mei 12

Tip voor een last minute cadeau voor Moederdag: het hartverscheurende debuut van Pamela Schoenewaldt, De couturière. Uiteraard ook meer dan goed als cadeau voor jezelf, want het verhaal staat garant voor heel wat uurtjes leesplezier.

De twintigjarige Irma Vitale is niet rijk en ook niet mooi genoeg om te trouwen en wanneer haar moeder sterft en haar vader zijn verlies wegdrinkt in de kroeg, wordt de situatie thuis al snel onhoudbaar, en ziet ze geen andere mogelijkheid dan haar geboortedorp Opi, in de Italiaanse Abruzzen, te ontvluchten. Na een zware en lange boottocht over de Atlantische Oceaan komt Irma in Amerika aan. Daar tracht ze, weer op zichzelf aangewezen, de gevaren voor een ongetrouwde vrouw in een voor haar vreemd land trotserend, een nieuw leven te beginnen met het naaien van jurken voor welgestelde dames.

Een fragment:

‘In het begin had ik, net als de andere meisjes, mijn loon in een sok in mijn nachtkastje bewaard. Maar Lula bracht dat van haar naar een bank, waar het veilig was en groeide – ‘rente’ heette dat – en ze kon het allemaal ophalen als ze dat wilde. Toen we een keer kragen voor de mejuffer moesten bezorgen, waren we langs die bank gelopen. Keurig geklede negers liepen in en uit, samen met kooplui, dames en zelfs dienstmeisjes.

Op de volgende bezorgdag hielp Lula me een rekening te openen. Wat had ik zia graag het kleine grijze boekje laten zien met mijn naam in sierlijke letters op de voorkant en binnenin allemaal kolommen voor stortingen en rente. Toen een loensende Hongaarse kragenmaakster er op een dag vandoor ging en de helft van de sokken op onze slaapzolder meenam, was mijn geld veilig.

Op dinsdag- en donderdagavond wandelde ik nu naar Woodland en ik sloot me aan bij een tiental vrouwen in een warme kleine kamer in de kerk, waar een Amerikaanse non ons Engelse les in de vorm van vraag en antwoord gaf. ‘Wat is dit?’ vroeg ze dan wijzend.
‘Dat is een window,’ antwoordden we.
‘Wat zijn dit?’
‘Dat zijn shoes.’

Ik leerde zeggen: ‘I am Irma Vitale. I am Italian. I am single. I make collars.’
De non liet ons deze zinnen opschrijven, dus de eerste volledige zinnen die ik opschreef waren in het Engels, terwijl het enige wat ik ooit in het Italiaans had opgeschreven mijn naam was.

Met deze nieuwe woorden kon ik Lula al snel haperend vertellen over Gustavo, terwijl we aardappels schilden in de tuin achter het huis. Ze spuwde in de modder. ‘Zeelui. Je weet toch wat die doen, meisje, elke keer dat ze aan land zijn?’
‘We hebben alleen gepraat.’ Ik liet Lula zijn gekerfde walvisbot zien. ‘Dat heb ik van hem gekregen.’
‘Hoe vaak heb je met hem gepraat?’
‘Twee keer.’
‘Hij zei dat hij zou schrijven?’
‘Ja, poste restante.’
‘Ben je klaar met die aardappels?’

Had ik me door Gustavo net zo voor de gek laten houden als door Carlo? Het werd volop zomer en er kwam geen brief. Het zweet druppelde van onze vingers en maakte vlekken op de kragen. Het roodharig meisje en haar kleine broertje speelden lusteloos in de flarden schaduw. Op zondagmiddag nam ik nu de tram naar Lake Erie, dat als glas onder een romige blauwe hemel lag. De glinstering van wilgen en de felgekleurde kluiten wilde bloemen verdreven de eentonigheid van mijn dagen een beetje: het saaie vurenhout van onze werktafels, het wit van de kragen, het bruine brood en de bonensoep. Elke maand schreef ik naar zia, maar ik durfde geen geld te sturen zolang ze niet terugschreef, want als mijn brieven haar niet bereikten, hoe zou geld dan veilig aan kunnen komen?

Eindelijk arriveerde er een envelop van Gustavo met twee dunne velletjes papier. Op het ene stond een tekening van de Servia omringd door springende dolfijnen. Een man en een vrouw stonden op het dek. Op het andere velletje was een drukke haven onder een donkere hemel geschetst, waaronder LIVERPOOL geschreven was. Op de achterkant stond: ‘Beste Irma, ik denk aan jou en jouw berg. Mijn been geneest. Morgen gaan we naar Afrika. Ze zeggen dat dat prachtig is. God behoede je. Gustavo Parodi.’ De letters van het briefje waren op dezelfde zorgvuldige manier geschreven als die van zijn naam, dus hij had het zelf geschreven – of voor beide een schrijver gebruikt.

‘De tekeningen zijn mooi,’ gaf Lula toe.
Omdat ik me schaamde voor mijn nog immer onbeholpen manier van schrijven, verdroeg ik de opgetrokken borstelige wenkbrauwen van de schrijver toen ik vertelde dat ik een zeeman wilde schrijven. Ik bedankte Gustavo voor de tekeningen en vertelde dat ik werk en vrienden had gevonden, Engels leerde en hoopte hem weer te zien. Ik vertelde niet dat ik in een atelier woonde. Ik ondertekende de brief, vouwde hem rond een lapje met geborduurde olijfbomen en gaf de schrijver Gustavo’s brief om het lange Engelse adres van de scheepvaartmaatschappij over te schrijven.

‘Dus die zeeman heeft u nu al geschreven?’ vroeg de schrijver.
‘Natuurlijk.’
‘Hmm.’
‘Ga nu niet elke dag uitkijken naar een brief,’ waarschuwde Lula. ‘Hij is in Afrika als de jouwe in Engeland aankomt.’
‘Nee, dat doe ik niet.’ Maar ook al was mijn band met Gustavo zo dun als spinrag, zonder Carlo of wat voor bericht dan ook uit Opi, was Gustavo mijn enige link met Italië.’

Het indrukwekkende verhaal van Irma laat je niet los tot je de laatste bladzijde hebt omgeslagen, en zelfs dan blijft ze in je hoofd en je hart zitten…

De couturière
Pamela Schoenewaldt
vertaald door Carolien Metaal
ISBN 9789045200057
€ 12,95
uitgeverij Karakter

Nog meer boeken
Een ander boek cadeau doen morgen? Kijk dan eens bij de boekentips die eerder al op Ciao tutti verschenen. Of kom vandaag naar het Italië Evenement bij Kasteel De Haar in Haarzuilens. Daar signeer ik vandaag tussen 13.00 en 14.00 uur bij de stand van Il Sogno mijn net verschenen boek. Kijk voor meer informatie op de website van het Italië Evenement.

mei 09

‘Het Toscane van Sarah-Kate Lynch’s boeken is vol liefde beschreven en bevolkt met levendige personages. Een perfecte mix van reizen en romantiek,’ aldus Publischers Weekly, waarmee ze niets teveel zeggen over deze heerlijke nieuwe roman.

Lily en haar man Daniel lijken gelukkig: ze houden van elkaar, ze hebben een goede baan en een mooi huis. Maar dan vindt Lily een foto van Daniels andere gezin – vrouw, dochter en zoon – dat hij er blijkbaar op na houdt in Italië. Impulsief als nooit tevoren boekt Lily een reis naar Italië, om zelf te zien hoe het zit.

