sep 05

Zeventien jaar geleden zijn Renée de Haan en Matthijs Pronker met hun drie kinderen Marijn, Marije en David verhuisd naar Volterra. Daar begonnen ze bijna vanuit het niets een nieuw bestaan op te bouwen. Hun huis verkeerde in bijna ruïneuze staat en er moesten bergen werk worden verzet.

‘Vier uur. We blijven achter het hek staan en kijken, kijken alsof er een toekomst te zien valt. Hoe groot is dit huis eigenlijk? Groot genoeg? Ik ken alleen de keuken en de wankele meubels, de vergane balken. Anna gooit even later haar door de jaren goed gevette armen om mijn middel: “Bella, come sei bella” en ze troont me haar vertrouwde keuken in, waar binnen vijf minuten een open haard knettert.’

Het Nederlandse gezin voelt zich echter al snel thuis in hun nieuwe onderkomen. Ze maken nieuwe vrienden, worden keer op keer gastvrij onthaald door hun nieuwe buren en genieten van al het goede dat het Toscaanse platteland hen te bieden heeft. De kinderen zitten op Italiaanse scholen en maken hun ouders steeds meer deelgenoot van de Italiaanse taal, cultuur en gebruiken. Langzamerhand gaat er steeds meer Italiaans bloed door de Nederlandse aderen stromen…

Renée de Haan wilde de ervaringen in dit eerste jaar graag met vrienden, familie en andere geinteresseerden delen en tekende haar ervaringen regelmatig op. Ze schreef uiteraard over alle frustrerende zaken, zoals de ontelbare spinnen in de huiskamer, de niet werkende elektriciteit, de problemen die op school ontstaan door de gebrekkige communicatie en de keer dat het flink sneeuwde terwijl er nog geen dak op het huis zat. Gelukkig maakte Renée ook aantekeningen op vrolijke momenten, zoals de vele gezellige etentjes bij de buren, de hulp die van alle kanten komt toestromen, de olijvenoogst en de enorme verbondenheid met zowel de Italianen als de Nederlanders die net als het gezin van Renée in en om Volterra zijn gaan wonen.

Het boek en de bijbehorende cd geven zo een eerlijk en authentiek beeld van wat het betekent een totaal nieuw bestaan op te bouwen in Toscane. De romantiek schuilt in de omgeving, in de warmte van de Italiaanse vriendenkring – niet in wat het gezin elke dag meemaakt. Al verandert dit naarmate het Nederlandse gezin zich thuis gaat voelen in de hechte gemeenschap van Volterra:

‘Gigi pakt zijn gitaar in om twee uur ’s nachts. Salvo lacht dat het tijd wordt om naar huis te gaan, Piero vraagt waarom ze dat ene liedje niet gespeeld hebben en de uren kabbelen voort. In een ledigheid die te vol is om op te schrijven. Die mag je meemaken. Tot er ergens iets van zonlicht gloort en het laatste liedje heel teder een afscheid in zich draagt. Nou ja, afscheid. Iedereen kust iedereen en spreekt af: morgen zitten we hier weer. Zelfde tijd, zelfde plaats. Ook al gaat het niet door, in gedachten zijn we bij elkaar en overmorgen delen we weer echt. Of volgende week. Met altijd dat woordje: Ciao!’

  • Share/Bookmark
aug 28

Vóór 1861 was Italië een hopeloos samenraapsel van kleine stadstaatjes en gebieden die bezet waren door Frankrijk, Spanje of Oostenrijk. De Italiaanse auteur Ippolito Nievo (1831-1861) was een van de felste voorvechters van de Italiaanse eenheidsstaat. In zijn korte, bewogen leven schreef hij vele werken, waarvan Belijdenissen van een Italiaan het bekendste is. Hij stierf in de strijd voor eenheid: onderweg van Sicilië naar Napels leed zijn stoomboot schipbreuk voor de kust van Sorrento.

