mei 13

Speciaal voor alle mamma’s vandaag een ode aan la mamma in Italiaanse sferen. Heel hard meezingen allemaal – met deze muziek en onderstaande tekst!

‘C’è folla tutte le sere
nei cinema di Bagnoli
un sogno che è in bianco e nero
tra poco sarà a colori.

L’estate che passa in fretta
l’estate che torna ancora
e i giochi messi da parte
per una chitarra nuova.

Viva la mamma
affezionata a quella gonna un po’ lunga
così elegantemente anni cinquanta
sempre così sincera.

Viva la mamma
viva le donne con i piedi per terra
le sorridenti miss del dopoguerra
pettinate come lei!

Angeli ballano il rock ora
tu non sei un sogno tu sei vera
viva la mamma perché
se ti parlo di lei, non sei gelosa.

Viva la mamma
affezionata a quella gonna un po’ lunga
indaffarata sempre e sempre convinta
a volte un po’ severa.

Viva la mamma
viva la favola degli anni cinquanta
così lontana e pure così moderna
e così magica.

Angeli ballano il rock ora
non è un juke-box è un orchestra vera
viva la mamma perché se ti parlo di lei
non sei gelosa.

Bang bang la sveglia che suona
bang bang devi andare a scuola
bang bang soltanto un momento
per sognare ancor.

Viva la mamma
affezionata a quella gonna un po’ lunga
così elegantemente anni cinquanta
sempre così sincera.

Viva la mamma
viva le regole e le buone maniere
quelle che non ho mai saputo imparare
forse per colpa del rock…

Forse per colpa del rock… rock…
Forse per colpa del… forse per colpa del rock.’

© Edoardo Bennato

mei 01

Herman Gorter bezong de maand mei in 1889 als volgt:

‘Een nieuwe lente en een nieuw geluid:
ik wil dat dit lied klinkt als het gefluit,
dat ik vaak hoorde voor een zomernacht,
in een oud stadje, langs de watergracht –
in huis was ‘t donker, maar de stille straat
vergaarde schemer, aan de lucht blonk laat
nog licht, er viel een gouden blanke schijn
over de gevels van mijn raamkozijn.

Dan blies een jongen als een orgelpijp,
de klanken schudden in de lucht zoo rijp
als jonge kersen, wen een lentewind
in ‘t boschje opgaat en zijn reis begint.
Hij dwaald’ over de bruggen, op den wal
van ‘t water, langzaam gaande, overal
als ‘n jonge vogel fluitend, onbewust
van eigen blijheid om de avondrust.

En menig moe man, die zijn avondmaal
nam, luisterde, als naar een oud verhaal,
glimlachend, en een hand die ‘t venster sloot,
talmde een pooze wijl de jongen floot.’

Larissa Bertonasco, illustratrice van het prachtige kookboek La cucina verde (waarover ik eerder dit stukje schreef), maakte een vrolijke Italiaanse versie van dit meigevoel:

Met deze vrolijke geluiden luiden we ook op Ciao tutti een nieuwe maand in. Een maand die we deels doorbrengen in Florence, deels in Nederland (rondom mijn boekpresentatie op 10 mei) en deels in het zuiden van la bella Italia. De meimaand staat daarnaast in het teken van lezen. In Italië is mei namelijk uitgeroepen tot Il Maggio dei Libri

Net als de natuur in deze maand tot volle bloei komt, ontwaakt in de mens de passie voor lezen, aldus de gedachte van Il Maggio dei Libri. Deze passie voor lezen leidt tot persoonlijke groei van de lezer, waarvoor de groei van nieuw leven symbool staat. Daarom zullen we op Ciao tutti nog meer dan anders Italiaanse boeken in het zonnetje zetten. Op een mooie meimaand vol boeken dus!

Getagd met:
apr 22

Tijdens een wandeling deep down Rome, beneden langs de oever van de Tiber, viel mijn oog net voor ik onder de Engelenbrug doorwandelde, op een schattige graffitiboodschap:

Eenmaal weer ‘boven’, in een zijsteegje van de Via del Governo Vecchio, zag ik nog zo’n graffitispreuk die de moeite van het vastleggen waard was, niet alleen vanwege de boodschap maar ook en vooral vanwege de mooie kleurschakering:

Dat deed me denken aan een verhaal dat Rosita Steenbeek ooit optekende over Romeinse graffiti, en dat ik bij thuiskomst direct opzocht om het nogmaals te lezen en met jullie te kunnen delen. Hieronder het verhaal, met de titel Schrijf het op de muren:

‘Een goede vriend van mij kwam onlangs voor het eerst naar Rome.
‘En, wat vind je van de stad?’ vroeg ik verwachtingsvol.
‘Erg vies.’
Ik was geschokt.

‘Ja natuurlijk, de gebouwen zijn prachtig, maar alles is volgeklad.’ Ik liep een tijdje zwijgend en ietwat bedrukt naast hem voort door het centrum van Rome. Heel rustig wees hij me op voorbeelden. ‘Kijk hier is Giovanni langsgekomen. En hier Michele en hier heeft Ernesto een muurtje opgeknapt en daar heeft Luisa een bericht achtergelaten.’ Inderdaad zag ik dat we bijna geen muur of deur konden passeren of die was voorzien van wilde tekeningen en teksten.