In het Toscaanse dorpje Montevedova is een klein bakkerijtje, eigendom van de negentigjarige zussen Violetta en Luciana. Violetta is de leider van Het Geheime Genootschap van Sokkenstoppende Weduwen, een verzameling van twaalf oude vrouwtjes die échte liefde gekend hebben, en die het tot hun missie hebben gemaakt om mensen met een gebroken hart een nieuwe liefde te bezorgen.

Als Lily het dorp Montevedova in komt rijden, zien de Sokkenstoppende Weduwen hun kans schoon om het hart van dorpslieveling Alessandro te lijmen – en terwijl Lily op zoek is naar het gezin van de foto, wordt een uitgebreid plan in werking gezet…

Een fragment:

Violetta strompelde naar de kelder om de andere weduwen gezelschap te houden. Ze leken niet echt blij.
‘Jullie hebben ongelijk!’ schreeuwde de ene groep tegen de andere.
‘Nee, júllie hebben ongelijk!’ schreeuwde de andere groep terug.
‘Jullie hebben allemáál ongelijk!’ riep een splintergroepering.

Violetta dacht dat de ruzie over Lily en Alessandro ging. Ze beet op haar lip en schuifelde naar haar zus die net een glas vin santo achteroversloeg.
‘Wat is er aan de hand?’ vroeg Violetta fluisterend.
‘Fiorella had een torta della nonna meegenomen,’ legde Luciana uit en ze wees naar de tafel waar nog maar een paar kruimeltjes op een gekreukt papieren bord lagen.

‘Wát heeft ze gedaan?’
‘Ze had een torta della nonna meegenomen en die smaakte verrukkelijk, maar daardoor is er een soort discussie ontstaan,’ zei Luciana.
‘Voor het deeg moet je hele eieren gebruiken,’ riep iemand kwaad.
‘Nee, alleen de dooiers!’
‘Alleen geraspte sinaasappelschil.’
‘Nee, vanille!’
‘Nee, een eetlepel olijfolie!’
‘Of een torta della nonna goed is, is niet afhankelijk van het deeg, maar van de vulling!’
‘Ricotta,’ riepen een paar weduwen.
No ricotta,’ riep iemand anders.

Violetta liep naar het centrum van deze verhitte strijd en legde de vrouwen met één blik het zwijgen op. Ze keek naar Fiorella die rustig op een stoel zat terwijl de kruimels in haar decolleté vielen.
‘We eten géén torta della nonna tijdens vergaderingen van Het Geheime Genootschap van Sokkenstoppende Weduwen,’ zei Violetta op kille toon. ‘Dan eten we cantucci.’
‘O, is dat zo?’ snauwde Fiorella. ‘Wie zegt dat?’
‘Dat zeg ik,’ antwoordde Violetta.

Weduwe Mazzetti zwaaide met het reglement, ook al baalde ze er ontzettend van dat zij niet ook een paar plakken van die heerlijk uitziende torta had gehad.
‘Dat zeggen de regels,’ bevestigde Violetta.
Fiorella was niet gewend aan vrouwelijk gezelschap, of aan welk gezelschap dan ook, en begon de indruk te krijgen dat ze er niet heel goed in was. ‘Het is maar dolci. Ik dacht dat een paar van ons wel een opkikkertje konden gebruiken.’

‘Ach, laat het toch! Zijn we echt van plan die bekakte Amerikaanse ijsprinses te helpen?’ vroeg weduwe Ercolani. Ze had last van indigestie, zodat ze helemaal geen torta had gehad, hoewel ze misschien inderdaad wel een opkikkertje had kunnen gebruiken. ‘Volgens mij vragen we om problemen als we er een buitenlandse bij betrekken,’ voegde ze eraan toe. ‘En wie zegt me dat ze Alessandro hier niet weghaalt nadat wij ons aandeel hebben geleverd?’

Weduwe Benedicti had hier helemaal niet aan gedacht en wendde zich in paniek tot Violetta om geruststelling.
Officieel was het genootschap een democratie, zodat besluiten bij meerderheid genomen moesten worden, maar in werkelijkheid was Violetta de leidster en zou dat altijd blijven ook. Ze was zoiets als de dalai lama, maar dan in het zwart gekleed.

De waarheid was dat Violetta altijd het gevoel had gehad dat zij een zesde zintuig bezat als het om de liefde ging, en in dit opzicht kreeg ze steun van Luciana, die vijfeneenhalf zintuig bezat.
Meestal wist ze precies wat er wel of niet gedaan moest worden, maar vandaag rinkelden er geen belletjes, flitsten er geen tekenen en was haar geest zo troebel als minestrone. Was Alessandro echt hun calzino rotto? En was Lily echt de vrouw die zijn gebroken hart moest genezen?’

Of Het Geheime Genootschap van Sokkenstoppende Weduwen erin slaagt Lily te koppelen aan Alessandro lees je in

Dolci d’Amore
Sarah-Kate Lynch
vertaald door Jolanda te Lindert
ISBN 9789032512729
€ 16,95
uitgeverij De Kern

Bestel dit heerlijk boek via deze link bij bol.com!

apr 27

Gisteravond kon ik niet meer stoppen met lezen. Waarin ik was verdiept? In de mooiste Italiaanse roman van 2012, als we uitgeverij De Bezig Bij mogen geloven. ‘Een magistrale debuutroman die ver voor de Italiaanse verschijningsdatum internationaal al erkend wordt als meesterwerk. Alle internationale redacteurens die het boek in handen kregen waren het er unaniem over eens: dit is een grandioos debuut, een roman die je de adem beneemt vanaf de eerste zinnen tot het onvergetelijke einde.’

Ik kan die internationale redacteuren niet anders dan gelijk geven. Dankzij dit boek tik ik dit stukje diep in de nachtelijke uurtjes, want nu het eenmaal uit is, wil ik het boek nog niet loslaten. En uiteraard wil ik het ook zo snel mogelijk met jullie delen. Zo’n bijzondere leeservaring gun ik iedereen. Koop dit boek, lees het en laat je meesleuren naar de hitte in de straten van Palermo.

Zo ook op aarde gaat over Davidù, een jongetje van negen dat ziet hoe zijn buurjongen Gerruso door een groep jongens wordt mishandeld. Als ze daarna ook Gerruso’s nichtje Nina aanvallen, grijpt Davidù in. Zijn oom Umbertino is getuige van Davidu’s kracht en begrijpt dat zijn neefje voorbestemd is net als hijzelf een groot bokser te worden.

Davidù groeit op in de vieze straten van Palermo, zonder vader maar met een opa en oma. Zij brengen hem de waarden bij die hij nodig zal hebben om te kunnen overleven in het arme Palermo waar de maffia heerst, het recht van de sterkste geldt en het leven draait om eergevoel.
In een virtuoze stijl die varieert van rauw tot gevoelig, van humoristisch tot passioneel, vertelt Davide Enia het genadeloze verhaal van de straatjongen Davidù tegen de achtergrond van de veelbewogen Siciliaanse geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog tot nu. Een voorproefje:

‘Ze staan met z’n tweeën in de ring.
De een weegt zevenenvijftig kilo, is één meter vijfenzestig lang, zesentwintig jaar oud.
De ander heeft een onbekend gewicht, hoe lang hij is doet er niet toe, hij zal nog wel groeien.
Hij heeft zijn handen niet ingezwachteld, hij draagt handschoenen, huppelt door de ring.
Hij is negen jaar.

Achter in de zaal staat een rokende man aan de telefoon te praten.
‘Zina, wees gerust, hij is bij mij, alles is goed, over hooguit een half uur zijn we thuis, ciao.’
Hij hangt op, pakt de krant van tafel, bestudeert de uitslagen van de paardenraces om te kunnen inzetten op een memorabel trio dat wellicht voor een ommekeer in zijn leven zal zorgen, in elk geval voor een paar maanden.