Belijdenissen van een Italiaan opent met de woorden van Carlino Altovito: ‘Ik werd geboren als Venetiaan, maar zal [...] sterven als Italiaan.’ Carlino groeit op in het kasteel van Fratta, in de provincie van Venetië. Gegrepen door nationalistische gevoelens trekt hij al jong naar de Italiaanse centra van de macht: Venetië, Genua, Rome, Milaan en Napels. Ook de liefde kruist zijn pad, maar die gaat niet over rozen: Pisana, met haar temperamentvolle karakter, trekt hem voortdurend aan, maar stoot hem ook af.

In de vorm van een ironisch, autobiografisch relaas schetst Nievo de roerige jaren voor de Italiaanse eenwording, het Risorgimento. Hij stelt ons voor aan een stoet onvergetelijke personages: de graaf van Fratta, die nauwelijks kan lopen door een verroest zwaard dat hij altijd om zijn middel draagt; zijn kanselier, een schriel, mager mannetje dat loenst en dat als een angstig haasje achter de graaf aanhupt, en monseigneur Orlando, die door zijn vader voorbestemd werd krijgsheer te worden, maar bidden boven vechten verkoos.

Voor de lezers van Ciao tutti alvast een stukje uit het eerste hoofdstuk van Belijdenissen van een Italiaan:

‘Ik ben geboren als Venetiaan op 18 oktober van het jaar 1775, op de dag van de evangelist Sint-Lucas, en ik zal door Gods genade sterven als Italiaan, wanneer de Voorzienigheid, die op ondoorgrondelijke wijze de wereld regeert, dat wenselijk acht.

Ziedaar de moraal van mijn leven. En omdat niet ik deze moraal gemaakt heb maar de tijd dat gedaan heeft, kwam het dus bij mij op dat een naïeve beschrijving van wat de geschiedenis in het leven van een mens teweeg kan brengen, misschien nuttig zou kunnen zijn voor degenen die in andere tijden de vruchten van de gebeurtenissen uit het verleden mogen plukken.

Nu, in het jaar 1858 van de christelijke jaartelling, ben ik een oude man van over de tachtig, en toch nog jong van hart, misschien wel meer dan ik ooit in mijn harde jeugd en moeizame mannelijkheid geweest ben. Ik heb veel meegemaakt en veel geleden. Toch heb ik ook nooit gebrek gehad aan momenten van troost, die meestal niet herkend worden in tijden van tegenspoed, welke altijd de overhand lijken te hebben over de menselijke mateloosheid en zwakheid. Maar wanneer ze dan later, in hun ware gedaante van onoverwinnelijke talismannen tegen ieder kwaad, in de herinnering terugkeren, brengen ze hoop, rust en vrede in de ziel. Ik bedoel hiermee die gevoelens en denkbeelden die zich niet door omstandigheden van buiten laten leiden maar ze juist glorierijk beheersen en er een slagveld voor volop strijd van maken.

Mijn inborst, mijn geest, mijn opvoeding, mijn daden en mijn latere ontwikkeling: zij vormen zoals bij ieder mens een mengsel van goed en kwaad. En als het geen schaamteloos vertoon van bescheidenheid zou zijn, zou ik ook nog als punt van verdienste kunnen aanvoeren dat het kwaad een groter aandeel heeft gehad dan het goed. Maar dat zou allemaal de moeite van het beschrijven niet waard zijn, als ik niet geleefd zou hebben op het breukvlak van de twee eeuwen uit de geschiedenis van Italië die men zich nog lang zal heugen. Toen namelijk ontsproten voor het eerst de kiemen van het politieke denken dat vanaf de veertiende tot de achttiende eeuw doorbrak met de werken van Dante, Machiavelli, Filicaia, Vico en vele anderen die ik wegens mijn gebrek aan ontwikkeling en belezenheid nu niet weet te noemen

Ik ben dus door het feit, een ander zou misschien wel zeggen het ongeluk, dat ik in deze tijd geleefd heb op het idee gekomen alles wat ik gezien, gehoord, gedaan en meegemaakt heb, op te schrijven, vanaf mijn vroegste jeugd tot de beginnende ouderdom, toen de ongemakken van de leeftijd, de toegeeflijkheid tegenover jongeren, de gematigde denkbeelden van een oudere en, laat ik dat ook maar zeggen, de vele en vele tegenslagen van de laatste jaren mij dwongen terug te keren naar de landelijke omgeving waar ik ooit getuige was van het laatste en lachwekkende bedrijf in het grote drama van de feodaliteit.