‘Kijk, de tijden op dat busbordje zijn niet meer te lezen.’ Even later reed er een bus voorbij die, tot en met de ramen, overdekt was met kleurige kreten en tekeningen. Ik verbaasde me dat ik daar kennelijk een blinde vlek voor had gehad. Kort daarop las ik in de krant dat een hele straat in het gezellige Trastevere in opstand was gekomen tegen de writers, want zo worden ze genoemd en dat wordt dan op zijn Italiaans uitgesproken.

Er stond een foto bij van de in mooie pasteltinten geschilderde huizen die allemaal van de meest woeste illustraties waren voorzien. De burgemeester vond dit ook te dol en heeft alles op gemeentekosten laten overschilderen. Maar de pastelverf was nauwelijks droog of in de nacht kwamen de writers weer aangeslopen met hun spuitbussen en nu knallen hun tekeningen en teksten weer in de meest felle kleuren van de muren.

Het loopt steeds meer uit de hand. Hoe uitdagender hoe beter. Onlangs stond in de Italiaanse kranten dat we op YouTube konden zien hoe een paar writers een auto van de Mondialpol, de veiligheidspolitie, onder handen namen. Ze hebben ook een forum waarop ze meningen en technieken uitwisselen. ‘Ik wil iets gaan doen op de raccordo annulare, de stadsring, maar weet niet in welke stijl.’ ‘Hoe kun je iets op een bus zetten zonder dat de chauffeur het merkt?’

Er is ook een film over dit fenomeen: Scrivilo sui muri. Schrijf het op de muren. Een liefdesverhaal tegen de achtergrond van de writerswereld. De regisseur heeft zich gebaseerd op de verhalen van echte writers. Hij laat zien dat er verschillende groepen bestaan die met elkaar concurreren en die werken in uiteenlopende stijlen. Het zijn jongeren die hun stem willen laten horen, kinderen uit mislukte huwelijken die geen zin hebben om als radertje mee te draaien in de maatschappij waaraan ze een hekel hebben. Ze komen wel sympathiek en romantisch over, met een moeilijk maar avontuurlijk leven. We zien hoe ze de grote verkiezingstrein gaan vol schilderen.

Nu is men bang dat deze film alleen maar reclame is voor de writers. Ook voor kerken en regeringsgebouwen deinzen ze niet terug. Nog even en de Sint-Pieter is van een kleurig nieuw jasje voorzien.

Misschien heeft het toch ook te maken met deze stad, waar op elke fontein, kerk, palazzo, brug, poort wel een naam staat van een Romeinse keizer, consul, paus of kardinaal. Zelfs op het Pantheon staat niet alleen dat Agrippa het heeft laten bouwen, en met kleine letters dat het gerestaureerd werd onder Septimius Severus, maar bovendien de namen van een paar pausen, omdat die ook nog het een en ander hebben laten opknappen. Verder lees je op een ontelbaar aantal huizen dat die en die kunstenaar, geleerde, politicus of geestelijke er geboren werd, stierf of op bezoek was.

Vanochtend liep ik langs de beeltenis van een in een buitenmuur gemetselde Maria. Toen ik bleef staan bij de writershandtekening daaronder, las ik voor het eerst de in marmer gehakte tekst: ‘Deze beeltenis van de Madonna heeft op 9 juli 1796 door meerdere malen haar ogen te bewegen en met een zachte gelaatsuitdrukking, de bevolking van Rome getroost.’

Ik loop verder, draai me nog een keer om. Volgens mij knipoogde ze even.’

Meer van Rosita’s verhalen over Rome lezen? Een bundeling van haar kleurrijke columns, met illustraties van Sieb Posthuma, vind je in Kleuren van Rome.

Kleuren van Rome
Rosita Steenbeek
met illustraties van Sieb Posthuma
ISBN 9789029573771
€ 15,00
uitgeverij De Arbeiderspers

mrt 26

Nu we toch in de sfeer van de lente verkeren, na het prachtige lied over zwaluwen van Lucio Dalla van gisteren, fladderen we door naar een uniek boek over Amsterdam van de Italiaanse schrijver Marino Magliani: Amsterdam è una farfalla. Magliani, die in Ligurië is geboren maar al meer dan twintig jaar in IJmuiden woont, laveert al fietsend langs een groot aantal mysterieuze plekken in de Nederlandse hoofdstad. Het resultaat is een avontuurlijke, literaire fietstocht door Amsterdam, met zelfs een aantal verrassingen voor iedereen die denkt dat hij de stad goed kent…

Een fragment in het Italiaans:

‘Frequentavo poco Amsterdam, dicevo, ma da una settimana ci venivo ogni giorno perché avevo accettato di scrivere un libro sulla città. Mi era stato commissionato da una casa editrice italiana: raccontare Amsterdam dal punto di vista della bicicletta. Ma il progetto stava prendendo questa piega pericolosa: una specie di guida che assomigliava a un racconto in cui le mie pedalate lungo i binari del tram, e le frenate e le leggere rincorse per arrivare sul dorso d’asino dei ponti che a volte sembrava di guadagnare lo Stelvio, dovevano servire da impalcatura alla descrizione dei posti.

