofd dat op een wollen kussen steunde.

Ze was veel minder jong dan ze hadden gedacht, maar door de kou leek haar gezicht opgemaakt, alsof ze naar een bal ging: een bleke huid, paarse lippen en donker omrande ogen. Doordat ze opwarmde, kleurden haar wangen poederroze. Ze staarde een hele poos met open ogen voor zich uit, en toen zei ze één woord: ‘Vango.’

Ze vonden het jongetje een uur later, tussen twee rotsen op het strand. Hij was twee of drie jaar oud. Hij heette Vango. Hij droeg een blauwe zijden pyjama. Zijn haar viel in krullen voor zijn ogen. Hij leek niet bang te zijn. In zijn hand hield hij een geborduurde zakdoek als een bal in elkaar gefrommeld. Hij keek naar al die mensen om zich heen.’

Hoe het de kleine Vango verder vergaat en hoe hij in Parijs terecht komt, waar zijn avontuur pas echt begint, lees je in

Vango – Tussen hemel en aarde
Timothée de Fombelle
vertaling Eef Gratema
ISBN 9789045111490
€ 16,95
uitgeverij Querido

mrt 30

Al rondstruinend op de boekenbeurs in Bologna stuitte ik op een geweldig leuke uitgave voor kinderen: een bewerking van de Metamorfosen van de Romeinse dichter Ovidius. Zijn wonderlijke verhalen over gedaanteveranderingen inspireerden door de eeuwen heen tal van kunstenaars.

De Vlaming Michael De Cock herschreef de verhalen van deze beroemde dichter voor jonge lezers, waarbij hij de verhalen verweeft met wetenswaardigheden uit het leven van Ovidius. Om bij te dromen, te huiveren, te rillen, te lachen en te blozen. Bij zijn verhalen maakte Gerda Dendooven schitterende illustraties.

Naso moet na een ruzie met de koning zijn huis en stad verlaten. Hij komt terecht in het allerlaatste dorp van het rijk, waar de wereld eindigt. Daar schrijft hij, elke dag een nieuw verhaal. Over iemand die anders wordt, en anders wordt, en anders wordt.

Hij schrijft over koning Midas die ezelsoren kreeg en over de onvoorzichtige jager Actaon die door Diana in een hert wordt veranderd. Hij vertelt het ontroerende liefdesverhaal van Orpheus en Euridike en laat je kennismaken met twee zussen die vogels worden. Ook vertelt hij het verhaal van Philemon en Baucis:

‘Aan het einde van het dorp woonden twee stokoude mensjes. Een man en een vrouw. Hij heette Philemon. Zij heette Baucis. Soms noemde zij hem Mon, omdat het korter was, en ook omdat ze dat zo lief kon zeggen. En hij noemde haar vaak Bauke, omdat dat zacht klonk, als honing in zijn mond.

Hoe oud Philemon en Baucis precies waren, kon niemand vertellen. Maar samen waren ze zeker meer dan tweehonderd jaar. Dat kon je zien aan de rimpels op het voorhoofd van Philemon. Of aan de huid van Baucis, die aan haar dunne polsen gerimpeld was als perkament en nog dunner dan de bladeren die in de herfst van de bomen tuimelen.

Philemon en Baucis woonden aan het einde van een lange weg. Geen vijftig meter verder begon het bos. Het was een vreemde plek, op de rand van twee werelden. Aan de ene kant, de weg met huizen. Aan de andere kant, het bos, dat zo groot was dat niemand echt leek te weten waar het precies eindigde.

De mensen in het dorp van Philemon en Baucis spraken nooit met elkaar. Ze waren bang voor alles wat vreemd was en draaiden elke avond hun deur driedubbel op slot. Ooit moeten de dorpelingen wel met elkaar gepraat hebben. Maar dat was intussen al zo lang geleden dat niemand zich nog kon herinneren waar dat gesprek dan precies over ging.

Veel bezoek kwam er dan ook niet in het dorp van Philemon en Baucis. Niemand voelde zich er welkom. Tot er op een dag wel heel bijzondere gasten langskwamen.