Mijn eenvoudige verhaal is niet belangrijker voor de geschiedenis dan een voetnoot van de onbekende hand van een tijdgenoot bij de tekst van een zeer oud document. Ik vind dat het persoonlijk handelen van iemand die niet zo bekrompen is dat hij zichzelf ingraaft tegen de narigheden van de gemeenschap, noch zo stoïcijns dat hij zich daar openlijk tegen verzet, noch zo wijs of trots dat hij ze uit minachting links laat liggen, op een of andere manier een weergave moet zijn van het gemeenschappelijke en nationale handelen dat het persoonlijk handelen in zich opneemt, net zoals een vallende druppel de richting van de regen aangeeft.

De beschrijving van mijn lotgevallen zal dus min of meer een beeld zijn voor de ontelbare individuele levensverhalen die, vanaf het verval van de oude politieke orde tot het in elkaar flansen van de huidige, samen het grote Italiaanse verhaal vormen. Ik zou me kunnen vergissen, maar misschien zijn er wel wat jongelui die hierdoor op de gedachte komen zich te matigen in de overmoed van hun gevaarlijke illusies en misschien zullen een paar van hen het langzaam maar zeker begonnen werk met bezieling voortzetten en zullen vervolgens velen vastberaden doorgaan na al hun aarzelingen, waardoor ze eerst honderd dwaalwegen beproefd hebben alvorens die ene weg naar de ware toewijding aan het openbare welzijn te vinden.

Zo dacht ik er tenminste over in al die negen jaren waarin ik, stukje bij beetje, naargelang de herinnering en de inspiratie het mij ingaven, bezig was met het opschrijven van deze aantekeningen. Ik ben er met een vast vertrouwen mee begonnen op de avond van een grote nederlaag en ik ben er in deze jaren van herboren ijver mee doorgegaan als was het een lange boetedoening. Ook ben ik door dit schouwspel van de zwakheden en de kwaadaardigheden uit het verleden overtuigd geraakt van de grotere kracht en de meer gerechtvaardigde verwachtingen van het heden.

Voordat ik ze nu ga overschrijven, wilde ik eerst in deze korte inleiding beter de gedachte omschrijven en rechtvaardigen die mij, reeds oud en ongeletterd, misschien vergeefs tot de moeilijke kunst van het schrijven heeft aangezet. Maar de helderheid van de gedachten, de eenvoud van de gevoelens en de waarheid van mijn verhaal zullen het gebrek aan welsprekendheid wel goedmaken en, meer nog, aanvullen: in plaats van roem zal de welwillendheid van mijn goede lezers mij bijstaan.

Op de drempel van het graf, nu al alleen op de wereld, door zowel vrienden als vijanden verlaten, vrij van tijdelijke zorgen en vooruitzichten, door mijn leeftijd vrij van de hartstochten die mij maar al te dikwijls bij mijn oordeel lieten dwalen, en verlost van de vluchtige illusies van mijn bescheiden ambities, heb ik een enkele vrucht van mijn leven geplukt, de vrede in mijn ziel. Daarin leef ik tevreden, daarop vertrouw ik, daarop wijs ik mijn jongere broeders omdat het de meest benijdenswaardige schat is en het enige schild om zich mee te verdedigen tegen de kuiperijen van valse vrienden, het bedrog van laaghartigen en de aanmatigingen van machtigen.

