mrt 22

Uitgeverij De Boekerij jubelde over deze thriller: ‘Het verhaal van Aria voor een verleden lijkt misschien simpel, maar de eenvoud bedriegt. Aan het einde van deze thriller blijf je als lezer ademloos achter door het vernuft waarmee de structuur en de niet-lineaire plot zijn vormgegeven. Dit is een echte juweel van een thriller!’

Toen verscheen er ook nog eens een zeer positieve recensie in het Parool. Hans Knegtmans schreef: ‘Aria voor een verleden is waarschijnlijk de meest understated thriller van dit jaar. En ook een van de beste.’ Dan kun je als Italiëliefhebber nog maar één ding doen: het boek kopen en je pagina na pagina laten meeslepen door het verhaal van Anton en Aria, tot het bittere einde…

Anton Waker komt uit een familie van kleine criminelen. Samen met zijn nicht Aria handelt hij in valse paspoorten en identiteitsbewijzen. Maar Anton besluit uit het criminele leventje te stappen. Hij vervalst nog wel even een Harvard-diploma voor zichzelf, accepteert een goedbetaalde baan bij een degelijk bedrijf en hij verlooft zich. Vlak voor zijn bruiloft en huwelijksreis naar Italië wordt Anton echter gechanteerd door Aria: hij moet tijdens zijn huwelijksreis meewerken aan één laatste klus, anders vertelt ze Antons nieuwe echtgenote over zijn criminele verleden.

Onderstaand een fragment uit het boek. Wees gewaarschuwd voor je het gaat lezen, want je kunt niet meer terug en zal net als Anton aan het einde van het fragment willen verdwijnen, maar dan in het spannende verhaal dat je 272 pagina’s lang meezuigt.

‘Op de ochtend na zijn bruiloft vloog hij naar Italië.
Sophie poseerde voor het Colosseum, naast een gladiator met een digitaal horloge om. Ze ging voor de TRevi-fontein staan terwijl hij de ene na de andere foto van haar nam in een poging het hele rolletje vol te schieten.

‘Neem me niet kwalijk,’ zei ze tegen een passerende toerist, ‘maar zou u een foto van ons samen willen nemen?’ Toen ze dat zei, deed Anton het beschermkapje voor de lens, en Sophie noch de fotograaf had het in de gaten toen de foto genomen werd. Hij wilde geen fotografisch bewijsmateriaal dat hij ooit in dit land geweest was.

Op het eiland Capri zag ze het beschermkapje.
Nee, zei hij, dat had er natuurlijk niet de hele reis al op gezeten. Ja, hij wist het zeker. Nee, echt niet, zei hij, hij had het er pas na de laatste fotoserie op gedaan. Nee, hij vond het niet erg, ze hoefde zich niet te verontschuldigen voor het feit dat ze aan hem had getwijfeld. Nee joh, het was een alleszins redelijke vraag. Hij hield ook van haar. Nee, echt. Stil maar, niet huilen.

De Noorse toerist die een foto van hen zou nemen, gaf de camera in de emotie van het moment, om onverklaarbare redenen schuldbewust, terug en de foto was dus uiteindelijk niet genomen.

Op Capri wilde Sophie de Blauwe Grot zien. Het kostte vijfendertig euro om aan boord te kunnen gaan van een boot die hen langs de schitterende kust voer. Anton hield Sophies hand vast en keek op naar de vissersheiligen, kleine beeldjes die op krankzinnige hoogten in de donkere rotsen boven hen geperst stonden. Kijk dit heilige eiland, deze heiligen die van hoog in de rotsen hun zegeningen uitdelen. Patroonheiligen voor voorspoed en sterke netten, voor getijden en vissen. Sophie hield zijn hand vast en keek omlaag naar het water.

Toen ze bij de grot aankwamen, waren er al twee andere bootladingen met toeristen. De boten lagen een paar meter voor de kust op de golven te deinen en het bleek nog eens vijfentwintig euro te kosten om op een roeibootje over te stappen dat per keer twee toeristen naar een kleine opening tussen de rotsen en de zee vervoerde. De mannen die de toeristen deze onderwereld binnen voeren, waren vriendelijk en geanimeerd, maar de hele operatie deed Anton aan een lopende band denken – een toerist geld aftroggelen, de toerist in grot brengen, de toerist terug naar boot brengen – en de onverwachte extra kosten schrokken hem af.

Maar Sophie wilde het per se doen; ze betaalde het extra bedrag en wachtte geduldig op het benedendek op haar beurt, terwijl Anton naar de stoet toeristen keek die de grot inging en weer uitkwam. De meeste toeristen die terugkwamen glimlachten, maar in zijn ogen zagen ze er allemaal lichtelijk teleurgesteld uit, net als de menigte die hij een paar dagen daarvoor uit de Sixtijnse Kapel had zien druppelen.

‘Ik heb mijn hele leven al over de Blauw Grot gehoord,’ hoorde hij een van hen tegen een ander zeggen, maar het antwoord verstond hij niet. Toen Anton weer omlaag keek naar het benedendek, was Sophie verdwenen, en hij voelde even een golf van iets wat op paniek leek toen hij dacht dat ze misschien overboord was gevallen, maar toen keek hij naar de grot en zag hij hoe ze nog net haar hoofd introk toen de roeiboot onder de rotsen verdween. Ze bleef erg lang weg, vond hij.

Anton hield de reling vast terwijl hij op haar stond te wachten. De boot deinde op en neer in de golfslag van de andere boten om hen heen. Hij deed zijn ogen dicht en kreeg even het gevoel dat hij hier in dit schitterende licht, ver weg van Brooklyn, van zijn ouders en van Aria, op zesduizend kilometer afstand, kon verdwijnen.’