Aan de rand van de ring, leunend tegen de touwen, staat een man met een baret te schreeuwen: ‘Ik tel tot drie!’
De boksers stoppen met oefenen tegen de zak en opdrukken.
‘Een, twee, drie.’
Het jongetje bewaart meteen een geruststellende afstand tussen zichzelf en de tegenstander. Hij vertoont een interessant benenspel: hij springt en landt voortdurend op de tenen van beide voeten tegelijk.

Achter in de zaal slaat de rokende man met de rug van zijn hand op de krant.
‘Wat een trio: Asansol, Regolo, Mastino III, daar ga ik als de bliksem op wedden.’
Hij scheurt de pagina eruit, stopt hem in zijn zak en loopt naar de ring.
De zesentwintigjarige bokser heet Carlo. Hij is geconcentreerd: dekking hoog, knieën gebogen, ogen recht in die van de tegenstander.

Het jongetje maakt een schijnbeweging naar rechts en dan een onverwachte sprong naar links. Hij is zich niet bewust van zijn bewegingen, hij voert ze uit en meer niet. Carlo behoudt zijn verdedigende positie. Hij is gesloten als een kerkdeur in de nacht. Zodra hij de grond weer raakt laat het jongetje zijn linkerhandschoen omhooggaan. Carlo weert de stoot af met zijn rechterelleboog. De man met de baret aan de rand van de ring wil iets roepen, maar de opdracht blijft in zijn keel steken: onverwacht heeft het jongetje zijn stoot herhaald.

Met zijn linkerhand schampt hij Carlo’s gezicht.
Hij heeft het geprobeerd.
Hij heeft gefaald.
De rokende man beveelt zonder emotie: ‘Sla hem neer.’
De kerkdeur gaat open.

Carlo geeft een directe, midden op de wang van het jongetje, waardoor hij tegen de mat gaat.
Na een paar tellen staat het jongetje op, maar hij raakt meteen uit evenwicht.
Hij zet zijn tanden op elkaar om niet opnieuw te vallen.

De man met de baret vraagt hem: ‘Kun je touwtjespringen?’
‘Ik ben duizelig.’
‘Dat was de vraag niet,’ preciseert de andere man kalm, voordat hij zijn rook uitblaast.
Hij kijkt als een voetballer vlak voor hij schiet.
‘Ik kan niet touwtjespringen.’
‘Zorg dat je het leert.’

Het jongetje trekt zijn bokshandschoenen uit, stapt uit de ring, pakt een springtouw en probeert het. Het gaat steeds mis.
‘Nou,’ zegt de rokende man tegen die met de baret.
‘Je hebt het zelf gezien, hij verdubbelde zijn stoot.’
‘En het voetenwerk is er ook.’
‘Ja.’
‘Het moment is gekomen.’
‘Je ziet dat hij echt een zoon van zijn vader is.’
‘Tot morgen, Franco.’

De man met de sigaret pakt het touw uit de handen van het jongetje, nadat hij elke poging om te springen heeft zien mislukken.
‘Dit zul je ook nog wel leren, met de tijd. Nu gaan we naar huis. En denk erom, je mag je moeder alles vertellen wat er gebeurd is, behalve dat ik je heb meegenomen naar de boksschool. Zweer het me.’

Het jongetje zweert het.
‘Maar je opa, die ga je wel alles vertellen.’
‘Mag dat?’
‘Dat moet.’

Ze lopen naar buiten net op het moment dat de man genaamd Franco de baret van zijn hoofd pakt en tegen de bokser genaamd Carlo schreeuwt dat hij een schijnbeweging met links moet maken en die moet kruisen met een rechtse uppercut, nog eens, nog een keer, godverdegodver, nog eens.

Buiten, in een lucht die roerloos is van de hitte, klinken politiesirenes. Groepjes mensen staan stil in de schaduw en wijzen in de verte. Iemand vertelt iets van horen zeggen, de een formuleert vragen, een ander waagt zich aan een antwoord, allemaal slaan ze een kruisteken wanneer hij het woord ‘maffia’ uitspreekt.

De rokende man loopt met de handen in de zakken.
Hij trekt zich van niets en niemand wat aan.
Hij kijkt niet op of om.
Hij heet Umbertino.
Hij is mijn oom.
Het jongetje van negen jaar ben ik.’

Dit fragment is afkomstig uit

Zo ook op aarde
Davide Enia
vertaald door Manon Smits
ISBN 9789023468691
€ 18,90
uitgeverij De Bezige Bij

PS: Op donderdag 3 mei interview ik Davide Enia. Mocht je deze veelbelovende Italiaanse auteur graag een vraag voorleggen, laat het me dan even weten. Dan zorg ik ervoor dat hij jouw vraag beantwoordt!

apr 23

Hoofdpersoon in Een kamer in Rome is de dromerige student Daniël die op de dag dat het uitgaat met zijn vriendin een novelle in handen krijgt van de mysterieuze schrijver Alle Waterink. Over de schrijver is niets bekend behalve dan dat hij in Toscane in Italië woont. Wie is die man? En waarom raakt Daniël zo bevangen door deze novelle?

Daniël vertrekt naar Italië om meer te weten te komen over Alle Waterink. Hij belandt in een duizelingwekkende wereld van taal en literatuur, vol mystificaties en culturele verwijzingen, die de lezer naar adem doen happen. Een kamer in Rome is een boek dat meesleept en, zoals ware literatuur kan bewerkstelligen, je de alledaagse werkelijkheid volledig doet vergeten. Een fragment:

‘Ik stond op om af te rekenen. Ik wilde nog afscheid nemen van Andrea. Ik was al langs zijn zaak gekomen en had gezien dat hij ’s zaterdags om negen uur openging en liep naar het pleintje met de lindebomen.

Andrea was in gesprek met een jonge moeder en haar zoontje van hoogstens drie jaar. Hij liet hun een prentenboek zien waarvan de voorstellingen uitgeklapt konden worden. Het zoontje keek met open mond naar de driedimensionale kamers, zalen, trappen en koetsen alsof hij zo het boek zou willen binnengaan.

Ik liep langs de schappen en bleef staan voor de uitstalling van de Biblioteca Adelphi: Márai, Sebald, Somerset Maugham, Gogol, Naipaul, Kundera, Cioran, Nabokov. Klinkende namen. Maakte het uit onder welke naam een verhaal de wereld in werd gestuurd? Borges suggereert in een van zijn verhalen om wereldberoemde teksten aan een ander toe te schrijven dan de oorspronkelijke auteur. De Navolging van Christus aan Céline, bijvoorbeeld. Zo’n werk zou weer heel anders gelezen worden en een nieuwe dimensie krijgen.

Nadat Andrea de moeder en het zoontje had uitgelaten, stapte hij op mij af. Ik zei hem dat hij voor mij van grote waarde was geweest, dat ik zonder hem geen verhaal gehad zou hebben.
‘Daar ben ik voor, om mensen aan verhalen te helpen.’

Misschien zou ik na een tijdje niet meer weten hoe Andrea eruitzag maar zijn glimlach zou ik niet vergeten. Glimlachen verdwijnen als laatste.
‘Ik kom hier terug,’ zei ik, ‘ik hoop als boek. Hier wil ik wel liggen.’
‘De gemiddelde tijd dat een boek in de winkel blijft is één maand.’
Hij sprak zacht maar met de autoriteit van een arts die op de gevaren van roken wijst.
‘Weet je hoeveel boeken er in Italië per jaar uitkomen? In Italië alleen? Zestigduizend. Meer dan honderdzestig boeken per dag.’ De glimlach verdween niet van zijn gezicht.