Er is nog iets wat ik beslist kwijt moet en wat uit de mond van een tachtigjarige toch misschien met enig gezag mag klinken, en dat is dat ik het leven als iets goeds ervaren heb, waar nederigheid ons toestaat onszelf te beschouwen als piepkleine radertjes in de wereldgeschiedenis en oprechtheid van gemoed ons voorhoudt dat het welzijn van vele anderen veel belangrijker is dan alleen het onze. Mijn aardse bestaan, als mens, is nu dan toch bijna ten einde. Tevreden over het goede dat ik heb gedaan en in de overtuiging dat ik het door mij begane kwaad voor zover mogelijk heb goedgemaakt, hoop en vertrouw ik er alleen nog maar op dat mijn leven zal uitmonden en opgaan in de grote zee van het zijn.

Ik geniet nu van een vrede die lijkt op die geheimzinnige baai aan het eind waarvan de onvervaarde zeeman een doorgang vindt naar de oneindig kalme oceaan van de eeuwigheid. Maar voordat mijn gedachten onderduiken in de tijd waarin alle tijden hetzelfde zijn, storten ze zich nog één keer in de toekomst van de mensen aan wie zij het in alle vertrouwen overlaten om hun eigen schulden uit te boeten, hun eigen verwachtingen te verwezenlijken en hun eigen beloftes waar te maken.’

© Ippolito Nievo (vertaling: Jan van Geldrop)

Bestel “Belijdenissen van een Italiaan” hier via bol.com

  • Share/Bookmark
aug 22

Iedereen die op 7 juli op Ciao tutti het fragment van Italiaanse buren van Tim Parks heeft gelezen, weet dat de titel van vandaag de Italianen flink tegen de haren in zal strijken. Daar kwam Edward Hendriks ook achter, toen hij bij de beroemde bar Vitelli op Sicilië na elven een cappuccino wilde bestellen.

Edward Hendriks aan de cappuccino bij Bar Vitelli

Het werd echter een vruchtbare vergissing, want deze voor veel Nederlanders onbegrijpelijke regel leverde Edward direct een mooie boektitel op. Zijn boek is echter nog niet in de winkel te koop, maar gelukkig kun jij als lezer van Ciao tutti ervoor zorgen dat dat binnenkort wel het geval is. Dat zal ik even uitleggen, want ook ik had nog nooit van deze manier van uitgeven gehoord.

Edwards boek (althans, een deel ervan) is te lezen op de website www.tenpages.com. TenPages.com is een nieuw uitgeefconcept, waarbij je de eerste tien pagina’s (of meer) van je manuscript kunt plaatsen. Geïnteresseerde lezers kunnen vervolgens aandelen (€ 5,00 per stuk) in het boek kopen. Als je als schrijver genoeg aandelen verkoopt, wordt je boek hoe dan ook uitgegeven. Daarvoor krijg je dan een uitgeverij en een redacteur toegewezen, die je helpen om je manuscript binnen acht maanden te voltooien. Met de uiteindelijke verkoop van je boek gaan de aandeelhouders – zij die van begin af aan geloofden in de kracht van je manuscript – meeverdienen. Lukt het toch niet om genoeg aandelen te verkopen, dan krijgen alle aandeelhouders van ieder aandeel 80% terug (€ 4,- dus). Een klein risico voor de aandeelhouders, maar een enorme kans voor beginnende schrijvers!

Edwards manuscript staat sinds 9 augustus online. Edward: ‘Ik heb vier maanden de tijd om voldoende aandeelhouders ervan te overtuigen dat mijn boek ook echt uitgegeven gaat worden. Ik hoop dat het gaat lukken, want ik ben al sinds de middelbare school bezig met schrijven. Mijn grote droom is toch wel om ooit een roman te schrijven. Maar zoals dat gaat met die dingen, in je dagelijkse bezigheden vind je daar eigenlijk niet genoeg tijd voor.

Ik ben in het verleden wel meerdere keren begonnen met verschillende hoofdstukken, personages, verhaallijnen, enzovoorts. Door mijn liefde voor Italië en het lezen van boeken van schrijvers als Niccolò Ammaniti, Tim Parks, Frances Mayes, Daphne Phelps, Mario Puzo, Roberto Saviano en Petra Reski (mijn andere interesse gaat uit naar de Italiaanse georganiseerde misdaad) besefte ik dat mijn manuscript zich ook in Italië zou moeten afspelen.’