Aria voor een verleden
Emily St. John Mandel
vertaald door Mireille Vroege
ISBN 9789022558119
€ 15,00 (t/m 31 maart, daarna € 17,95)
De Boekerij

Wie snel verder wil lezen, gaat vandaag nog naar de boekhandel of bestelt Aria voor een verleden via deze link bij bol.com

mrt 21

Het valt niet mee De naam van de roos te benoemen. Is het een middeleeuwse kroniek, een detective, een ideologische sleutelroman of een allegorie? Wie één oog dichtknijpt en in het boek kijkt als in een ver verwijderde spiegel, zal in elk geval gemakkelijk de monnikskappen en kardinaalsmijters uit de middeleeuwse dagen verwarren met de moderne tekens van macht.

De naam van de roos verscheen precies dertig jaar geleden. Het wordt beschouwd als Umberto Eco’s oerwerk; de roman vormde het begin van een subliem schrijverschap. Nu, na drie decennia, vond Eco het tijd om zijn meesterwerk weer eens opnieuw woord voor woord na te lopen, en te voorzien van de nodige aanvullingen en uitbreidingen. Zoals hij het zelf zegt:

‘In deze herziene, gecorrigeerde uitgave van mijn roman van dertig jaar geleden veranderen de wijzigingen die ik her en der in de oorspronkelijke tekst heb aangebracht noch de narratieve structuur, noch de stijl, die geen andere kan zijn dan die van een middeleeuwse chroniqueur. Ik heb een aantal termen die ik een paar bladzijden van elkaar herhaal verwijderd, en veel ingrepen hebben te maken met het ritme, want je hoeft maar een bijvoeglijk naamwoord weg te halen of een tussenzin te schrappen en de hele zin wordt luchtiger. Ik ben te werk gegaan als een tandarts die een prothese heeft aangebracht bij een patiënt, en die patiënt heeft het gevoel dat hij een steen in zijn mond heeft: hij haalt er even de boor overheen en de tanden staan meteen beter op elkaar.

Ik heb er een paar foutjes uitgehaald die te wijten waren aan een haastige vertaling van de middeleeuwse bronnen; ik was bijvoorbeeld in een herbarium uit die tijd cicerbita tegengekomen (wat een soort cichorei is) en had daar cucurbita van gemaakt, waardoor het een pompoen werd, en pompoenen kenden ze nog niet in de Middeleeuwen. Die kwamen pas later naar Europa, uit Noord- en Zuid-Amerika. Zo had ik ook onterecht melding gemaakt van paprika’s en een violino – een viool –, die in die tijd niets anders kon zijn dan een viella, een vedel.

Op een bepaald moment zegt Adson dat hij iets in een paar seconden heeft gedaan, terwijl de seconde als tijdseenheid in de Middeleeuwen niet bestond. Je zou – gezien het feit dat het verhaal een vertaling lijkt van een negentiende-eeuwse Franse versie van een middeleeuwse tekst – natuurlijk kunnen zeggen dat die seconden best aan mijn abt Vallet konden worden toegeschreven, en dat ik me dus niet druk had hoeven maken. Maar als je eenmaal hebt besloten te herzien en te corrigeren, word je pietluttig. De grootste veranderingen (maar het gaat nog steeds om weinig regels) betreffen de beschrijving van het gezicht van de bibliothecaris, waarin ik een al te ostentatieve verwijzing naar de neogotiek wilde schrappen, en sommige Latijnse citaten.

Het Latijn was en blijft van wezenlijk belang om de lotgevallen een kloosterlijk tintje te geven en bepaalde verwijzingen naar ideeën uit die tijd geloofwaardig en authentiek te doen overkomen. Anderzijds wil ik mijn lezer altijd enige tucht opleggen. Maar ik vond het vervelend dat een aantal lezers mij vertelden dat ze zich voor sommige citaten genoodzaakt zagen een Latijns woordenboek te raadplegen. Dat ging me wat al te ver, zo raakten ze uit het verhaal. Mijzelf stoorde het niet, en stoort het nog steeds niet dat er Latijnse citaten in staan, vooral niet als het alleen maar boektitels zijn; ze helpen om afstand tot het heden te creëren. Maar in een aantal gevallen merkte ik dat als je het citaat niet snapte, je niet goed kon begrijpen wat ik vertelde.

[…]

Voor het overige zijn de veranderingen, zoals ik al zei, niet aangebracht ten faveure van de lezer, maar ten faveure van mijzelf als herlezer, om me stilistisch meer op mijn gemak te voelen daar waar het vertoog mij enigszins hijgerig leek.’

Eco’s herziening maakt De naam van de roos nog virtuozer, en vooral: nog altijd actueel in tijden waarin macht in elk leven verweven is. Een goede reden dus om het verhaal nog eens heerlijk te herlezen!

De naam van de roos
Umberto Eco
vertaald door Jenny Tuin & Pietha de Voogd
ISBN 9789044620443
€ 19,95
uitgeverij Prometheus

mrt 20

De tweede week van leestips in het kader van de Boekenweek beginnen we met Uit liefde voor Josiah, dat op intelligente en levendige wijze het leven van drie ongewone mensen optekent. De achtjarige Josiah staat er alleen voor. Zijn bijzondere ouders leerden elkaar kennen in een psychiatrische inrichting, werden verliefd en begonnen samen een leven. Maar de sociale diensten geloofden niet in het huwelijk van de eigenzinnige, intelligente Eve en de zwijgende tuinman Gibson Nelson.

Door een gruwelijk misverstand verdwijnen uiteindelijk beide ouders uit Josiahs leven. Pas als hij Thomas, een leraar klassieke talen, leert kennen begint er een gelukkiger leven voor hem. Maar wanneer zij samen terugkomen van een reis naar Italië wacht hen een onaangename verrassing. Iedereen in dit verhaal handelt ‘uit liefde’, alleen verstaat iedereen daar wat anders onder…

Uit liefde voor Josiah is vrolijk, diepzinnig en ontroerend. Een meeslepend verhaal over vriendschap en liefde, en over dat je nooit voorzichtig moet zijn met houden van, alleen met het te snel veroordelen van andere manieren van liefde. Een fragment:

‘De reden dat Thomas tot nu toe hartstochtelijk veel van boeken had gehouden, was dat hij boeken altijd vele malen interessanter had gevonden dan mensen. Het karakter van de gemiddelde persoon, zo had hij vele jaren geleden hardvochtig besloten, was te reduceren tot een minimaal aantal categorieën: aardig/gemeen, dom/slim, wijs/stompzinnig – en de derde categorie bestond niet eens totdat hij na het ter ziele gaan van zijn huwelijk naar Cambridge terugkeerde.