Zoals eskimo’s, naar men zegt, talloze woorden tot hun beschikking hebben om alle soorten en nuanceringen van sneeuw recht te doen, zo zouden er talloze woorden moeten zijn om de gezichtsuitdrukking van Andrea in al zijn verfijning te beschrijven. Ik moest het doen met het woord ‘glimlach’ waardoor de indruk gewekt kon worden dat hij over alles een uniforme sluier spreidde.

Van de kleine toonbank nam hij van een stapeltje een kaartje met de naam en het adres van de boekwinkel. Hij draaide het kaartje om en vroeg of ik mijn naam wilde opschrijven. Ik moest hem helpen om de naam goed uit te spreken.

Hij herhaalde de naam terwijl hij op het kaartje keek: Daniele. Als er ooit een boek van mij in Italië uitkwam, zei hij, zou hij één exemplaar in de etalage laten liggen, net zo lang tot ik terugkwam. Ik deed mijn rugzak om, gaf hem een hand en zei dat ik beslist terug zou komen.’

Lees het prachtige verhaal van Daniël in

Een kamer in Rome
Sipko Melissen
ISBN 9789028241886
€ 18,50
uitgeverij Van Oorschot

Getagd met:
apr 17

Een mooie opening van de Week van de Klassieken, het nieuwe boek van Oek de Jong dat vandaag verschijnt. Brief aan een jonge Atlas bevat zes onbekende, autobiografische teksten uit het begin van Oek de Jongs schrijverschap. De toon en stijl zijn onmiskenbaar die van de twintiger die een hele generatie wist te boeien met zijn romans Opwaaiende zomerjurken (200.000 ex.) en Cirkel in het gras (150.000 ex.), beide inmiddels klassiekers in de Nederlandse letteren.

Maar Brief aan een jonge Atlas laat tot nu toe onbekende kanten van deze schrijver zien: minnaar in een uitzichtloze liefde, reiziger door Marokko, duiker bij Vulcano, een romanticus tegen wil en dank, bezig zich te ontworstelen aan zijn jeugd. Vandaag alvast een voorproefje, een prachtig fragment uit het verhaal Landschap met inktvis:

‘Wanneer je alleen reist, maakt alles een diepere indruk. Je aandacht gaat niet uit naar een reisgenoot. Je kunt de wereld niet buitensluiten in die magische cirkel van twee. Je staat er in je eentje voor. Je bent onophoudelijk blootgesteld aan de vreemde wereld die je betreedt. Je spreekt soms dagenlang met vrijwel niemand. Je wordt op jezelf teruggeworpen. Je raakt in jezelf gekeerd. Je komt jezelf tegen, zoals dat heet, jezelf en je demonen. Maar alles maakt daardoor een diepere indruk.

Elke reis alleen is ook een reis naar binnen. Je ontkomt er niet aan.
Ik reisde in die jaren veel alleen.

Nadat ik, in het vroege voorjaar van 1985, de vierhonderdeenendertig pagina’s drukproef van mijn tweede roman had afgewerkt, kocht ik een ticket voor het eerste het beste vliegtuig naar Sicilie om daar even een frisse neus te halen. Ik was tweeëndertig – en eigenlijk pas tweeëntwintig, volgens een wijze oudere vriendin, die van mening was dat in mijn leven ‘alles tien jaar later gebeurde dan in het leven van anderen’.

Een vreemde, orakelachtige uitspraak die me nu te binnen schiet. Misschien had ze gelijk, want er stonden mij op deze reis zekere vernederingen en inzichten te wachten die niet passen bij een tweeëndertigjarige – en misschien zelfs niet bij een tweeëntwintigjarige.

Ik landde in Catania, een stad befaamd om zijn barokke pracht. Ik bezocht er slechts de vismarkt, een plein vol schreeuwende vissers, hun stemmen weerkaatsend tegen de huizen, en verlustigde me in de vis die er glanzend en glibberig lag uitgestald, in gekliefde zee-egels, hompen zwaardvis, emmers zwart water, in een wilde wereld kortom; ik nam de trein naar Palermo, dwars over het eiland, en in Palermo bleef ik maar een halfuur, omdat bepaalde gezichten daar me niet aanstonden; ik reisde door naar Trapani, een kleine havenstad aan de westkust, waar ik halverwege de avond aankwam – de zwaluwen scheerden nog over de daken – en een kamer vond aan een oude binnenplaats met arcades en gaanderijen die geheel naar mijn zin was, en de volgende ochtend stapte ik op de boot naar Pantelleria, een eiland ten zuiden van Sicilië, waar ik op de kaart al verlangend naar had gekeken, een klein en vulkanisch eiland met Arabische namen. Omdat ik alleen reisde, herinner ik me de aankomst op Pantelleria nog heel goed.

Het was aan het begin van de middag, de zon stond hoog. Nadat de veerboot zijn twee ankers had uitgezet, voer hij langzaam achteruit, zijn ankerkettingen vierend, en naderde de rotsige kust van het eiland. Een haven was er niet, alleen een kleine kade, waarop een paar auto’s en een handvol mensen stonden te wachten. Ik begon de landelijke kust van het eiland al vagelijk te ondergaan, terwijl ik nog op zee was.

Van de kade maakte zicht toen een kleine jol los. Omdat de zee door het helle licht tot op de bodem doorzichtig was, leek de jol te zweven op de golven. Deinend en dansend, geroeid door een jonge kerel die zijn blote voeten schrap zette tegen de spanten, kwam die notendop naderbij. In de schaduw van het schip gekomen richtte de man in de jol zich op. Behendig ving hij het balletje van de lijn dat hem werd toegeworpen. Hij haalde de lijn in en begon de eerste van de twee trossen aan land te brengen.

Ik zag die jol van bovenaf, deinend op de blauwe en doorzichtige golven en ik bewonderde zijn even sterke als functionele als fraaie vorm. Hoe klein en rank ook, het bootje leek geschapen om zich over de golven te bewegen, rijzend en dalend, zonder een spatje water te maken. Een eeuwenoud ontwerp dat nooit door iemand was ontworpen, sterk, beproefd, niet verbeterbaar: de jol. Ik zag een oervorm. Het zien van een oervorm is het zien van iets volmaakts. Het was een ervaring die ik op het eiland onophoudelijk zou hebben.

Aan twee trossen, op de kade bevestigd, trok het schip zichzelf naar de wal. De laadklep in de achtersteven zakte naar beneden. Terwijl hij daalde liep een scheepsofficier in smetteloos wit kostuum ertegenop, als tegen een helling. Vanuit het duister van de scheepsbuik trad hij in het licht om erop toe te zien dat de laadklep op de kade landde. Maar veel meer toch, leek het, om alle ogen op de kade op zich gericht te weten. Tja, ik bevond me nog altijd in Italië, ook al was Afrika nu dichtbij.’

Lees het vervolg van zijn verblijf op Pantelleria en de andere, net zo prachtige, verhalen in

Brief aan een jonge Atlas
Oek de Jong
ISBN 9789045705439
€ 14,95
uitgeverij Augustus

apr 03

April is de maand van de nieuwe boeken! Naast alle boeken waaraan ik heb mee mogen werken (en waarvan nog uitgebreid verslag volgt), verschijnt deze maand namelijk ook het debuut van Sandra Di Bortolo: Spaghetti met hutspot. De titel geeft precies aan hoe Sandra is opgegroeid: met een Nederlandse moeder en een Italiaanse vader was het schipperen tussen spaghetti en hutspot – en tussen alles waar beide gerechten symbool voor staan.