En waar kan een Italiaanse roman nu beter beginnen dan in een koffiebar… Op Ciao tutti vandaag een klein voorproefje van Edwards verhaal:

Ciao bello’, glimlachte de juffrouw achter de toonbank van de koffiebar. Ze hield haar hoofd een beetje schuin en keek hem ondeugend aan. Wessel glimlachte een beetje schaapachtig terug. Hij wist zo gauw niet wat hij moest zeggen in het Italiaans. Maar in het Nederlands was het hem op dat moment waarschijnlijk ook niet gelukt. Het was al lang geleden dat iemand openlijk met hem flirtte. Niet omdat hij er niet goed uit zou zien, trouwens. Wessel wist van zichzelf dat hij best aantrekkelijk was. Al was hij er niet meer zo obsessief mee bezig als vroeger. Mijn god, als hij weer dacht aan de vreselijke tijd als puber, liepen de rillingen hem weer over de rug. Die jeugdpuistjes, dat rode hoofd, die eeuwige onzekerheid. En waarom? Waarom, in godsnaam?

Wessel zag er tegenwoordig misschien iets onverzorgder uit. Een kapperszaak had hij in geen maanden van de binnenkant gezien en ook zijn dagelijkse scheerbeurt sloeg hij meer dan een enkele keer over. Maar het mooie was: het paste allemaal prima binnen z’n nieuwe imago. De zelfverzekerde, nonchalante en een tikje artistieke zelfstandige. Hij zorgde er wel voor dat hij zich goed kleedde. Dat vond hij zelf belangrijk, maar zijn omgeving even zo. Iedereen zorgde er hier voor dat hij of zij er goed uitzag.

Fare bella figura, noemden ze dat in Italië. Het maakte niet uit of je dik of dun, oud of jong, mooi of lelijk was. Je zorgde er gewoon voor dat niemand kon zeggen dat je er geen moeite voor had gedaan. De goede schoenen bij je outfit, dat was vooral heel belangrijk, zo had Wessel geleerd. Zijn landgenoten leken daar nooit veel om te geven. Die trokken gerust afgetrapte sneakers onder hun nieuwe kleren aan naar het werk. Dat was hier onmogelijk. Impossibile!

Prego?’

Wessel schrok op uit zijn dagdroom. Hij zag zijn spiegelbeeld gereflecteerd in de vitrine met sfogliatelle, de traditionele Italiaanse gebakjes. Zijn stompzinnige glimlach leek op zijn gezicht gebeiteld te staan. Moeizaam hief Wessel zijn hoofd op. Het meisje leunde tegen het espressoapparaat en veegde haar handen af aan haar zwarte schort. Haar donkere haar zat samengebonden in een stevige staart. Ze keek hem enigszins bezorgd aan, terwijl ze haar volle lippen bevochtigde met haar tong.

Wessel rukte zich los uit zijn gedachten en bestelde met een krakende stem een cappuccino. Het waren de eerste woorden die hij die ochtend uitsprak. Het was toch nog wel ochtend? Een golf van spanning vloeide door zijn lichaam en balde zich samen in zijn maag. Zenuwachtig schoten zijn ogen door de espressobar, op zoek naar een klok. Achter in de zaak, boven het enige tafeltje dat er stond, hing een klok met een afbeelding van de kustlijn van Napels. De bekende dubbele baai met talloze jachten in de haven, de geelroze bebouwing en op de achtergrond, in wolken gehuld, de twee toppen van de Vesuvius. Half twaalf, gaven de twee uit de Golf van Napels opdoemende wijzers aan.

Half twaalf. Eigenlijk al te laat voor cappuccino. Ook zoiets wat je leert als je wat langer in Italië verblijft dan de gemiddelde toerist. Een cappuccino dronk je zeker niet – zoals in Nederland gebruikelijk – ’s avonds na het eten.