Dosare il tutto, come il cuoco, ad esempio raccontare come le persone in bicicletta, al contrario di quanto succedeva a me, si muovevano armonicamente, simili ai banchi di pesci disturbati dall’orca che si sparpagliano e si ricompongono subito altrove. E poi far notare che in mezzo a quel traffico di pedali e caos di campanelli che avrebbero dovuto segnalare emergenze, alla fine frenavo sempre solo io.

Chiedermi come fosse possibile che la stirpe biciclettata fosse sempre così sicura del fatto che il passante avrebbe attraversato la strada in tempo, e la macchina non si sarebbe fermata e allora bisognava scansarla, mentre io stavo già inchiodando coi piedi sui pedali.

Non usavo una bici coi freni a mano, ma a pedali, omafiets, bicicletta della nonna, così chiamano questo modello. E già mi vedevo costretto a elencare i vari tipi di bici e a dire che in Olanda ci sono biciclette per ogni età, gusto e funzionalità, con uno o due seggiolini per i bambini, col carretto davanti o dietro per i bambini o i cani, con la sella come un’amaca e la postura del ciclista che pedala da sdraiato, bici con le casse di birra sul manubrio, bici taxi.

Per non riempire il libro di sole cose del genere, avrei fatto persino qualche confessione: la paura che ho sempre avuto da bambino, un vero e proprio terrore della bici, salirci mi faceva sudare le mani e mi procurava la stessa angoscia delle arrampicate su un albero. Era come guardare il vuoto da un tetto. Alla brutta piega che stava prendendo il libro ci pensavo mentre andavo all’Istituto Italiano di Cultura per i Paesi Bassi, il bel palazzo dove avevo presentato tanti libri, che si trova al 564 di Keizersgracht, che è uno dei più bei canali.

Ora ti siederai al tavolo della biblioteca dell’Istituto, mi dicevo, e scriverai che gli altri canali importanti accanto al Keizersgracht sono il Singel, e l’Herengracht, e il Prinsegracht, e che le loro acque proseguono parallele e fanno un tragitto a semicerchio. Camus, dirai, ne La caduta li chiama i gironi concentrici dell’inferno. E spiegherai che i canali formano una ragnatela, il ragno tesse i suoi semicerchi snodando per ognuno di essi due strade, collegate l’una all’altra tramite una serie di ponti.

Di qua e di là delle strade stanno gli edifici, che qui chiamano pand. E poi avrei invitato il lettore a seguirmi lungo il Keizersgracht, che dalle parti dell’Istituto è molto elegante, pieno di gallerie d’arte, di ringhiere verniciate e piccole scalinate fatte di quella pietra grigio-nera. Alcune scalinate scendono alle cantine, altre terminano in una botola di legno sprangata con i lucchetti.

La biblioteca dell’Istituto era deserta. Dissi al bibliotecario che sapevo da me dov’erano le riviste. Le scelsi dagli scaffali della sezione scientifica. Una ventina di numeri di «Ons Amsterdam», architettura e storia, società, vecchie cartografie coloniali, documenti sulla deportazione, il fiume Amstel, i canali navigabili, l’economia. Addirittura un numero sulla bicicletta, con una guida di fine Ottocento per i ciclisti di Amsterdam che avevo già letto e saccheggiato assieme all’Olanda del mio conterraneo De Amicis. Me le portai al tavolo.

Dopo un po’ mi accorsi che stavo lì, a fissare la pioggia oltre la vetrata. Non trovavo nulla di stimolante sulle riviste e non sapevo nemmeno cosa cercavo, anche se conoscendomi mi sembrava molto importante avere rinnegato in tempo il progetto di un libro strutturato come una guida letteraria, perché se avessi riempito una cinquantina di pagine di cose del genere, poi non sarei più stato capace di tornare indietro.

La svolta avvenne in quegli istanti. Non posso dire se fu perché da un momento all’altro, dal buio della pioggia, come succede in aprile, i vetri si illuminarono che pensai alla luce di Amsterdam. Come nascono le idee non ce lo ricordiamo quasi mai, certo credo che qualcosa di strano sia successo proprio guardando la vetrata. Mi alzai e posai le riviste, poi uscii, saltai in sella (in realtà non è mai per me un vero e proprio salto) e mi misi alla ricerca di una cosa.’