Het gebeurde op een middag. Het was koud. De wind jankte als een oude hond en joeg de herfst door de straten. Het was die tijd van het jaar dat de dagen korter worden en dat de zon er langer over doet om naar boven te klimmen en vroeger dan in de zomer achter de bomen op de heuvel verdwijnt.

Philemon stond in de voortuin aan het hek te timmeren. Het deurtje van het hek was losgekomen door de wind. Baucis had een schopje in haar hand. Haar rug was krom. Ze leunde met één hand in haar zij, terwijl ze met haar andere hand moeizaam de aarde schoffelde.

Ze rechtte haar rug en wierp een blik op de hemel.
‘Ik denk dat er regen in de lucht hangt, Mon’, zei ze.
‘Dat denk ik ook’, antwoordde Philemon en hij keek op zijn beurt naar de donkere hemel boven zijn hoofd.
“Kom, we gaan naar binnen.’
‘Eerst het hek nog afmaken.’
‘Wat is er met het hek?’
 ‘Het sluit niet goed meer. Ik heb het vorige week al hersteld. Maar het blijft maar openwaaien. Alsof we elk moment bezoek kunnen verwachten.’
‘Bezoek, Mon’, lachte Baucis, ‘dat zou wel heel erg vreemd zijn. Hoe lang is het geleden dat iemand nog ons dorp heeft bezocht?’
‘En toch denk ik dat er bezoek komt.’

Baucis lachte. ‘Jij gekke, oude man!’ Er komt al jaren geen bezoek meer over de vloer. Al onze vrienden zijn gestorven Zo oud zijn we. En we hebben niets… We wonen in een klein, armetierig huisje aan de rand van het dorp. Onze kachel is nauwelijks groot genoeg om op herfstdagen de kamer warm te stoken. Wie zou er bij ons aankloppen?’
‘Je zal wel gelijk hebben’, zei Philemon, en met een hamer sloeg hij op het hek. ‘Zo. Dit waait in geen honderd jaar meer open.’
En toch was het net die middag dat Philemon en Baucis bezoek kregen. En geen gewoon bezoek.’

Wil je weten wie er bij Philemon en Baucis op bezoek kwam? Lees en luister dan verder met

Diep in het woud – verzamelde verhalen van Ovidius
(met luistercd met muziek van Brussels Jazz Orchestra)
Michael de Cock & Gerda Dendooven (ill.)
ISBN 9789059083929
€ 24,95
uitgeverij Davidsfonds

feb 08

Vandaag nogmaals het verhaal van Romeo en Julia, maar dan voor kinderen – al is deze versie ook voor volwassenen de moeite waard!

Geen enkele literaire tekst heeft zoveel componisten geïnspireerd als het in 1597 voor het eerst verschenen toneelstuk Romeo en Julia van Shakespeare. De allerbekendste muzikale interpretatie is het ballet dat Sergei Prokofjev in 1935 componeerde. Het klassieke liefdesverhaal en de prachtige muziek zijn op unieke wijze gebundeld in Romeo en Julia, een prentenboek met cd dat vorig jaar verscheen in de succesvolle muziekboekjesreeks die uitgeverij Gottmer samen met Universal Music heeft ontwikkeld.

Auteurs Erik van Os en Elle van Lieshout hebben de essentie van het aloude en ingewikkelde liefdesverhaal prachtig weten te vangen in een prentenboek van 32 bladzijden. Ze hebben het verhaal daarmee toegankelijk gemaakt voor kinderen, en hoe! Tel daar de romantische en tragische scènes, die sprookjesachtig zijn opgetekend door Nederlands beroemdste illustratorenduo, Ingrid en Dieter Schubert, en de stem van Pierre Bokma bij op en je weet zeker dat je (klein)kinderen (en jij) ademloos zullen zitten luisteren, kijken en genieten!