In haar debuutroman geeft Sandra je een kijkje achter de gesloten deuren van een Italiaanse immigrantenfamilie, waarin met name de hiërarchische verhoudingen een belangrijke rol spelen. Familie-intimiteiten die volgens Italiaanse tradities verborgen blijven voor de buitenwereld worden door Sandra op een onomwonden manier bespreekbaar gemaakt. Spaghetti met hutspot is autobiografisch proza dus; Sandra verwerkt haar eigen levenservaringen in een fictief verhaal.

Nadat eerst haar vader en nu ook haar moeder overlijdt, wordt het leven van Silvana Scaglione flink overhoop gegooid. Als jongste dochter in een Italiaans gezin betekent het overlijden van haar moeder uiteraard, dat haar oudste broer Franco degene is, die voortaan de familie zal leiden. In eerste instantie is dat een vanzelfsprekendheid die niemand in twijfel trekt. Maar naarmate de tijd verstrijkt, merkt Silvana dat zij steeds meer moeite krijgt om haar oudste broer blindelings te volgen.

Wanneer zij voorzichtig probeert zich te distantiëren van dit vanzelfsprekende leiderschap stuit dat direct op verzet binnen de familie.  In eerste instantie probeert Franco haar nog onder vier ogen duidelijk te maken dat hij haar recalcitrantie gedrag niet op prijs stelt. Maar wanneer Silvana steeds meer in het openbaar de familietradities aan haar laars lijkt te lappen, door Franco openlijk aan te spreken op zaken die in haar ogen anders zouden moeten, neemt de spanning binnen de familie toe. Een rechtstreekse confrontatie tussen Franco en Silvana zal uiteindelijk bepalend zijn voor de verstandhoudingen binnen de hele familie.

Tegelijkertijd volgen we het leven van haar vader, Marcello Scaglione, vanaf zijn vroege jeugd. Hierin wordt duidelijk dat de hiërarchische verhoudingen al op voorhand vastliggen. Als oudste zoon wordt Marcello al op jonge leeftijd duidelijk gemaakt dat de verantwoordelijkheid bij hem zal komen te liggen. Zijn jongere broer Lorenzo blijkt zich echter te ontwikkelen tot een zelfstandige, charismatische man die niet onderdanig wil zijn aan zijn oudere broer. Een breuk tussen de beide broers is uiteindelijk onvermijdelijk. Marcello voelt zich diep ongelukkig omdat hij in zijn ogen ernstig heeft gefaald als familie-oudste. Pas na ruim twintig jaar wordt deze ruzie op initiatief van hun beide vrouwen bijgelegd.

Vandaag op Ciao tutti een voorproefje, bestaande uit de brief waarmee het boek begint:

‘18 februari 2010

Vandaag is het donderdag. De achttiende. Het is precies een jaar geleden dat haar moeder overleed. Silvana loopt een beetje weemoedig door het huis. Omdat ze deze week late dienst heeft, lag ze gisterenavond pas laat in bed, en is daarom wat later dan gewoonlijk opgestaan. In haar badjas, op haar pantoffels, loopt ze zonder nadenken naar de koffiemachine. Koffie, het eerste waar ze ’s morgens behoefte aan heeft. Daarna, zoals altijd, het journaal kijken en dan pas douchen en aankleden.

Het is een rare dag. Op deze dag, achttien februari, is haar moeder gestorven. En de periode die daarop volgde, was misschien nog wel ingrijpender dan het overlijden zelf. Het afgelopen jaar stond immers in het teken van verlies, in de ruimste zin van het woord. Ze krijgt een brok in haar keel wanneer ze terugdenkt aan haar gesprek met Franco, drie dagen geleden. De afstand die ze toen voelde, de onoverbrugbare kloof die tussen haar en haar oudste broer Franco is ontstaan, was ineens bijna tastbaar. Eigenlijk voerde hij als familieoudste het woord namens de hele familie.

Wanneer ze een slok van haar koffie neemt hoort ze de brievenbus klepperen. Met haar kopje in de hand loopt ze naar de gang. Behalve een blauwe envelop van de belastingdienst ziet ze een witte. Ze schrikt. Ze leest haar naam in, zo lijkt het wel, het handschrift van Franco. Met bonzend hart loopt ze terug naar de bank en opent nerveus de envelop.

“Silvana,” zo opent de brief. En daarna niets. Helemaal niets. Geen woord. Een lege brief met alleen maar zijn naam daaronder.“F.A.G. Scaglione”. De tranen die al dicht aan de oppervlakte lagen, glijden geruisloos over haar gezicht. Hij heeft haar blijkbaar niets meer te zeggen.’

Lees het vervolg van Sandra’s verhaal in

Spaghetti met hutspot
Sandra Di Bortolo
ISBN 9789081697088
€ 17,50
uitgeverij Mooi Media

apr 02

Vandaag geen sterk verhaal zoals gisteren, maar een kort verhaal, ter gelegenheid van het vorige week verschenen lentenummer van Kort Verhaal dat helemaal aan Italië is gewijd. Dit Italiaans getinte lentenummer bevat tien Italiaanse en tien Nederlandse verhalen, maar de Nederlandse afdeling wordt nog aangevuld en versterkt met zeer korte verhalen (zkv’s): twaalf van de meester in het genre, A.L. Snijders, en vijftien van ‘tovenaarsleerling’ Joubert Pignon.

Dat alles levert maar liefst 160 pagina’s Italiaans leesplezier op, met verhalen van onder anderen Andrea Bajani, Alberto Moravia, Sandro Veronesi en Dacia Maraini aan Italiaanse zijde en Thomas Verbogt, Philip Snijder, L. H. Wiener en A. H. J. Dautzenberg als Nederlandse stemmen.

De leukste bijdrage is wellicht die van Pier Vittorio Tondelli (vertaald door Jan van der Haar), die een geïdealiseerd en nauwelijks herkenbaar beeld schetst van Amsterdam in 1990. Een fragment:

‘De treinen die aankomen op het Centraal Station van Amsterdam, het grote schouwtoneel waaromheen als een amfitheater het centrum van de stad ligt met zijn vier voornaamste grachten – de Prinsengracht, de Keizersgracht, de Herengracht en het Singel – verbazen nog steeds vanwege hun knallende kleuren geel en blauw. Zo ook lijken de snelle en superstille trams die door de straten van het centrum glijden niet alleen in oranje en geel en felle kleuren geschilderd, maar regelrecht ontworpen met de lettering van de laatste tentoonstelling van het Stedelijk Museum (en als het gaat om Malevitsj zullen het cyrillische letters zijn) of bedrukt als plattegrond met straten, snelwegen, havens; of dan weer gedecoreerd als een heus kunstwerk, de lijnen en vierkanten van een Mondriaan, de bloemenweelde van een nette, allerminst woeste graffiteur.

De kleuren van de Amsterdamse treinen doen niet denken aan de treinstellen van de metro van Manhattan die door fanatieke anonieme kids uit de Bronx zijn versierd met spuitbussen, en nog minder aan de kleuren van de treinen en de bussen van onze steden, maar geven de pas gearriveerde bezoeker de aanblik van kleur en fleur – misschien niet van sierlijkheid,wel van moderniteit – van een stad die beroemd is om haar tolerantie en de beschaving van haar inwoners, de Europese hoofdstad van een jongerentoerisme dat hier decennialang naartoe kwam, de droom najagend van een aards paradijs waarin muziek, rock, softdrugs, seksuele contacten, woningen, werkloosheidsuitkeringen, sociale voorzieningen, voor iedereen voorhanden waren: een stad waar de kracht van fantasie en verbeelding werkelijkheid kon worden, de realiteit van alledag.