Grappig om tussen al dat Italiaans straatnamen en woorden als ‘omafiets’ te herkennen! Voor degenen onder mijn lezers die het Italiaans niet machtig zijn: helaas is  Amsterdam è una farfalla nog niet in het Nederlands vertaald. Wie het Italiaans machtig is, kan het boek uiteraard wel al in het Italiaans lezen. Het is te koop bij Libreria Bonardi in Amsterdam en uiteraard in alle boekhandels in Italië. Een mooi souvenir dat voor mij in elk geval niet alleen goed is voor het bijhouden van de Italiaanse taal, maar ook voor mijn kennis van de stad Amsterdam…

mrt 25

De populaire Italiaanse zanger Lucio Dalla overleed 1 maart jongstleden op 68-jarige leeftijd in Zwitserland. De avond voor zijn dood trad hij nog op en leek hij in goede gezondheid, maar na het ontbijt kreeg hij een hartaanval die hij helaas niet overleefde. Lucio Dalla was bij veel Italianen geliefd. De president van Italië, Giorgio Napolitano, reageerde dan ook geschokt op zijn overlijden. ‘Dalla was een sterke en authentieke stem die heeft bijgedragen aan het vernieuwen en bevorderen van het Italiaanse lied in de hele wereld,’ zo zei hij.

Lucio Dalla

Daar is niets te veel mee gezegd; dat blijkt alleen al uit het feit dat van Caruso wereldwijd negen miljoen exemplaren verkocht. ‘De liedjes van Lucio Dalla zijn de soundtrack van het leven van iedere Italiaan,’ zo schreef Anne Bambergen in De Groene Amsterdammer. En van iedere Italiëliefhebber, zou ik daaraan toe willen voegen.

Aangezien we vandaag na de lente ook de zomertijd mogen begroeten, vind ik deze zondag een goede gelegenheid om Lucio Dalla nog eens in het zonnetje te zetten. En hoe kan dat beter dan met zijn lied Le rondini, de zwaluwen, de vogels die in Italië – volgens een iets andere versie van het ons bekende spreekwoord – de lente aankondigen.

Voor wie dat nog niet eerder hoorde een korte toelichting. De Italianen hanteren het spreekwoord ‘Una rondina non fa primavera’ – ‘Eén zwaluw maakt nog geen lente’. In Nederland en Vlaanderen zeggen we ‘Eén zwaluw maakt nog geen zomer’ – de zwaluwen arriveren hier immers wat later dan in la bella Italia… Gelukkig weten het begin van de lente en van de zomertijd vandaag beide spreekwoorden te verenigen.

Het woord is aan Lucio Dalla, met zijn prachtige lied over de zwaluwen. Via deze link een schitterende registratie met hieronder de tekst om mee te kunnen zingen:

‘Vorrei entrare dentro i fili di una radio
e volare sopra i tetti delle città
incontrare le espressioni dialettali
mescolarmi con l’odore del caffè
fermarmi sul naso dei vecchi mentre leggono i giornali
e con la polvere dei sogni volare e volare
al fresco delle stelle, anche più in là.

Sogni, tu sogni nel mare dei sogni…

Vorrei girare il cielo come le rondini
e ogni tanto fermarmi qua e là
aver il nido sotto i tetti al fresco dei portici
e come loro quando è la sera chiudere gli occhi con semplicità.
Vorrei seguire ogni battito del mio cuore
per capire cosa succede dentro
e cos’è che lo muove,
da dove viene ogni tanto questo strano dolore.

Vorrei capire insomma che cos’è l’amore,
dov’è che si prende, dov’è che si dà…

Sogni, tu sogni nel cielo dei sogni…’

Getagd met:
feb 19

Na ruim 750 blogstukjes leek het me aardig weer eens iets nieuws te doen, waardoor jullie tijdens het lezen van Ciao tutti nog meer het gevoel hebben van achter je computer even in Italië beland te zijn. Ik blog namelijk wel elke dag over Italië en Italiaanse zaken, maar nooit in het Italiaans. En dat terwijl het zo’n heerlijke taal is, met een prachtige klank die je gelijk meevoert naar Toscaanse wijnboeren, Napolitaanse pizzabakkers en Venetiaanse gondeliers.

Vandaar dat het me leuk leek om af en toe ook wat kleine stukjes Italiaans aan jullie voor te schotelen. Om al een beetje te oefenen voor de komende reis naar Italië, om te genieten van die prachtig uitgebreide frasen die Italianen bezigen of simpelweg om je kennis op peil te houden.

We beginnen met een paar teksten uit het boek Venezia è un pesce van Tiziano Scarpa, die in 2009 de prestigieuze Premio Strega won voor Stabat mater. Zijn boek over Venetië, dat al in 2000 verscheen maar dat ik onlangs tegenkwam in een nieuwe druk uit 2010, laat op het omslag al zien dat Venetië inderdaad veel weg heeft van een vis, vanuit de lucht gezien.

Hij neemt je mee op reis door het Venetië zoals zijn ogen dat zien, zoals zijn voeten het belopen, zoals zijn hart het heeft omsloten. In negen hoofdstukken laat hij evenveel lichaamsdelen de revue passeren, die allemaal hun herinneringen aan Venetië onthullen.

Een stukje uit Scarpa’s inleiding:

‘Venezia è un pesce. Guardala su una carta geografica. Assomiglia a una sogliola colossale distesa sul fondo. Corne mai questo animale prodigioso ha risalito l’Adriatico ed è venuto a rintanarsi proprio qui? Poteva scorrazzare ancora, fare scalo un po’ dappertutto, secondo l’estro; migrare, viaggiare, spassarsela corne le è sempre piaciuto: questo fine settimana in Dalmazia, dopodomani a Istanbul, l’estate prossima a Cipro. Se si è ancorata da queste parti, un motivo ci deve essere. I salmoni si sfiancano controcorrente, si arrampicano sulle cascate per andare a fare l’amore in montagna. Balene, sirene e polene vanno a morire nel mar dei Sargassi.