Maar het spannende van ideeën was dat ze losstonden van de mensen die ze toevallig hadden bedacht, en hij vond wetenschappelijke werken opwindend juist omdat de schrijvers ervan onzichtbaar waren, of zouden moeten zijn. Want persoonlijkheid en bevooroordeeldheid waren een en hetzelfde – wat waren vooroordelen immers anders dan openbare uitingen van persoonlijke verlangens en aversies? En wat was de persoonlijkheid anders dan een privécatalogus van diezelfde verlangens en aversies voor eigen gebruik?

En daarom stond hij zelf versteld van zijn belangstelling voor de jongen. Als de studenten in Cambridge verschenen, waren ze min of meer ‘af’ – ze hadden de persoonlijkheid die ze de rest van hun leven zouden hebben, hij kon ze in gedachten in een grafiek onderbrengen en ze stelden hem zelden voor verrassingen. Maar die jongen was aandoenlijk onvolmaakt in de zin dat hij nog niet ‘af’ was.

Toen Thomas naar de exacte formulering zocht om zijn specifieke hoedanigheid te omschrijven, moest hij zijn toevlucht nemen tot het Latijn: perfecte imperfectus, want er waren in zijn karakter twee lijnen die evenwijdig liepen en prima facie tegenstrijdig waren: hij was enerzijds onafhankelijker dan de meeste volwassenen, aangezien hij geen belangstelling had voor, en evenmin enige zelfwaardering ontleende aan zijn leeftijdgenoten.

Maar tegelijkertijd vertoonde zijn leven een gat dat zo groot was dat hij zelfs in die paar momenten dat ze samen waren geweest blijk had gegeven van een welhaast wanhopige zucht naar datgene wat er ontbrak – zo kwam het Thomas althans voor terwijl hij hun ontmoeting honderdmaal voor zijn geestesoog liet passeren.

En toen de dagen weken werden, begreep hij waarom hij geobsedeerd was geraakt: omdat hij dacht dat hij, Thomas Marius, hem zou kunnen helpen dat ontbrekende deel te vinden.’

Lees het bijzondere verhaal van Thomas en Josiah in

Uit liefde voor Josiah
Olivia Fane
vertaald door Lidwien Biekmann & Wim Scherpenisse
ISBN 9789046811955
€ 19,95
Nieuw Amsterdam

mrt 18

In nood leert men zijn vrienden kennen, luidt het spreekwoord. Marcus Tullius Cicero kon daarover meepraten: in de nadagen van de Romeinse republiek in de eerste eeuw voor Christus raakte hij in de problemen doordat hij met zowel Caesar als Pompeius bevriend was. Beide heren, ooit goede vrienden, kwamen op voet van (burger)oorlog met elkaar te staan, en Cicero moest kiezen. Na lang aarzelen koos hij verkeerd: Pompeius trok aan het kortste eind en Caesar liet Cicero vervolgens een toontje lager zingen.

Cicero trok zich terug uit de actieve politiek en schreef een flink aantal filosofische werken. Een van de charmantste daarvan gaat over het onderwerp vriendschap en krijgt nu een nieuwe Nederlandse vertaling, verzorgd door de classicus en filosoof Rogier van der Wal. Cicero’s tekst verdient dat, want als stilist kent hij zijn gelijke niet, en wat hij over vriendschap te melden heeft is boeiend en actueel. Zelfs ontvrienden blijkt geen nieuw fenomeen!

Een prachtig fragment:

‘Wie vriendschap uit het leven weghaalt lijkt de zon uit de wereld weg te nemen. Van de onsterfelijke goden hebben we geen beter en geen aangenamer geschenk gekregen dan vriendschap. Want wat is die onbezorgdheid? Weliswaar is die op het eerste gezicht verleidelijk, maar in werkelijkheid is zij in vele gevallen verwerpelijk.

Het is tegennatuurlijk een eervolle zaak niet eens op je te nemen of, als je die eenmaal opgenomen hebt, neer te leggen en op die manier zorgen uit de weg te gaan. Maar als we zorgen ontvluchten, dan moeten we ook de deugd uit de weg gaan, die noodzakelijkerwijs met enige mate van zorg gepaard gaat omdat zij het tegenovergestelde afwijst en haat, zoals goedheid slechtheid, gematigdheid wellust en dapperheid lafheid.

Zo kun je zien dat rechtvaardige mensen het meest onder onrechtvaardige dingen lijden, dappere mensen onder lafheid en mensen met zelfdiscipline onder onbeheerst gedrag. Dus het is eigen aan iemand met de juiste instelling dat hij zich over goede dingen verheugt en van het tegenovergestelde verdriet heeft.

Als zodoende een wijs iemand verdriet kan overkomen (en dat zal hem zeker overkomen, als we hem niet alle menselijkheid willen ontzeggen), waarom zouden we dan vriendschap volledig uit het leven wegnemen, alleen maar om er geen last van te hebben? Want als je de emoties wegneemt, wat is er dan voor verschil, ik zeg niet tussen een kuddedier en een mens, maar tussen een mens en een boomstam of een rots of welke van dat soort dingen dan ook?