De muziek wordt uitgevoerd door het Kirov Orkest onder leiding van Valery Gergiev, op Ciao tutti een klein voorproefje! Klik hier om te luisteren naar de eerste track: 01 De familie Montague en de familie Capulet

Meer lezen en luisteren kan met

Romeo en Julia van Prokofjev
Erik van Os & Elle van Lieshout (tekst)
Ingrid & Dieter Schubert (illustraties)
Pierre Bokma (stem)
Kirov Orkest o.l.v. Valery Gergiev (uitvoering)
ISBN 978 90 257 4674 2
€ 16,95
uitgeverij Gottmer

Romeo en Julia winnen?
Ciao tutti mag van uitgeverij Gottmer drie lezers blij maken met deze bijzondere versie van het verhaal van Romeo en Julia. Het enige dat je moet doen is voor 28 februari 2011 een e-mail sturen naar winnen@ciaotutti.nl o.v.v. Romeo en Julia. Wie weet droom jij dan binnenkort weg bij Prokofjevs interpretatie van deze tijdloze liefdesgeschiedenis!

jan 11

‘C’era una volta…
Un re! – diranno subito i miei piccoli lettori.
No ragazzi, avete sbagliato. C’era una volta un pezzo di legno. Non era un legno di lusso, ma un semplice pezzo da catasta, di quelli che d’inverno si mettono nelle stufe e nei caminetti per accendere il fuoco e per riscaldare le stanze.’

Zo begint het volgens de Italianen meest vertaalde verhaal ter wereld: het verhaal over het houten, eigenwijze mannetje met een neus die langer en langer werd als hij een leugen vertelde, dat sinds het voor de eerste keer werd opgetekend (in 1883) al vele kinderharten heeft veroverd: Pinocchio, of – volgens de Nederlandse spelling – Pinokkio.

Het verhaal van Pinokkio is bedacht door de Florentijn Carlo Lorenzini, die als pseudoniem de naam Collodi had aangenomen, naar het plaatsje waar zijn moeder geboren was, in het noorden van Toscane. In dit stadje bevindt zich nu het Parco Pinocchio, oftewel het Pinokkio-park, waar het verhaal van de houten pop, de fee, de krekel, de kat, de vos en alle andere figuren van het boek wordt uitgebeeld.

Verwacht geen spectaculaire ritjes in een karretje, zoals je van pretparken als de Efteling of Disneyland gewend bent, het Pinokkio-park doet veel meer een beroep op de fantasie van zowel kinderen als volwassenen. In een prachtig park staan bronzen en stenen beelden van alle hoofdpersonen uit het boek – eerst het verhaal (voor)lezen is dus eigenlijk wel een must.

De tocht begint bij het beeld van Pinocchio e la Fata (Pinokkio en de Fee), vervaardigd door Emilio Greco. Het beeld is het resultaat van een ontwerpwedstrijd die de burgemeester van Pescia al in 1951 hield omdat hij zijn gemeente graag een Pinokkio-monument gunde. Greco moest zijn eerste plaats echter delen met Venturino Venturi, die La Piazzetta dei Mosaici (Het Pleintje van de Mozaïeken) instuurde, dat nu direct achter het beeld van Pinokkio te bewonderen is.

De weg slingert verder door het park, langs het dorp van Pinokkio, het huis van de Fee, de dieren uit het verhaal (allemaal gemaakt door Pietro Consagra, van de slak tot de krekel) en – als uitsmijter – de walvis die Pinokkio aan het eind van het verhaal opslokt. Kinderen kunnen hier zelf ervaren hoe dat moet voelen; via een trappetje komen ze in het binnenste van de waterspuwende walvis en kunnen ze ervaren hoe Pinokkio zich gevoeld moet hebben.

Een ideaal vakantie-uitje met kinderen, het Pinokkio-park, waar je ze nu al fijn op kunt voorbereiden door middel van het schitterende prentenboek van Fabio de Poli en Andrea Rauch dat ik op 6 oktober 2010 al besprak op Ciao tutti:

Fabio de Poli is een veelzijdig kunstenaar. Zijn werk is te zien in vele musea, waaronder de Galleria d’Arte Moderna van het Palazzo Pitti in Florence. Hij beeldhouwt, schildert en maakt objecten voor openbare gebouwen. Tevens is hij zeer succesvol als illustrator, hetgeen hij met Pinokkio eens te meer bewezen heeft.

De schitterende, originele prenten die Fabio de Poli maakte voor Pinokkio zijn van 17 tot en met 30 januari 2011 te bewonderen in het Italiaans Cultureel Instituut in Amsterdam. Een mooie voorbereiding op een vakantie in Toscane!