Gli altri libri sorriderebbero di quello che ti sto dicendo. Ti raccontano la nascita dal nulla della città, la sua strepitosa fortuna commerciale e militare, la decadenza: fiabe. Non è cosi, credimi. Venezia è sempre esistita corne la vedi, o quasi. È dalla notte dei tempi che naviga; ha toccato tutti i porti, ha strusciato addosso a tutte le rive, le banchine, gli approdi: sulle squame le sono rimaste attaccate madreperle mediorientali, sabbia fenicia trasparente, molluschi greci, alghe bizantine. Un giorno però ha sentito tutto il gravame di queste scaglie, questi granelli e schegge accumulati sulla pelle un poco per volta; si è resa conto delle incrostazioni che si stava portando addosso. Le sue pinne sono diventate troppo pesanti per sgusciare fra le correnti. Ha deciso di risalire una volta per tutte in una delle insenature più a nord del Mediterraneo, la più tranquilla, la più riparata, e di riposare qui.’

Het mooist is misschien wel het verhaal van de benen, die het in Venetië zwaar te verduren krijgen:

‘Una faticaccia: le case sono vecchie, pochissime hanno l’ascensore; non c’era proprio posto nella tromba delle scale. Per la strada, ogni cinquanta, cento metri salta fuori un ponte: almeno una ventina di gradini da salire e scendere. Poche malattie di cuore, a Venezia. Tanti acciacchi alle ossa, reumatismi provocati dall’umidità.

Continuerai a satire e a scendere anche nelle calli: Venezia non è mai piatta, è un continuo dislivello, tutta groppe, dossi, gnocchi, schiene gibbose, avval­lamenti, depressioni, displuvi; le fondamente digradano verso i rii, i campi sono trapuntati dai tombini come bottoni affondati nei gonfiori di una poltrona. Questo capitolo, oltre alle gambe, è dedicato per­tanto anche al labirinto: o meglio, alla coppia di labirinti corporei, le due chiocciole in fondo alle orecchie che ti danno il senso dell’equilibrio.

Io non so quanto sia vera questa storia, te la rivendo cosi come me l’hanno raccontata: conta le colonne del palazzo Ducale, sul lato esposto verso il bacino san Marco, di fronte all’isola di san Giorgio. Cominciando dall’angolo, arriva alla quarta colonna. noterai che è leggermente fuori allineamento rispetto alle altre, si sporge in avanti di pochi centimetri. Se appoggi la schiena alla colonna e cerchi di strisciare addosso alla sua circonferenza, dalla parte esterna del colonnato, non potrai fare a mena di cadere dal microscopico gradino di marmo bianco che si alza sulle pietre grigie della riva. Prova e riprova, ti sbilancerai e cadrai dal gradino anche se ti schiacci contro la colonna o allunghi di lato una gamba per slanciarti oltre l’orlo e superare il punto critico.

Da bambino ci provavo sempre, era molto più di una sfida o un gioco, mi procurava un brivido vero: mi avevano detto che ai condannati a morte veniva offerta quest’ultima possibilità di salvezza, una specie di ordalia equilibrista, un giudizio di Dio per acrobati; se fossero riusciti a strisciare attorno alla colonna senza poggiare i piedi sulle pietre grigie avrebbero ricevuto misericordia all’ultimo momento. Crudelissima illusione, che si potrebbe chiamare supplizio della speranza, come il racconto perfido di uno scrittore francese dell’Ottocento. Ad ogni modo, mi piace questa rappresentazione della morte profonda pochi centimetri, invece del solito abisso: non è un’immagine ampollosa ed è molto più spaventevole. Forse morire sarà così: forza, il gradino è minuscolo, non si precipita affatto in un baratro, guarda, sono soltanto tre centimetri, su, basta uno sforzo minimo, nessuno ti sta spingendo, dai, un po’ di equilibrio, è facile…’

Het advies van Scarpa is wel om van je benen in Venetië het uiterste te vergen:

‘Preparati a salire in vaporetto (batèo, battello), aspetta in piedi sui pontili d’imbarco (gli imbarcadèri): il vaporetto accosta, ti dà uno scossone che ti prende di sorpresa come una spinta a tradimento. Monta sul battello e, anche lì, non sederti, resta in piedi sulla plancia, sotto la tettoia esterna; senti con le gambe il tremolio del motore nella pancia del vaporetto che ti fa vibrare i polpacci, il rollio che ti costringe a spostare continuamente il peso del corpo da una gamba all’altra, ti fa tendere e rilasciare muscoli che non sapevi nemmeno di avere.’

Voor wie het Italiaans machtig is, is deze unieke stadsgids van Scarpa echt een aanrader. In de stad die als een vis in het water ligt voel je je dankzij zijn verhalen, beschouwingen en tips zelf al snel als een vis in het water en wandel je door de stad zonder te verdrinken in de mensenmassa.