We moeten niet luisteren naar hen die van de deugd iets hards willen maken, bijna in staal gegoten. Zij is namelijk in veel gevallen, en vooral in het geval van vriendschap, juist fijngevoelig en toegeeflijk, zodat ze zich als het ware verspreidt wanneer het met een vriend goed gaat en zich concentreert bij tegenslag. Daarom is de bezorgdheid die we vaak voor een vriend voelen niet zo sterk dat die de vriendschap uit het leven wegneemt, net zomin als we deugdzame handelingen verwerpen omdat ze bepaalde zorgen en moeilijkheden met zich meebrengen.’

Het hele relaas over vriendschap van Cicero lees je in

Vriendschap
Cicero
vertaald door Rogier van der Wal
ISBN 9789025369354
€ 9,95
uitgeverij Athenaeum

mrt 17

Met De beschermengel gaf de Italiaanse Simonetta Greggio ons een spannende literaire novelle over vriendschap en liefde, die tijdens de Boekenweek zorgt voor een bijzonder mooie leeservaring.

Nunzio d’Ombra, een bekende, rijke, homoseksuele architect, verdwijnt op een dag zonder een spoor achter te laten. Aanvankelijk denken zijn laatste vriendje en Blue – zijn jeugdvriendin, en zusterziel en huisgenote in Parijs – dat hij op reis is gegaan. Maar als ze ontdekken dat hij zonder paspoort, kleren en zelfs zonder zijn mobiele telefoon is weggegaan, vrezen ze het ergste.

Een paar dagen later wordt hun bange vermoeden werkelijkheid. Nunzio’s levensloze lichaam wordt uit de Seine gevist. Nunzio’s broer Marcus, die nog steeds in het kleine dorpje woont waar ze zijn opgegroeid, hoort als eerste het slechte nieuws en waarschuwt Blue. Blue reist samen met Marcus terug naar haar geboortedorp. Met Nunzio als wakende engel die over haar schouder meekijkt, lijkt ze bij Marcus de ware liefde te vinden.

Een fragment:

‘Ik ben nu zeventien dagen dood en evenzovele nachten, waarvan één met volle maan.
In volle vlucht ui de lucht geschoten bleef ik een moment als aan mijn plaats genageld, toen stortte ik neer. Er is niets van me over, alleen overgevoelige zenuwen en een gulzige adem die zwakkeer wordt. Ik ben niets dan een heldere schaduw, een rimpeling duistere lucht. Een woedend brullen, een frustratie.

Ik ben vol razernij om een zo snelle, zo vroege dood, terwijl veel dingen nog in de steigers staan. Dat alles tot stilstand is gekomen zonder enige waarschuwing vooraf, zonder een voorteken, een droom op z’n minst, dat vervult me met grenzeloos onbegrip. Geen serafijn heeft zich sindsdien gemanifesteerd, geen demon op wie ik mijn woede kan richten. Zelfs de tunnel, met aan het eind mijn oude hond aan de lijn gehouden door een glimlachende engel, was voor mij niet weggelegd. Voor mij geen gevleugeld fanfareorkest om met geschal van hemelse trompetten te ontvangen.

Wat voor mij gelukzaligheid was, meet ik af aan de maat van wat ik ken: als mij zou worden gevraagd wat ik me wens bij wijze van paradijs, dan zou ik antwoorden: ‘Teruggaan, terug naar Toscane, naar Le Crete; leven, tot in lengte van dagen, in wat voor mij Eden was. Elke ochtend opstaan met aan de einder de rode zon, elke avond gaan slapen in de armen van hem die altijd al mijn liefste was, omringd door de geur van vochtig gras.’

Maar het ziet er niet naar uit dat het zo zal gaan. En het zou me hoe dan ook niet bevallen. Al mijn geliefden heb ik liefgehad.’

Lees het bijzondere, poëtische verhaal van Simonetta Greggio in

De beschermengel
Simonetta Greggio
vertaald door Marianne Kaas
ISBN 9789044512199
€ 14,90
De Geus

mrt 16

Het nieuwe boek van Caterina Bonvicini (Florence, 1974) gaat over de vriendschap tussen twee jeugdvriendinnen, die op de proef wordt gesteld wanneer Lisa ziek wordt. Clara beleeft de moeilijkste periode uit haar leven. ‘Aan het eind heeft de lezer een ‘trage’ glimlach op zijn gezicht (…), een weemoedige glimlach waarin alle kracht van de vriendschap ligt besloten,’ zo belooft De Geus. Een perfect boek voor het thema van deze Boekenweek dus.  

Wie het boek leest, ontdekt dat de belofte van De Geus meer dan bewaarheid wordt. Een kort fragment, dat zich afspeelt in Rome.

‘Met het nieuwe jaar gingen we over tot de strategie van de mooie momenten. Zorgvuldig gepland. We hadden er bijna een dagtaak aan. We moesten per se iets leuks doen, we hadden zelfs een rooster gemaakt. Vanavond naar de film. Morgen een etentje bij kaarslicht. Weekend in een agriturismo. Door die dwang om me te vermaken voelde ik me net een gedeporteerde. Ik deed alsof ik blij was – ‘Dank je wel, Tommy’ – maar intussen stond ik doodsangsten uit. Op een avond realiseerde ik me dat.

We waren in Rome, met een groep vrienden van hem. Maar op dat moment bezorgde die stad me een vreselijk gevoel. Ik raakte volkomen van slag door de meeslepende, zelfs wat hysterische uitgelatenheid die er af en toe heerste.

We waren in een trattoria in de buurt van Piazza Navona, een volle, rumoerige tent, en ik zat aan een hoek van de tafel, ik kon de gesprekken niet eens volgen, al waren die sowieso nogal vaag. Ze sprongen van politiek naar film, van film naar politiek.

Tegen tienen kwamen er nog een paar meiden die ik niet kende, een beetje te laat, alle drie wankelend op hun laarzen, zwetend in hun modieuze jassen, net zo luidruchtig als de rest: ze lachten, ze riepen dingen en reageerden verontwaardigd wanneer ze dat noodzakelijk achtten. Om ons heen gedroegen de collega’s van Tommaso zich opschepperig of verstandig, al naar gelang de context, best wel onbeschoft aan tafel, half over hun bord hangend, maar uiterst beleefd en zelfs een beetje snobistisch ten opzichte van de wijnkaart. Ik voelde me zo misplaatst.