Net als Van Goghs vlammende kleuren,magisch aangebracht op de muren, de treinen, de bussen van een stad die zich opmaakt om de grote schilder te herdenken met een kolossale tentoonstelling, verdeeld over het gelijknamige, lichte museum en het Kröller-Müller in het groen van het park van Otterlo, zo’n honderd kilometer hiervandaan.

Wat onmiddellijk opvalt aan Amsterdam is dat het in de loop van de decennia bij voortduring de jongerenstad bij uitstek is gebleven. Beeldschone jongeren dragen je bagage, serveren je een biertje, thee of lunch, adviseren je bij het winkelen, om het even in het Engels, Duits of Frans. Beroepen die in elk ander land doorgaans worden uitgeoefend door rijpere, ervarener heren zijn hier helemaal het domein van de jongeren. Je vraagt je af waar in deze stad de vijftig- en zestigplussers zijn gebleven,misschien op het platteland om tulpen te kweken, te gaan vissen of te tuinieren, te reizen. Je gaat een café binnen en treft drie hartstikke aardige vrouwen in spijkerbroek en T-shirt, die je thee en macrobiotische lekkernijen aanbieden: een moeder, een dochter, een net puberende kleindochter. En het lijken drie zussen. Met lang blond haar, smalle heupen, dezelfde lach.

En als op een avond aan de uiteraard high tech-tafeltjes van een hip restaurant, de Theeboom, de wachttijden tussen de ene en de andere gang door op zijn minst traineren – en je haast terugverlangt naar die ouwe obers van de Toscaanse of Romeinse trattoria’s,met hun wervelende, bruuske bewegingen, met die slepende tred die duidt op een heel leven in de bediening – zie je toevallig een beeldschoon meisje, tenger en fel, binnenkomen, aan de bar gaan zitten, zoenen uitwisselen met de ober en hem vragen of hij meegaat naar een feest; je pikt het mee om de schoonheid van die jongeren te kunnen observeren, hun manier van doen, van elkaar begroeten, uiteengaan, hun ongedwongenheid; ze verdienen het dat de eendenborst beneden in de keuken afkoelt op het bord.

Als je ’s morgens vroeg op pad gaat en door een grote straat loopt achter de musea, dan bevind je je bijna ongemerkt in de stroom van het spitsuur: jongeren bereiken hun werkplek, kinderen worden naar school gebracht, studenten gaan naar de universiteit. De kleurige trams rijden voorbij vol mensen die uit het raampje zitten te kijken of de krant lezen. Spitsuur. En toch is alles stil, als weggeglipt. Want zowel de jongeren als de vrouwen of kinderen, allemaal fietsen ze snel voort op het zadel van hun rijwiel.

Een geordende stroom mensen die snel en geruisloos door de straten van de stad trekt, ongeacht de kou, de regen, de zon of de zomerhitte. De fietsen van Amsterdam. In alle soorten en maten, voorzien van mandjes, tassen, rugzakken. Licht en sierlijk voor de lange tochten naar Zuid. Stevig, paars, roze, lichtblauw, geel, oranje van kleur. Nooit klein. Ook de kinderen rijden op reusachtige exemplaren, niet zittend in het zadel,maar staande op de pedalen. Gewend als ik ben om in steden rond te reizen met mijn oren wijd open om het geluid van een auto of het knetteren van een knalpijp op te vangen, voel ik me helemaal op het verkeerde been gezet. En dit niet alleen vanwege de stilte rond de straten van het centrum, de fietspaden, de voetgangerszones, de stroken voor het openbaar vervoer – een stilte die je langzaam, dag na dag ervaart,waaraan je gewend raakt en die je mede het geestelijk klimaat van de stad meegeeft – dit omdat je, als je de straat oversteekt zonder om te kijken,want je weet toch wel dat je alleen bent, voortdurend het risico loopt om aangereden te worden door een fietser. De stilte van Amsterdam, zijn grachten, de straten met het glooiende perspectief, als een duin, vanwege de bruggen, is iets dat vertrouwen geeft en je langzaam het gevoel bezorgt steeds meer samen te vallen met de dingen en de mensen hier. Want ook de voorwerpen in zo’n omgeving hebben een speciale betekenis. Bijna symbolisch.’

Lees de rest van Tondelli’s verhaal en alle andere korte verhalen in

Kort Verhaal – Italië
lentenummer 2012
€ 10,-
verkrijgbaar bij de boekhandel of via bol.com

mrt 29

Op 4 april verschijnt (hoe heerlijk!) weer een nieuwe thriller van David Hewson! Vandaag op Ciao tutti alvast een voorproefje om de spanning op te bouwen.

David Hewson woonde jarenlang in Rome en werd wereldberoemd met zijn Nic Costa-thrillers, die zich allemaal in de Italiaanse hoofdstad afspelen. Actie, symboliek en de duistere ‘andere’ kant van Rome zijn het handelsmerk van Hewson. Dit keer staan de mysterieuze Blauwe Demonen centraal, een groep die twintig jaar geleden een serie lugubere misdaden pleegden uit naam van de oude Etrusken. Als tijdens een G8-top in Rome een politicus ritueel vermoord wordt, vermoedt inspecteur Nic Costa dat de Blauwe Demonen weer aan het werk zijn. Costa moet diep in het verleden graven en stuit daarbij op een reeks zeer duistere zaken.

Na het lezen van het eerste hoofdstuk hieronder zit je er al helemaal in, dus wees gewaarschuwd: dat worden slapeloze nachten tot 4 april!

‘De man in de zilveren wapenrusting beende met grote passen over het kiezelpad. De tuin van het Quirinale leek wel een oven. Hij zweette hevig in het officiële borstschild en wollen uniform.

In zijn rechterhand hield hij stevig het lange, bebloede zwaard vastgeklemd dat zojuist een man van het leven beroofd had. Over niet al te lange tijd zou hij de Italiaanse president vermoorden. En dan? Dan werd hij zelf omgelegd. Dat was nu eenmaal het lot van huurmoordenaars door de eeuwen heen, van Pausanius van Orestis, die de vader van Alexander de Grote, Philippus, vermoord had, tot de moordenares van Marat, Charlotte Corday en Kennedy’s wreker, Lee Harvey Oswald.

De dolk, het geweer van de sluipschutter… De wapens waren een reflectie van de man of vrouw die ze gebruikte. Zo werden dader en slachtoffer verenigd in één gezamenlijk offer aan het lot, en het was nooit anders geweest, vanaf het moment waarop de mens over anderen had willen heersen en zijn verlangens had uitgedrukt, zijn levensduur had laten inperken door de suffe restricties van de conventie. Petrakis had in de loop der jaren veel gelezen, veel gedacht, voorbereidingen getroffen, zichzelf vergeleken met zijn soortgenoten. De laatste voorstelling waarin rondreizend acteur John Wilkes Booth had opgetreden voor hij een kogel door de schedel van Abraham Lincoln joeg was Julius Caesar geweest, al was door een merkwaardig toeval zijn rol die van Caesars vriend en verdediger, Marcus Antonius, geweest en niet van Brutus zoals de geschiedenis wilde.

Toen hij de gestalte in het prieeltje naderde, merkte Petrakis dat hij bij het zien van de grijze, gerimpelde gedaante die daar diep over een boek gebogen zat, de zin mompelde die Wilkes Booth zo’n anderhalve eeuw eerder uitgesproken moest hebben.

O, grote Caesar, lig jij daar nu zo?
Zijn al je macht, roem, buit en zegetochten,
Tot deze maat teruggebracht?

Een lang, wit gezicht met droevige, vermoeide ogen keek op van de bladzijde. Petrakis besefte dat hij hardop had gesproken en hij vroeg zich af waarom deze dood, na al die andere, hem zo moeilijk viel.