Italiaans Cultureel Instituut
Keizersgracht 564
Amsterdam

Openingstijden: maandag tot en met vrijdag van 10-12 en 14-16 uur; ’s avonds op afspraak. Kijk voor meer informatie op www.iicamsterdam.esteri.it of www.tutti.nl

dec 26

Vandaag geen verhaal over de os en de ezel die bij het kribje staan, maar een fabel over de Ezel met het standbeeld, uit de prachtige nieuwe fabelbundel van Imme Dros, met vrolijke illustraties van de bekende Italiaanse kunstenaar Fulvio Testa.

Waar moet je voor oppassen?
Lees Aesopus.
Wie moet je nooit geloven?
Lees Aesopus.
Hoe win je een wedstrijd?
Hoe troggel je iets af van een ander?
Hoe zit de wereld in elkaar?
Lees Aesopus. Zijn fabels zijn al 2500 jaar een reisgids voor het leven.

Maar wie is die Aesopus? Imme Dros: ‘Er zijn veel mensen die de fabels van Aesopus kennen, maar Aesopus zelf kennen ze niet. Wie was hij en waar kwam hij vandaan? Alles wat we van Aesopus denken te weten, werd lang na zijn dood opgetekend. Aesopus leefde misschien tussen 620 en 560 voor onze jaartelling. Hij kwam misschien uit Thracië, misschien van Samos, of heel misschien zelfs uit Athene. Hij was een vrijgemaakte slaaf en hij zou uiteindelijk op een gewelddadige manier zijn vermoord in de stad Delfi.

Aesopus had de reputatie dat hij afzichtelijk lelijk was. Toch vereeuwigde de beroemde beeldhouwer Lysippus hem tweehonderd jaar na zijn dood als een indrukwekkende verschijning. In de geschriften van Plato en Aristoteles wordt Aesopus voor het eerst met name genoemd, en later vermeldt ook Herodotus hem als ‘een schrijver van fabels’.

Of Aesopus eigenlijk wel kon schrijven is de vraag. Waarschijnlijk heeft hij, zoals toen de gewoonte was, zijn fabels bij allerlei gelegenheden voorgedragen. Er wordt aangenomen dat de eerste verzameling fabels van Aesopus ongeveer in 320 voor Christus op schrift is gesteld. Daarvan is niets bewaard gebleven. Het heeft tot de eerste eeuw na Christus geduurd voordat Phaedrus, een Griekse slaaf aan het hof van keizer Augustus, de oude fabels van Aesopus vastlegde in het Latijn. De fabel werd een literair genre en vanaf de middeleeuwen verschenen er overal vertalingen.

De fabels zoals we ze nu kennen zullen in veel opzichten afwijken van de oorspronkelijke verhalen, dat kan haast niet anders. Maar de naam Aesopus blijft er voor altijd aan verbonden.’ Over de Ezel en het standbeeld vertelde hij:

‘De Ezel liep te zeulen met een zwaar standbeeld.
Het stelde een god voor en moest naar de tempel.
In de stad zag hij dat mensen bogen als hij langskwam.
Die mensen buigen allemaal voor mij, dacht de Ezel. En van trots verloor hij zijn laatste restje verstand.
Als ze voor me buigen, dacht hij, dan ben ik belangrijk. Waarom zou zo’n belangrijke ezel als ik dan nog sjouwen?
Hij zette zijn hoeven stevig in het zand en bleef staan.
Zijn baas wist eerst niet goed wat de Ezel bezielde. Maar toen hij dacht dat hij het wist, gaf hij hem een klap.
‘Dom beest. Denk je dat die mensen een ezel vereren? Ze buigen niet voor jou maar voor wat er op je rug ligt!’

PRONK NIET MET VREEMDE VEREN
JE ZULT JEZELF BLAMEREN’

Meer fabels lezen? In De fabels van Aesopus vind je de belevenissen van nog veel meer dieren en mensen: de vos en de kraai, de haas en de schildpad, de krekel en de mieren, de vos en de ooievaar en de ezel en de herder. Ideaal voor de kerstvakantie!

preload preload preload