Dus hield ik mijn mond, ik at en dronk. Mijn buurvrouw, een zekere Marzia, probeerde me op alle mogelijke manieren bij het gesprek te betrekken. Maar ze ving voortdurend bot. Af en toe voelde ik Marzia’s dij tegen de mijne duwen, een arm tegen me aan alsof het per ongeluk was, en haar vingers die in mijn mouw kropen. Misschien was het haar manier om vriendschap te sluiten, ik weet niet. Ik weet alleen dat die aanrakingen voelden als een inbreuk op mijn privacy. Ik schoof een eindje op, om meer ruimte te bieden aan haar en haar stoel, of ik kromp ineen, om zo min mogelijk plaats in te nemen. Marzia leek het echter niet op te merken en bleef onverstoorbaar tegen me praten en aan me zitten. Helemaal in haar nopjes met haar tonnarelli cacio e pepe, totaal niet ontmoedigd door mijn teleurstellende reacties, drukte ze op een gegeven moment, heel toevallig, ineens de juiste knop in.

Ze zei iets over een goede vriend van haar, die op sterven lag. Verschrikkelijk verhaal, nog geen veertig, twee kleine kinderen. Ik schoot overeind op mijn stoel. Hé, ik had iemand gevonden met wie ik vrijelijk kon treuren. Marzia was geen vreemde meer. En ik was niet langer misplaatst.

Ik zat meteen overeind, slikte twee rigatoni door zonder te kauwen, veegde mijn mond af met mijn servet en begon met haar te praten. Maar onze maatstaven lagen kennelijk heel anders. Ik weet niet, misschien was de vriendschap waar zij het over had niet dezelfde als die ik bedoelde. ‘Arme stakker,’ zei ze. Ze legde uit dat ze hem niet ging opzoeken omdat ze het ‘heftig’ vond om hem zo te zien. ‘Dan raak ik helemaal van slag,’ zuchtte ze.

Maar de komst van haar konijn met paprika was genoeg om haar alles te doen vergeten, een toverkonijn. Ze babbelde alweer verder over het strand van Sharm el-Sheikh. Ik staarde naar mijn lam, dat niet kon toveren zoals het konijn, en concentreerde me daarop.’

De trage glimlach
Caterina Bonvicini
vertaald door Manon Smits
ISBN 9789044519815
€ 17,90
De Geus

mrt 15

Na de opening van de Boekenweek met het fragment van Seneca over vriendschap, bespreek ik de komende anderhalve week bijna elke dag een bijzonder boek op Ciao tutti, dat zowel te maken heeft met het thema van de Boekenweek, vriendschap, als met – uiteraard – Italië. Of ze nu geschreven zijn door Italiaanse schrijvers of zich afspelen in Italië, het zijn stuk voor stuk aanraders. Zo neem je al een voorproefje op de komende vakantie naar Italië!

Vandaag de poëtische roman Zonder tijd te verliezen van Daan Heerma van Voss. De auteur weet waar hij over praat als hij de twee vrienden Daniël en Xander na hun schooltijd naar Italië laat vertrekken. Zelf bracht hij na zijn eindexamen aan het Vossius Gymnasium in Amsterdam ook een jaar in Italië door, om geschiedenis te studeren.

Daniël en Xander, buurt- en leeftijdgenoten, trekken met elkaar op zoals dieren dat doen, simpelweg omdat het met z’n tweeën minder gevaarlijk is dan alleen. Voor beiden is het hun eerste echte vriendschap. Na hun schooltijd vertrekken de zelfverklaarde bondgenoten naar Italië, waar Daniël valt voor de Zuid-Afrikaanse Sophie, zijn eerste meisje.

Hun liefde is nu eens licht, uitnodigend en intiem, dan weer donker en koel. Wanneer Xander plotseling verdwijnt, kan Daniël niet anders dan naar hem op zoek gaan. Samen met Sophie en een hond die Jan van Riebeeck heet reist hij af naar het zuiden, door een steeds onherbergzamer landschap, niet wetend wat hij nog van de vriendschap verlangt: een begrafenis of een wedergeboorte.

Een fragment om, ook vanwege de pracht van de zinnen, een aantal keren te herlezen:

‘De zon mag ons niet raken. Het is een spel waarbij niet gelachen wordt. Een spel dat we spelen omdat we alleen zijn, en omsingeld door tijd en zee. Ik houd het prikkeldraad voor haar omhoog. Na u.

Ze beweegt zich soepel als altijd, stapt eronderdoor. Ze doet hetzelfde voor mij, mijn trui blijft haken, het draad zwiept na, een metalig geluid. We lopen door het korenveld van een boer die we niet kennen, tot we een geschikte plek vinden om ons te verstoppen. Het is koel, niet koud, wind trekt over het veld, het begint te ritselen. De zon is zo fel dat goed en wel niets te zien is behalve onze volgende stap.
Jan van Riebeeck volgt tevreden, het tongetje hangt uit zijn mond.

Na een minuut of wat ziet ze een meter vrije grond. Ze werpt haar jas neer, het spel is opgegeven, de zon heeft gewonnen. Ze strekt zich uit en omarmt het licht. Ze is van zilver. Daarna neemt ze een slok van de spumante, ik doe hetzelfde. Ze pakt een tak van de grond en gooit hem zo ver als ze kan. De tak schiet door de lucht maar wordt ergens onderweg door licht onderschept. De hond springt in het koren, wordt opgenomen door die eindeloze kleur: goudgroen, waar je ook kijkt.

De scherpe zon verdeelt alles in wit en schaduw, zelfs de huizen van de haven zijn silhouetten geworden. Wolken zijn nauwelijks te vinden, eentje, links in het blauw. In de verte een cruiseschip dat onze richting op vaart. Verder zijn we alleen.