‘Dat kon ik niet helemaal verstaan,’ zei Dario Sordi op kalme, vaste toon, terwijl hij zijn blik op het lange, bebloede blad gericht hield.

De officier in uniform kwam dichterbij, bleef staan, herhaalde de versregel en hield het zwaard boven de oudere man, die zich daar in de schaduw van een beeld van Hermes ophield.

De president keek op, wierp een blik om zich heen en vroeg: ‘Over welke overwinningen heb je het, Andrea? Welke buit? Een tijdelijk verblijf in een tuin die eerder bij een paus past? Ik ben een gepensioneerde man in een uitermate luxueus bejaardenhuis. Is dat nou echt zo moeilijk te vatten?’

Het lange, zilvergrijze wapen trilde in Petrakis’ hand. Zijn handpalm voelde vettig aan. Hij wist niet wat hij daarop moest antwoorden.
Achter hem klonken stemmen. Geschreeuw. Rumoer.
Dario Sordi had een sigaret in zijn hand. Hij trilde zelfs niet.
‘Je zou bang moeten zijn, oude man.’
Weer dat droge lachje.

‘Ik ben achterna gezeten door nazi’s.’ Het grijze, strakke gezicht keek hem nors aan. Sordi trok aan de sigaret en blies een rookwolk uit. ‘Ik heb meer dan een halve eeuw lang Russische roulette gespeeld met de tabak en de druif. Heb mensen beledigd – belangrijke mensen – die vinden dat ik eens een lesje zou moeten leren, wat waarschijnlijk wel klopt.’ Hij priemde met een lange, bleke vinger in de avondlucht. ‘En nu wil jij dat ik naar de pijpen van iemand anders ga dansen? Op de knieën ga voor een of andere sukkel?’

Dat zou het in ieder geval gemakkelijker maken.
Petrakis dacht aan zo veel dingen tegelijk. Hij dacht aan voorbije tijden, lome dagen onder de Afghaanse zon waarin hij NAVOtroepen had proberen te ontwijken, en hij dacht aan verre, bijna vergeten ogenblikken in het vochtige duister van een Etruskische tombe, toen hij het met zijn vader over het leven en de wereld had gehad, over hoe een man daar zijn eigen weg in moest vinden en niet mocht toestaan dat een ander zijn toekomst bepaalde.

En de oorsprong van dat alles lag in de Maremmen, in de gefluisterde ontdekking dat daar een paradijs van de wil opgeofferd was aan het cliché en het alledaagse, aan de dringende eisen van de politiek. Andrea Petrakis wist dat deze koers al op zeer jeugdige leeftijd voor hem was uitgezet, door zijn geboorte, door zijn erfgoed.

Zijn gedachten werden volledig in beslag genomen door de herinnering aan de tombe met de spookachtige figuren die op de muren geschilderd waren en de verschrikkelijke, onsterfelijke verschijning van de Blauwe Demon die hen een voor een opvrat. In de loop van tientallen jaren had hij vooral het volgende geleerd over de vrijheid die de reeds lang gestorven mannen en vrouwen hadden genoten. Twee millennia na dato dansten ze nog steeds onder de grijze grond van Tarquinia. Hun vrijheid, echter, was een eendagsvlieg, even vluchtig en uitsluitend echt door het voorbijgaande karakter ervan. Leven en dood zijn maatjes, twee zijden van een medaille. Om elke ademtocht te kunnen proeven, elke hartenklop te voelen moest je weten dat ze je allebei ieder moment afgenomen konden worden. Zijn vader had hem dat geleerd, lang voordat de Afghanen en de Arabieren hem hetzelfde hadden proberen duidelijk te maken.

Andrea Petrakis herinnerde zich de les nu nog zuiverder, nu in een onzichtbare zandloper het zand voor Dario Sordi en zijn moordenaar wegliep.
In de zoele avondlucht was een scherp, hard geluid te horen. Het leek of er een onzichtbare, strakgespannen draad knapte. Een deel van het standbeeld van Hermes, de rechtervoet, spatte voor zijn ogen in duizend stukjes uiteen alsof hij ontploft was van pure woede.
Eindelijk dook Dario Sordi weg in de schaduw, en probeerde zich te verstoppen.’

Het vervolg lees je vanaf 4 april in

Blauwe demonen
David Hewson
vertaald door Janine van der Kooij
ISBN 9789026128950
€ 18,95
Uitgeverij De Fontein

Getagd met:
mrt 24

Op de laatste dag van de Boekenweek laat ik Alessandro Baricco aan het woord, die in zijn boek De barbaren, waarvan onlangs een herziene uitgave is verschenen, vertelt over de commercialisering van de boekenwereld.

‘Het idee dat de wereld der boeken op dit moment wordt belegerd door de barbaren is tegenwoordig zo wijdverbreid dat het bijna een cliché is geworden. Over de standaardversie van dit idee zou ik zeggen dat het op twee pijlers steunt: 1) de mensen lezen niet meer; 2) degenen die boeken produceren denken alleen nog maar aan winst, en die maken ze ook.

Als je het zo zegt, klinkt het paradoxaal: als de eerste stelling waar was, zou de tweede uiteraard onmogelijk zijn. Dat moeten we dus zien uit te zoeken. Binnen het kader van dit boek is dat nuttig, omdat het ons dwingt de algemene uitdrukking ‘vercommercialisering’ nader te bekijken. […]

Laten we uitgaan van een vaststaand gegeven: het is inderdaad zo dat de westerse uitgeversindustrie al tientallen jaren lang een constante en significante omzetstijging bewerkstelligt. Ik ben niet zo dol op cijfers, maar gewoon voor de duidelijkheid: in de VS is het aantal boeken dat wordt geproduceerd alleen al in de laatste tien jaar met zestig procent gestegen. In Italië is de omzet van de uitgeversindustrie de laatste twintig jaar verviervoudigd (we moeten er wel rekening mee houden dat de omzet behoorlijk is gestegen door de overstap naar de euro, maar het blijft een indrukwekkend gegeven). Dat waren de cijfers, en samenvattend: er wordt verkocht dat het een lieve lust is.

Dergelijke resultaten worden niet zomaar bereikt. Ze zijn het gevolg van een genetische mutatie. […] Neem nu het Italië van de jaren vijftig. Het waren de jaren waarin de belangrijkste literaire prijs, de Premio Strega, werd toegekend aan mensen als Pavese, Calvino, Gadda, Tomaso di Lampedusa, Moravia en Pasolini. […] Maar wat voor Italië was dat? […]

Het is niet gemakkelijk daarop een antwoord te geven, maar ik probeer het. Het was een Italië waarin tweederde van de bevolking alleen maar dialect sprak. Dertien procent was analfabeet. Van degenen die wel konden lezen en schrijven had bijna twintig procent geen diploma. Het was een Italië dat net een verloren oorlog achter de rug had, en het was een land waar maar weinig vrije tijd was, en waar de opkomende kleine burgerij nog niet genoeg spaargeld had om hun pleziertjes en hun culturele ontwikkeling te bekostigen.

Het was een land waar in zeven jaar tijd dertigduizend exemplaren van de trilogie Onze voorouders (I nostri antenati) van Calvino werden verkocht. Dat zeg ik om de grenslijnen van het veld aan te geven: los van wat ze hadden willen doen, konden degenen die boeken verkochten dat destijds slechts doen aan een relatief kleine afzetmarkt.