Jezelf volgieten met melk? Na het eten? Een belediging voor de kok! Had je soms niet genoeg gegeten? Of was het niet lekker?
Maar het drinken van koffie met melk was eigenlijk ook al verdacht na half elf ’s ochtends, afhankelijk van in welke regio je je bevond. Hier in het zuiden werd die etiquette over het algemeen strikt nageleefd en Wessel probeerde zich er aan te houden. Hoewel hij wars was van regeltjes en opgelegd gedrag en hij zich over het algemeen niets aantrok van wat anderen ergens van vonden, hield hij van Italië en de passie die de Italianen voor hun tradities aan de dag legden. Daar konden lompe, botte kaaskoppen zoals hijzelf nog wat van leren.

Het meisje achter de bar leek zich echter niet te storen aan de bestelling van Wessel. Ze had zich omgedraaid naar het espressoapparaat om de koffie klaar te maken. Dit gunde Wessel een goede blik op haar achterste. Ze had een zwarte pantalon aan die voor haar gemaakt leek. Haar mooigevormde kont kwam er perfect in uit. Wessel haalde diep adem en snoof de geur van verse koffie en croissants op. Een verliefd gevoel maakte zich van hem meester en even verdween alle spanning en gejaagdheid uit zijn lichaam. Voor een moment leek het alsof hij de hele wereld aankon. Een gevoel dat hij lang niet had gevoeld. Hoe lang? Wessel wist het niet. Was hij ooit écht verliefd geweest? Ja, natuurlijk was hij ooit verliefd geweest.

Verder lezen? Je vindt de eerste tien pagina’s van Cappuccino na elven via deze link: http://www.tenpages.com/manuscript/cappuccino_na_elven Hier kun je Edward laten weten wat je van zijn boek vindt en natuurlijk ook een aandeel in zijn boek kopen. Wie weet wordt cappuccino na elven dan toch nog gemeengoed in Italië!

  • Share/Bookmark
aug 21

In Rome las ik Italianen voor gevorderden, een onmisbaar boek voor elke Nederlander die zichzelf een Italiëkenner of een Italofiel wil noemen. Beppe Severgnini maakt in zijn boek een studie van het meest interessante onderdeel van Italië: de Italiaan zelf.

De tocht op weg naar het innerlijk van de Italianen is zeer de moeite waard, maar niet zonder gevaren, en sommige reizigers aarzelen om eraan te beginnen. Ze worden weerhouden door gemakzucht en de angst om het geromantiseerde beeld van de Italianen dat ze voor zichzelf hebben opgebouwd te vernietigen. Voor de meeste Italianen zelf is het beangstigend om ongemakkelijke waarheden aan het licht te brengen, maar Beppe Severgnini heeft daar absoluut geen moeite mee. In Italianen voor gevorderden maakt hij een systematische vertaling van zijn thuisland, het werkelijke Italiaanse universum van de werkelijke Italianen.

Hij vertelt over de onbegrijpelijke regels van de straat, de anarchie van het kantoor en de omslachtige treinreizen. Over de zintuiglijke geruststelling van een kerk en het belang van het strand, over de eenzaamheid van het voetbalstadion en de overvolle Italiaanse slaapkamer. In tien dagen doet hij dertig plaatsen aan, reist hij van noord naar zuid en weer terug. Praat hij over eten en politiek, over de deugdelijkheid van het platteland en over de dierentuin die de televisie feitelijk is. Hiermee is Italianen voor gevorderden dé gids voor iedereen die iets van de Italianen wil begrijpen. En wie wil dat nou niet?

Toen ik in Rome Severgnini’s beschrijving van een dag in Rome las, moest ik gelijk terugdenken aan mijn ontmoeting met een gladiator, in februari van dit jaar. Deze gladiator was vanwege het gebrek aan toeristen bij het Colosseum maar naar de Trevifontein gewandeld, in de hoop daar wat toeristen te treffen die met hem op de foto zouden willen – tegen betaling uiteraard. Helaas waren zijn acteerprestaties niet bijzonder authentiek, aangezien hij zo ongeveer elke twee seconden een mobieltje van onder zijn kledij tevoorschijn haalde. Zelfs de toeristen die voor de eerste keer in de stad waren en met open mond naar de Trevifontein stonden te staren, trapten niet in zijn aanbod.