Ik ga zitten, mijn schoenen zet ik naast me op de grond. Mijn sokken, ooit hema-wit, zijn nu vaalgrijs. Ik stink. Zoals alles in de natuur de afgelopen weken is gaan stinken. Nu pas voel ik hoe moe ik eigenlijk ben, dat ik mijn lichaam volstrekt heb genegeerd, hoezeer dat reizen alles van me heeft gevraagd zonder mij ooit iets te vragen. Mijn mond voelt droog aan, een volgende slok na maakchampagne heeft niet het gewenste effect. Ondertussen kruipt iedere gedachte richting Xander.

‘Laten we hier even blijven,’ zeg ik. ‘Uitrusten.’
‘Sure,’ zegt ze, terwijl ze de stok opnieuw het veld in werpt. ‘We hoeven nergens heen.’
We hoeven nergens heen. Hij klinkt aanlokkelijk, een zin van bevrijding. Toch staat hij me niet aan. Er is altijd een ergens waar je heen kunt, waar je heen moet, al weet je nu niet waar dat ergens zich ophoudt.
Wat heb ik te bewijzen, en aan wie?

Misschien is vriendschap wel een soort belofte, het zou kunnen, iets wat tot in lengte van dagen moet worden nageleefd, in ruil voor jouw keuze, lang geleden, om de wereld een vriend te ontnemen en hem voor jezelf te willen houden. Maar het is een vermoeiende gedachte. Een tikkeltje melodramatisch bovendien. Als er een belofte is gemaakt, dan is ze nagekomen.

Ik denk aan haar, het meisje dat voor me staat, van wie ik welbeschouwd niet eens weet hoe ze heet. Ik maak een foto van haar, een bewijsstuk, al weet ik niet waarvan of waarvoor. Haar witte hoed schermt haar gezicht af, niet alleen van de zon, ook van mij. Volgens mij ben ik in slaap aan het vallen, of laat ik me meeslepen door de drank. Beelden overvallen me, het voorstadium van dromen, wanneer je nog denkt dat je iets te wensen of te verzoeken hebt.

Ik leun achterover. Ik denk aan ons huis in Perugia, het huis dat ik met Xander deelde. Ik vraag me af hoe hij eruitziet, de jongen die nu in mijn kamer woont, of hij op mij lijkt (een beetje toch) of zomaar iemand is, zomaar iemand aan de vooravond van zijn tijdloze jaar, een voorbijganger die hetzelfde huis, hetzelfde bed als dat van hem zal beschouwen. Mijn jaar van uitstel is vervlogen, ik heb het nog geen vier maanden volgehouden. De lucht die ik inadem voelt aangenaam koel in mijn borst. Ik kijk, ik zoek, maar ik vind haar niet. Dan duikt haar hoofd weer even op tussen het koren, een paar meter verderop. Ik sluit mijn ogen. Jong zijn we, allebei, nog altijd. Ze zeggen dat we alle tijd van de wereld hebben.’

Lees het hele verhaal over de bijzondere vriendschap tussen Xander en Daniël in

Zonder tijd te verliezen
Daan Heerma van Voss
ISBN 9789045019680
€ 22,95
uitgeverij Contact

Boekenweekvriendschapsactie
Komt Daan Heerma van Voss bij jou eten? Wie tijdens de Boekenweek de prachtige vriendschapsroman Zonder tijd te verliezen koopt en een foto van het bonnetje op de Facebookpagina van Uitgeverij Contact post, maakt kans op een bijzondere avond voorlezen en praten met deze veelbelovende schrijver in zijn of haar eigen huis. Je mag daar natuurlijk ook al je vrienden voor uitnodigen. Wees er snel bij, want uitgeverij Contact kiest de winnaar nog voor het einde van de Boekenweek.

mrt 14

Schreef ik gisteren nog over de grootsheid van de liefde, vanaf vandaag houd ik het tien dagen lang bij vriendschap – in het kader van de Boekenweek. Het thema dit jaar is namelijk ‘Vriendschap en andere ongemakken’. Die toevoeging van ongemakken vind ik zelf nogal vreemd, maar volgens de CPNB haalt vriendschap het beste en slechtste in mensen naar boven.

Gelukkig hield Seneca er een heel positieve opvatting over vriendschap op na. Hij schrijft er aan het einde van zijn leven een uitgebreide brief over aan zijn vriend Lucilius. Deze brief geeft zo’n prachtige kijk op de vriendschap, dat er geen beter literair fragment is om de Boekenweek mee te openen.

Seneca, geportretteerd door Peter Paul Rubens

‘Ik begrijp, Lucilius, dat ik niet alleen mezelf verbeter maar zelfs van persoon verander. Maar dit beloof ik niet meer of verwacht het zelfs maar, dat er in mij niets meer over is wat nog veranderd moet worden. Waarom zou ik niet veel hebben wat nog op orde gebracht moet worden, wat afgezwakt moet worden, wat versterkt moet worden ? Ook dit is juist een bewijs van een karakterverbetering, dat je je eigen tekorten die je tot dan toe niet kende, in het oog krijgt. Sommige zieken valt een gelukwens ten deel wanneer ze zelf zijn gaan merken dat zij ziek zijn.

Hoe graag zou ik dan ook met jou over die zo plotselinge verandering van mij met jou van gedachten wisselen. Dan zou ik een vaster vertrouwen in onze vriendschap beginnen te koesteren: van zo’n echte vriendschap, die noch vrees, noch bezorgdheid om eigen voordeel verziekt, van zo een waarmee mensen sterven, waarvoor zij sterven.

Velen kan ik je noemen die het niet zozeer zonder vriend moesten stellen, maar zonder vriendschap in de ware zin: dit kan niet gebeuren wanneer een gelijke vastbeslotenheid om het goede te zoeken zielen tot genegenheid brengt. Waarom dat niet kan ? Nou, zij weten toch dat zij alles gemeenschappelijk hebben, en wel vooral tegenspoed.