Getagd met:
feb 12

Overmorgen is het Valentijnsdag – een dag waarop je je geliefde uiteraard verrast met een Italiaans etentje, al dan niet in Italië. Maar waar neem je je amore mee naartoe? Naar een heus ristorante, een trattoria of gewoon gezellig naar een pizzeria? En wat is het verschil eigenlijk?

De kleine Italiaans voor Dummies zet de verschillende Italiaanse eetgelegenheden voor je op een rijtje, zodat je goed beslagen ten ijs komt:

‘Voordat je in Italië je honger gaat stillen, moet je bepalen waar je dat gaat doen. Het grote aanbod restaurants in Italie maakt de keuze er niet makkelijker op. Je kunt kiezen uit:

bar (bar): een Italiaanse bar met allerlei drankjes en kleine hapjes.

paninoteca (pa-nie-no-te-ka): hier kun je allerlei warme en koude broodjes krijgen.

osteria (os-te-rie-ja): een kleine eetgelegenheid waar je een eenvoudige, maar smakelijke hap kunt krijgen. De prijzen zijn meestal laag.

trattoria (trat-to-rie-ja): een trattoria houdt het midden tussen een osteria en een restaurant. De prijzen zijn gemiddeld.

taverna (ta-ver-na): de kwaliteit van het eten en drinken is iets lager dan in een trattoria.

ristorante (ries-to-ran-te): Italië kent uitstekende restaurants, maar de prijzen variëren nogal. De beste strategie: bekijk eerst de prijzen en beslis daarna.

pizzeria (piet-tse-rie-ja): de meeste verkopen veel verschillende pizza’s. Pizza’s zijn altijd goed in Italië. Je kunt hier ook pasta en salade krijgen.

tavola calda (ta-vo-la kal-da): een soort fastfoodrestaurant of afhaalrestaurant, waar je warme gerechten kunt krijgen.’

Tja, hier moet ik als Italiëkenner toch even ingrijpen in de tekst van De kleine Italiaans voor dummies. Vooral bij de pizzeria. De echte Italiaanse pizzeria verkoopt namelijk maar een paar soorten pizza: de margherita, de marinara en soms nog een variant als extra margherita (met extra mozzarella). Dus niks geen veel verschillende pizza’s; dat doen ze puur voor de toeristen. En dus eigenlijk ook geen pasta en salade. Bovendien: bij pizza drink je cola of bier, een uitgebreidere keuze is er vaak niet.

Nu kun je bij de laatst genoemde eetgelegenheid meer dan lekker eten – het gaat misschien zo snel als fast food, maar je mag je bord volscheppen met de lekkerste pasta’s, groentegerechten en gebraden vlees. Maar of het geschikt is voor Valentijnsdag, met zijn tl-licht, gehaaste obers, plastic stoeltjes en allesbehalve romantische sfeer? Ik weet het nog zo net niet…

Ik geloof dat ik toch het meest verrast word door een romantisch gedekte tafel thuis, met kaarsen en niet al te ingewikkelde Italiaanse heerlijkheden. Maar of mijn Valentijn dat nu ook zo’n goed idee vindt?

Wie daarom toch graag een tafeltje in een Italiaanse setting reserveert, kan met De kleine Italiaans voor Dummies in elk geval uit de voeten, zowel voor de keuze van een soort restaurant als voor de reservering. Voor een ingewikkelde liefdesverklaring zou ik echter de grote broer aanschaffen, want met deze kleine versie kom je op dat gebied niet zo ver. Of kijk bij de liefdesverklaringen die ik twee jaar geleden op mijn blog zette of bij de mooi vormgegeven Valentijnswens van vorig jaar. Maar natuurlijk mag je mij ook altijd mailen – kleine Valentijnswensen op maar worden nog voor Cupido met zijn pijlen gaat schieten vertaald!

 

De kleine Italiaans voor Dummies
Francesca Roman Onofri & Karen Antje Moller
ISBN 9789043023245
€ 7,95
Pearson Education

feb 08

Toen ik afgelopen weekend het stukje over Saint Amour Italia schreef en de azuurblauwe achtergrond van de festivalbanner zag, moest ik denken aan de tip die ik een paar maanden geleden van Suzanne, een van de trouwe lezers van Ciao tutti, kreeg. Zij liet mij kennis maken met het liedje Azzurro van Adriano Celentano, een zomerhit eind jaren zestig.