Tegenwoordig weten we dat dit tamelijk beperkte ecosysteem sublieme vaklieden, geniale auteurs en verheven rituelen heeft opgeleverd. Maar is er iets waardoor het geoorloofd is te denken dat dit alles ontstaan is dankzij een terughoudendheid om die wereld te vercommercialiseren, omdat de voorkeur werd gegeven aan de kwaliteit van de personen en hun handelingen?’

Uit de vraagstelling maakt Baricco al duidelijk dat hij vindt van niet. In De barbaren geeft hij hier uiteraard nog een uitgebreide verklaring voor. Naast de vraag of de boekenwereld geleidelijk ten onder gaat, legt hij ook andere culturele fenomenen bloot. Zo schakelt hij moeiteloos over van de tanende interesse voor de wijncultuur naar de vercommercialisering van de ooit heilige voetbalsport. Is er in demoderne tijd nog wel plaats voor bezieling?

Wel degelijk, stelt Baricco, we moeten alleen beseffen dat er niet zoiets is als beschaving aan de ene en barbarisme aan de andere kant. De huidige cultuur bevindt zich in een staat van mutatie; er is geen sprake van een botsing,maar van een overgang van een oude naar een nieuwe cultuur.

In dit scherpzinnige, gedurfde boek houdt Baricco aan de hand van een rijk arsenaal aan voorbeelden een bevlogen en hoopvol pleidooi voor de toekomst van onze cultuur. Een must om te lezen, zo aan het einde van deze Boekenweek!

De barbaren
Alessandro Baricco
vertaald door Manon Smits
ISBN 9789023471929
€ 15,00
uitgeverij De Bezige Bij

mrt 23

De zeventienjarige Sofia heeft de zorg voor haar zieke vader Harold op zich genomen. Samen wonen ze in een huis in Italië dat ze cynisch ‘Hotel Sofia’ noemt. In oude fotoalbums ontdekt ze dat haar vader in zijn studententijd drie vrienden had met wie hij lief en leed deelde. Waarom heeft hij geen contact meer met zijn vrienden? Sofia weet ze te achterhalen. Ze besluiten om na 28 jaar hun oude vriend te bezoeken voordat hij sterft.

Ingenieus opgebouwd als een mozaïekvertelling gaat Hotel Sofia over de essentie van vriendschap, het Boekenweekthema. Een fragment:

‘We kijken naar De X-factor. Maria di Filippi draagt een huidkleurige glitterjurk en ze lacht vals naar een van de deelnemers die eruitziet als een kistkalf met een smoking aan. ‘Alles aan dat wijf is nep,’ zeg ik, ‘haar tanden zijn gebleekt, haar kont is opgetrokken, het vet bij haar buik is weggezogen.’
Mijn vader lacht en moet hoesten. Ik trek hem een stukje naar voren en klop op zijn rug.
‘Ik ben altijd bang dat de huid achter haar oren losschiet,’ zegt ie als ie uitgehoest is.
Hoe gaat dat als je dood bent? Laat je huid dan ook los?
‘Nog een slok?’
‘Lekker.’
Ik pak de kinderkoffie van het kastje. ‘Ik heb geen zin om hem op te warmen, hoor.’
We zitten in de huiskamer. Dat wil zeggen, mijn vader ligt in bed en ik zit ernaast op de groene stoel. De laatste keer dat hij de trap op ging naar de slaapkamer, kwam hij er op een brancard weer af. Toen vond ik het welletjes. Terwijl ze in het Ospedale St. Matteo zijn bloed aftapten en verversten, belde ik Marco.

Marco! Samen met twee vrienden verhuisde hij alle spullen van de slaapkamer naar de huiskamer. Nu staat mijn vaders kledingkast naast de haard en staat zijn bed bij het raam zodat hij uitzicht heeft op de SS 3 die van Rome naar Perugia loopt. Aan de andere kant van de huiskamer bevinden zich de dubbele, glazen deuren die uitkomen op de hal zodat mijn vader alles kan volgen. Niet dat er veel gebeurt, maar dan heeft hij tenminste het gevoel dat hij er nog bij hoort. Sympathiek!

Ik ruimde zijn kast in, boende de vloer, waste de lakens. Sinds mijn vader drie maanden geleden vlak na zijn achtenveertigste verjaardag ziek werd, ben ik enorm praktisch geworden. Terwijl mijn vriendinnen met mannen flirten op de Piazza di Garibaldi doe ik boodschappen, zorg ik dat hij op tijd zijn pillen krijgt, help ik hem omdraaien, spoel ik zijn ontlasting door de wc. Naar school ga ik alleen als ik zin heb; ik mag vrij nemen wanneer ik wil.
Toen hij na een week ziekenhuis in een rolstoel werd teruggebracht deed ik de deur open in het donkergrijze mantelpakje dat nog van mijn moeder is geweest. Ik had mijn haar opgestoken en een gele sjaal om. In de gang had ik een tafeltje neergezet met daarop een map en een koperen bel. ‘Kan ik u helpen?’ vroeg ik.
Hij bekeek me van top tot teen. ‘Wat heb jij nou aan?’
‘U had een kamer gereserveerd?’
Hij bleef even stil. Toen begon hij te grijnzen. ‘Klopt,’ zei hij, ‘een suite.’
‘Uw naam?’
‘De Regt. Harold de Regt.’

Ik liep naar het tafeltje, pakte de map en begon te zoeken. ‘Aha, hier staat het. U hebt inderdaad een suite; de beste van het hotel zelfs. Ik zal u even voorgaan.’
Vanaf de hal was het een prachtig gezicht: de glazen deuren stonden open; ik had een roos op zijn kussen gelegd.

Marco had met zijn prachtige handen die mij eigenlijk de hele dag zouden moeten aanraken de computer op de tv aangesloten en een welkomstpagina gemaakt met de tekst: ‘Hartelijk welkom in Hotel Sofia. Personeel en manager wensen u een geweldig verblijf toe.’ Uit de luidspreker klonk Vivaldi. Toen mijn vader het zag begon hij te huilen. Stel je niet aan, je gaat alleen maar dood, hoor. ‘Is de kamer naar tevredenheid?’ vroeg ik. […]

Artsen weten het goed te verpakken: hoe hopelozer de situatie, hoe mooier de strik.

Drie maanden geleden kreeg mijn vader longontsteking. De antibiotica hielpen niet, dus moesten we naar de longarts, die een bronchoscopie liet maken. Door zijn mond ging een heel dun buisje met een camera via de luchtweg naar zijn longen. Mijn vader zat ondertussen te knipogen naar de assistente met geblondeerd haar. Vier dagen later moesten we terug voor de uitslag. Toen ik het gezicht van dokter Vitanello zag wist ik het al.

In de Pharmacia Communale 1 ben ik inmiddels vaste bezoeker. De eerste keer was ik er om een looprek te lenen; daarna een steek; toen een rolstoel en vorige week een ziekenhuisbed. De Pharmacia ligt heel handig schuin tegenover het ziekenhuis. Vlak ernaast ligt het hospice waar je naartoe kan als het thuis niet meer gaat. En links van de ingang staat de kerk waar je de uitvaartmis kan houden. Het is een soort wasstraat: afspoelen, wassen, drogen en dan door naar het hiernamaals.’

Nieuwsgierig geworden naar het vervolg? Ciao tutti mag van uitgeverij Contact drie lezers blij maken met een exemplaar van Hotel Sofia. Wat je daarvoor moet doen? Heel simpel: laat voor 31 maart een reactie achter op dit bericht (via het berichtenveld hieronder) en wie weet geniet  jij dan binnenkort van dit prachtige verhaal.

Hotel Sofia
Arthur Umbgrove
ISBN 9789025437497
€ 19,95
uitgeverij Contact

preload preload preload