Je kunt je niet voorstellen hoeveel vooruitgang ik elke dag voor mij zie aanbrengen. ‘Stuur,’ hoor ik je al zeggen, ‘ons ook eens van die middelen die je als zo werkzaam ervaren hebt.’ Ik voor mij verlang waarlijk niets liever dan alles in jou over te gieten, en hierin ligt een gedeelte van mijn vreugde over deze toename van mijn inzicht, namelijk om het over te dragen. Geen enkele wijsheid zal mij behagen, ook al is die buitengewoon heilzaam, als ik die alleen voor mijzelf moet koesteren. Als wijsheid mij gegeven werd met dit voorbehoud dat ik die voor mijzelf houd en niet bekend maak, dan zou ik die verwerpen: van geen enkel goed is het bezit prettig zonder het te delen.

Ik zal je dus de bedoelde boeken sturen, en, opdat je niet veel moeite hoeft te doen om overal te zoeken naar wat heilzaam is, ik zal er kanttekeningen in zetten zodat je rechtstreeks komt bij wat ik toejuich en bewonder. Toch zal het gesproken woord en het gesprek je meer dan het geschreven betoog dienstig zijn; maar het is nodig dat je tot de levende werkelijkheid komt, vooreerst omdat mensen meer geloof hechten aan hun ogen dan aan hun oren, voorts omdat de weg via voorschriften een lange is, maar kort en effectief die via voorbeelden.

Cleanthes zou Zeno niet uitgedragen hebben als hij hem alleen beluisterd zou hebben: maar hij heeft zijn leven meegemaakt, zijn geheime gedachten doorzien, er bij hem op gelet of hij wel volgens zijn eigen stelregel leefde. Plato en Aristoteles en heel die groep wijzen die zich in uiteenlopende richtingen zou ontwikkelen heeft meer lering getrokken uit de leefwijze van Socrates dan uit zijn woorden. Metrodorus, Hermarchus en Polyaenus: niet het onderricht van Epicurus heeft grote mannen van hen gemaakt maar het leven dat zij met hem deelden. En ik nodig je niet alleen hiertoe uit, om vorderingen te maken, maar om ook ten dienste te staan; we zullen elkaar immers de grootste dienst bewijzen.

Intussen zal ik je, omdat ik je nog mijn dagelijkse frankeerkosten verschuldigd ben, vertellen wat mij bij Hecato vandaag plezier gedaan heeft. ‘Je vraagt me’, zegt hij, ‘waarin ik vorderingen gemaakt heb ? ik ben begonnen voor mezelf een vriend te zijn’. Hij heeft een belangrijke vooruitgang geboekt: hij zal nooit meer alleen zijn. Weet echter dat deze vriend er voor allen is. Het ga je goed.’

© vertaling Ben Bijnsdorp – http://benbijnsdorp.info/seneca.html

Getagd met:
mrt 08

Vandaag vieren we la festa della donna met een tiental slimme vrouwen uit Bocaccio’s Decamerone. Deze tien vrouwen hebben een plekje gekregen in de prachtig uitgevoerde bundel Slimme vrouwen, in een vertaling van Frans Denissen.

Boccaccio’s vrouwen hebben verlangens, nemen initiatief, zijn zelfbewust en intelligent. En vaak zijn ze ook nog mooi en charmant. Verder vertonen ze alle hebbelijkheden die aantrekkelijke vrouwen ook nu wel eens aankleven: ze kunnen ongenaakbaar zijn, ijdel, ondoorgrondelijk en overspelig. En ze zijn hoe dan ook goed in staat om gebruik en misbruik te maken van de zwakke plekken van de mannen door wie ze begeerd, bejaagd en onderdrukt worden.

In het nawoord schrijft René van Stipriaan: ‘Als hedendaagse lezers kunnen we ons moeiteloos in Bocaccio’s vrouwen verplaatsen. Ze hebben verlangens, nemen initiatief, zijn zelfbewust en intelligent. En vaak zin ze ook nog mooi en charmant. Verder vertonen ze alle hebbelijkheden die aantrekkelijke vrouwen ook nu wel eens kenmerken: ze kunnen ongenaakbaar zijn, ijdel, ondoorgrondelijk en overspelig. En ze zijn hoe dan ook goed in staat om gebruik en misbruik te maken van de zwakke plekken van de mannen door wie ze begeerd, bejaagd en onderdrukt worden.

De Decamerone is daarom wel gezien als het meest vrouwvriendelijke boek uit de verder zo vrouwonvriendelijke late middeleeuwen, en daar valt niet veel tegen in te brengen. Deze selectie verhalen uit de Decamerone met slimme vrouwen in de hoofdrol zou makkelijk verdrievoudigd kunnen worden.

De Decamerone verscheen rond 1350, in de jaren dat Italië en Europa zich herstelden van de ongekend zware pestepidemie van 1348, die als de Zwarte Dood de geschiedenis in zou gaan. In Florence liet binnen enkele weken ongeveer de helft van de bevolking het leven. Giovanni Bocaccio (1313-1375) zag het waarschijnlijk onder zijn ogen gebeuren.

Tegen deze achtergrond spelen de verhalen in de Decamerone zich af. Ze worden verteld door een gezelschap van drie jonge mannen en zeven jonge vrouwen, dat de stad uit is gevlucht in de hoop zo aan besmetting te ontkomen. Op een landgoed in de buurt van Fiesole verkeert het gezelschap in de meest aangename omstandigheden die maar denkbaar zijn: het is volop lente, de tuinen liggen er prachtig bij, en er is personeel dat voor goed eten en voor het huishouden zorgt.