Het liedje is geschreven door niemand minder dan Paolo Conte, die de thema’s van liefde, eenzaamheid en zomer in een Italiaanse stad samen met Vito Pallavicini en Michele Virano speciaal voor Celentano optekende. Via deze link kun je deze versie beluisteren, maar de versie die het Italiaanse voetbalteam ooit zong is veel vrolijker…

Wie mee wil zingen en alvast de zomer wil verwelkomen, in elk geval in zijn hoofd en hart, vindt hieronder de tekst:

Cerco l’estate tutto l’anno e all’improvviso eccola qua
Lei è partita per le spiagge e sono solo quassù in città
Sento fischiare sopra i tetti un aeroplano che se ne va

Azzurro, il pomeriggio è troppo azzurro e lungo per me
Mi accorgo di non avere più risorse senza di te
E allora io quasi quasi prendo il treno e vengo, vengo a te
Il treno dei desideri nei miei pensieri all’incontrario và

Sembra quand’ero all’oratorio, con tanto sole, tanti anni fa
Quelle domeniche da solo in un cortile, a passeggiar
Ora mi annoio più di allora, neanche un prete per chiacchierar

Azzurro, il pomeriggio è troppo azzurro e lungo per me
Mi accorgo di non avere più risorse senza di te
E allora io quasi quasi prendo il treno e vengo, vengo a te
Il treno dei desideri nei miei pensieri all’incontrario và

Cerco un pò d’Africa in giardino, tra l’oleandro e il baobab
Come facevo da bambino, ma qui c’è gente, non si può più
Stanno innaffiando le tue rose, non c’è il leone, chissà dov’è

Azzurro, il pomeriggio è troppo azzurro e lungo per me
Mi accorgo di non avere più risorse senza di te
E allora io quasi quasi prendo il treno e vengo, vengo a te
Il treno dei desideri nei miei pensieri all’incontrario va

Voor de liefhebber ook een paar YpuTube-filmpjes van dit lied:

*Azzurro in de originele uitvoering van Adriano Celentano

*Azzurro in de uitvoering van gli Azzurri, het Italiaanse voetbalelftal

*Azzurro in de uitvoering van de Duitse band Die Toten Hosen, die er een punkversie van maakten

feb 06

Volgende week is het zover, dan vallen er weer anonieme kaartjes door de brievenbus, worden er etentjes bij kaarslicht georganiseerd en gedichten opgedragen aan de grote liefde. Om alvast in de stemming te komen vandaag op Ciao tutti een aankondiging van een prachtige ode aan de liefde: Saint Amour.

Saint Amour in Nederland
Van 8 tot en met 15 februari trekt de zevende editie van Saint Amour langs een aantal Nederlandse theaters. Dit keer neemt Saint Amour je mee naar de bakermat van de liefde: la bella Italia. Er zijn meesters en leerlingen in de kunst van het verleiden, en het meesterschap begon zonder twijfel daar, in het land van Berlusconi en la Cicciolina, maar ook van Catullus en Casanova.

Saint Amour kleurt in 2012 azuurblauw en eert de liefde met de voorhoede van de Italiaanse literatuur. Na afloop van de succesvolle Saint Amour Italia-tournee in Vlaanderen (februari 2011) bevestigden Irene Lamponi, Francesco Pacifico, Ilja Leonard Pfeijffer en Sandro Veronesi graag hun medewerking aan deze Nederlandse tournee. Ook Thom Hoffman, Herman Koch en Arjen Lubach zegden hun deelname toe.

Sandro Veronesi, die met Kalme chaos de prestigieuze Premio Strega won, leest uit zijn nieuwe roman XY een verhaal over de verwoestende invloed van achterdocht op het liefdesleven. Francesco Pacifico schreef met Geschiedenis van mijn puurheid een boek over de fanatieke katholiek Piero Rosini, die zijn ‘puurheid’ op het spel zet voor de wulpse heupbewegingen van zijn schoonzus Ada.

Tijdens Saint Amour krijgen Pacifico en Veronesi het gezelschap van hun Nederlandse collega’s Herman Koch, Arjen Lubach en Ilja Leonard Pfeijffer. Italofielen Koch en Lubach brengen een tekst waarin de twee thema’s van deze voorstelling, liefde en Italië, een prominente rol spelen. Pfeijffer, die op de fiets naar Italië reed en in Genua bleef hangen, schreef speciaal voor Irene Lamponi de theatermonoloog La pace denunciata. De Italiaanse actrice laat het Nederlandse publiek voor het eerst kennismaken met Pfeijffers Italiaanse werk en brengt ook een tekst van de Italiaanse dichter Gabriele D’Annunzio ten gehore. Acteur Thom Hoffman declameert klassieke Latijnse teksten, onder andere van de reeds genoemde Catullus, de allereerste liefdesdichter. In het Latijn, welteverstaan.

Saint Amour in Vlaanderen
Bij onze zuiderburen kennen ze deze ode aan de liefde al wat langer. Op 10 februari gaat daar de negentiende editie van Saint Amour van start, die in het teken van De Onbereikbare staat. Dat de ideale liefde vaak onbereikbaar blijft, wist de Romeinse dichter Ovidius tweeduizend jaar geleden al toen hij Eurydice in de onderwereld liet verdwijnen. Of Dante, die zijn leven lang verliefd was op Beatrice en haar de hoofdrol gaf in zijn Divina commedia. Sindsdien adoreren en vervloeken tal van schrijvers de onbereikbare geliefde, die te jong is of te oud, te ver, te nabij, te mooi, te dood, te getrouwd.

De Onbereikbare wordt tot en met 19 februari bezongen door een voortreffelijk gezelschap jonge en gevestigde schrijvers: Peter Buwalda, Wim Helsen, David Mitchell, Connie Palmen, P.F. Thomése, David Vann en Floortje Zwigtman.