Een groot deel van de dag wordt besteed aan het maken van muziek, dansen, en vooral het vertellen van verhalen. Elke dag wordt aan de leden van het gezelschap een nieuw onderwerp opgegeven waar elk van hen een toepasselijk en liefst vermakelijk verhaal over zal moeten vertellen. […]

Doordat het merendeel van de verhalen door vrouwen verteld wordt, heeft de Decamerone onmiskenbaar een vrouwelijke ‘stemming’. In de discussies die zich tussen de verhalen door ontwikkelen, worden de belangen en rechten van vrouwen in alle toonaarden besproken, al gaat het daarbij vooral om het recht op liefde in de meest brede zin van het woord. […]

De moderne lezer die intens van de verhalen wil genieten kan zich beter gewillig door de verteller in de even wonderlijke als herkenbare middeleeuwse wereld laten binnenleiden. Hij zal zich blijven verbazen en verkneukelen om de bewegingen op het slagveld van de liefde, waar de kansen ongelijk verdeeld zijn. Het is alsof liefde vrouwen slimmer maakt, maar dat niet alleen: mannen worden er vaak dommer van.’

Of ik deze mening van Van Stipriaan deel, weet ik zo net nog niet, maar voor de tien geselecteerde verhalen die in de bundel Slimme vrouwen zijn opgenomen, gaat deze stelling zeker op. Het is dus raadzaam, mannelijke lezers, om vanavond, als jullie vrouwen zich met andere dames in een pizzeria hebben verschanst om la festa della donna te vieren, dit boekje ter hand te nemen en de verhalen stuk voor stuk aandachtig te lezen. Zo zullen jullie niet in dezelfde valkuil vallen als de mannen die Bocaccio ten tonele voert…

Slimme vrouwen – tien verhalen uit de Decamerone
Giovanni Bocaccio
vertaald door Frans Denissen
ISBN 9789025303174
ca. € 5,00
Athenaeum – Polak & Van Gennep

mrt 07

We duiken vandaag meer dan 2000 jaar terug in de tijd, naar 7 maart 44 voor Christus. Gaius Julius Caesar staat op het toppunt van zijn macht. Maar de jaren van oorlogen en machtspolitiek hebben hem oud gemaakt – het gewicht van zijn alleenheerschappij wordt een steeds zwaardere last op zijn vermoeide schouders.

Hoewel Caesar nog altijd geldt als onoverwinnelijke generaal, kost het hem steeds meer moeite de corruptie, complotten en conflicten die de Romeinse politiek beheersen in te dammen. Zijn macht begint af te nemen, en hij stevent onherroepelijk af op het moment dat de Romeinse geschiedenis voor altijd zal veranderen.

De adelaar is een politieke thriller en een rijkgeschakeerd historisch fresco waarin alle bekende protagonisten uit de Romeinse geschiedenis, zoals Brutus, Marcus Antonius, Cicero en Cleopatra, een rol spelen. Een fragment:

Romae, Nonis Martiis, hora prima
Rome, 7 maart, zes uur ’s morgens

Onder een winterse hemel, loodgrijs en gesloten, liet een grijze dageraad een waas van helderheid doordringen vanuit minder dikke wolken die verspreid over de horizon lagen. Ook de geluiden waren onbestemd, lusteloos en mat, zoals het wolkendek dat het licht tegenhield. De wind kwam met vlagen uit de Vicus Jugarius, als de hijgende adem van een vluchteling.

Vanuit het zuidelijke uiteinde van het Forum verscheen een magistraat op het plein. Hij was alleen, maar herkenbaar aan zijn waardigheidstekenen en hij liep met flinke stappen naar de tempel van Saturnus. Hij hield zijn pas in voor het standbeeld van Lucius Junius Brutus, de held die bijna vijf eeuwen eerder de monarchie omvergeworpen had. Aan de voeten van het norse bronzen beeld, op het voetstuk waarop de lofrede te zien was, had iemand met menie iets geschreven: Brutus, slaap je?

De magistraat schudde zijn hoofd en vervolgde zijn weg, waarbij hij de toga rechttrok, die hem bij iedere windvlaag van zijn magere schouders gleed. Hij beklom snel de trappen van de tempel, ging het nog rokende altaar voorbij en verdween in de schaduw van de zuilengalerij.

Op de bovenste verdieping van het huis van de vestaalse maagden ging een raam open. De maagden die het vuur moesten bewaken, werden wakker om hun plicht te gaan doen. Anderen maakten zich klaar om te rusten na de nachtelijke wake.

De Vestalis Maxima, gehuld in het wit, kwam uit de binnengalerij naar buiten en wendde zich tot het standbeeld van Vesta, dat in het midden van de tempel troonde. De aarde begon te beven, het hoofd van de godin zwaaide naar links en rechts. Een stuk baksteen viel uit de daklijst in de fontein met een doffe plons, die nog versterkt werd door de stilte. Er was in de verte een rumoer te horen terwijl de vestale haar ogen opsloeg naar de wind en de wolken.
Haar blik vulde zich met ontzetting. Waarom beefde de aarde?

Op het Tibereiland liep in het hoofdkwartier van het Negende Legioen, dat door Marcus Aemilius Lepidus buiten de muren gelegerd was, de laatste wacht af. De soldaten en de centurio brachten eer aan de adelaar en gingen in twee rijen terug naar hun logement. De Tiber stroomde onstuimig en likte troebel en gezwollen aan de naakte takken van de elzen die over de oevers heen hingen.

Een kreet, met snerpende uithalen, verscheurde de bleke stilte van de dageraad. Een kreet vanuit het huis van de Pontifex Maximus. De vestaalse maagden hoorden het vanuit hun huis, dat er bijna tegenaan stond, en ze werden bevangen door paniek. Het was eerder gebeurd maar het werd iedere keer erger.’

Lees verder in

De adelaar – De laatste dagen van Caesar
Valerio Massimo Manfredi
vertaald door Jan van Geldrop
ISBN 9789025369323
€ 17,95
Athenaeum – Polak & Van Gennep

Bestel De adelaar via deze link bij bol.com

preload preload preload