De Onbereikbare leidt in Peter Buwalda’s vuistdikke en veelgeprezen debuutroman Bonita Avenue naar pornografie en schizofrenie. P.F. Thomése (J.Kessels: The Novel) kiest uit zijn verschillende stijlen de hilarische. David Mitchell heeft het in zijn merkwaardige meest recente roman De niet verhoorde gebeden van Jacob de Zoet (2010) over een jonge domineeszoon, die verliefd wordt op een Japanse vroedvrouw voor die bij een brand verminkt raakt. David Vann beschrijft in Caribou Island perfect de menselijke eenzaamheid en het onvermogen om geluk te verwerven.

In de trilogie Een groene bloem van Floortje Zwigtman gaat de zestienjarige Adrian Mayfield in het Londense homomilieu op zoek naar zijn Grote Liefde. Grande dame van de Nederlandse literatuur Connie Palmen confronteert het publiek met de ultieme onbereikbaarheid en cabaretier-acteur Wim Helsen brengt een nieuwe tekst op z’n wimhelsens. Naast treurdichten, lofzangen en andere literair gehunker zal er naar goede gewoonte ook film en muziek zijn.

Kijk voor meer informatie over beide festivals op www.behouddebegeerte.nl.

jan 14

Vandaag zijn we weer terug in Pisa, de stad van Galileo Galilei waar we eerder deze maand, op Galileo’s sterfdag, al even waren. De stad heeft helaas niet veel meer herinneringen aan de grote wetenschapper. Vooruit, het vliegveld van Pisa is naar hem vernoemd, maar zeg nou zelf, een museum was meer op zijn plek geweest. Daarvoor moeten we echter naar Florence, maar voordat we daar later deze week heen reizen, nog een prachtig verhaal over het genie uit Pisa.

Galileo liep namelijk niet met zijn ideeën te koop. We weten allemaal dat hij het in het openbaarheid brengen van zijn meningen en gedachten heeft moeten bekopen met een langdurig huisarrest. Maar ook voor die tijd was Galileo voorzichtig en nam hij bij het optekenen van zijn bevindingen alle voorzichtigheid in acht.

Het was misschien ook wel een beetje eerzucht dat hem ertoe dwong zijn aantekeningen niet eenduidig te noteren. Want stel dat een andere wetenschapper ze zou lezen en met zijn ontdekkingen aan de haal zou gaan?

Wat het motief ook was, feit is dat Galileo zijn aantekeningen niet letterlijk noteerde. Net zoals Da Vinci zijn aantekeningen meestal in spiegelschrift noteerde, bedacht Galileo een manier om zijn bespiegelingen cryptisch weer te geven. Hij vond een oplossing in het optekenen van anagrammen. Een anagram is een woord of zin, gevormd uit de letters van een ander woord of een andere zin maar in een andere volgorde.

Dat was precies wat Galileo deed – en waar hij heel wat uren op gepuzzeld moet hebben. Zo noteerde hij toen hij twee raadselachtige vlekjes aan weerszijden van Saturnus zag: SMAISMRMILMEPOETALEVMIBVNENVGTTAVIRAS. Zowel de Toscaanse ambassadeur in Praag als Johannes Kepler, die hij hierover had bericht, konden er geen touw aan vastknopen.

Kepler deed echter wel een poging het raadsel op te lossen en vond: Salve umbistineum geminatum Martia proles (Heil, stralende tweelingzoons van Mars), waaruit hij opmaakte dat Galileo had ontdekt dat Mars twee manen had. Nu weten we dat dat inderdaad klopt, maar toentertijd waren de manen van Mars ver buiten bereik van Galileo’s telescoop. De juiste oplossing van het anagram was Altissimum planetam tergeminum observavi (Ik heb de hoogste planeet drievoudig gezien).

Een maand later ontdekte Galileo de schijngestalten van Venus. Hij maakte van zijn waarneming een notitie voor Giuliano De’ Medici, die luidde: Haec immatura a me jam frustra legunturoy (Dit onvolwassene heb ik vergeefs gelezen). Wederom deed Kepler een poging de letters in de juiste volgorde te zetten. Het duidt op een knappe geest dat hij er wederom iets van weet te maken, namelijk: Macula rufa in Jove est gyratur mathemarum (Een rode vlek op Jupiter draait mathematisch rond).

Inderdaad heeft Jupiter een rode vlek, maar die had Galileo nog niet gezien. Hoe knap Kepler dus ook met Galileo’s letters goochelde, hij zat er wederom naast. De juiste oplossing was: Cynthiae figuras aemulatur mater Amorum (De moeder van Amor (Venus dus) imiteert de vormen van Cynthia (dus de maan)). Opmerkelijk is wel dat Galileo in geen enkel anagram de naam van de hemellichamen waarover hij schrijft noemt. Dat deed hij ongetwijfeld om het oplossen van zijn raadsel te bemoeilijken – hij kon immers niet voorzichtig genoeg zijn…

Getagd met:
preload preload preload