Ach ja, de Italianen en hun telefonino… Lees maar wat Severgnini erover schrijft, treffender kan ik het niet zeggen:

‘Sommige voorwerpen zijn zo belangrijk dat ze plekken worden, plekken die een rondleiding verdienen. Ze gewoon gebruiken volstaat niet. Het is zaak om de blik gericht te houden op de geboden vooruitzichten en om die goed in het geheugen te prenten. In Italië is een van die voorwerpen het televisietoestel – we hebben het er in Florence al over gehad. Een ander leerzaam object is de auto, en daar hebben we het straks over. Het meest welig tierende Italiaanse voorwerp is echter de mobiele telefoon.

Het mobieltje, de telefonino – zowel in het Nederlands als het Italiaans heeft het verkleinwoord iets bedrieglijks, maar in Italië betekent zo’n verkleinwoord volstrekt het tegengestelde (momentje, glaasje, kusje) – is de uitvinding die de laatste jaren ons leven nog het meeste heeft veranderd. Meer nog dan Berlusconi, de euro en Big Brother. De koppeling tussen de gsm en de Italiaanse burger is niet langer een zaak van statistieken; het ding maakt nu deel uit van de folklore. Als een Fransman of Duitser zijn ogen dichtdoet en aan Italië denkt, ziet hij niet het Colosseum, maar een vent die hard staat te praten, met een hand op zijn oor. Precies, zo iemand als daar staat. Moet je nu horen hoe hij iedereen vertelt over zijn liefdesleven, in afwachting van het moment waarop hij de kassier zijn financiële wederwaardigheden kan toevertrouwen.

Die andere gast is weer een fotomaniak: als hij zijn gsm heeft gebruikt voor overbodige praatjes, gaat hij over tot het maken van overbodige plaatjes. En die meneer daar heeft op zijn vijftigste de wonderen van het sms’en ontdekt. Hij tikt alles keurig in, compleet met hoofdletters, accenten, apostrofs en spaties. Is het je opgevallen hoe hij zijn bericht intikt, met het puntje van zijn tong uit zijn mond? De andere klanten gaan hem uit de weg en een enkeling heeft voorgedrongen, maar hij heeft niets in de gaten. Hij probeert erachter te komen hoe je het uitroepteken krijgt (!), maar het lukt hem niet.

De spectaculaire doorbraak van de mobiele telefoon in Italië heeft niet alleen te maken met het grote gebruiksgemak, maar ook omdat het wezen van de gsm in grote lijnen samenvalt met de volksaard. Het fenomeen nam een aanvang als vorm van exhibitionisme (‘Ik heb er eentje, jij ook?’), verschoof toen richting conformisme (‘Heb jij er eentje? Ik ook!’) en vervolgens kwam het nutsbeginsel om de hoek kijken (‘We hebben er allemaal eentje; een mens kan gewoon niet zonder!’). Het huidige succes heeft alles te maken met de tentakelachtige relaties binnen Italiaanse families. Ook de Finnen – die percentueel gezien meer gsm’s hebben dan wij – zouden die mobieltjes dolgraag de hele tijd gebruiken, maar ze weten niet wie ze moeten bellen. Papa belt mama, mama belt zoon, zoon belt vriend, vriend belt collega, collega belt kennis, kennis belt zijn verloofde, verloofde belt haar zus, zus belt ouders, ouders bellen ooms en tantes, ooms en tantes bellen neven en nichten, neven en nichten bellen naar huis, en thuis krijgt mama een belletje van papa, die bij de bank in de rij staat. De cirkel is rond en we kunnen weer opnieuw beginnen.’

Tja, ineens begrijp ik die gladiator een stuk beter. Je blijft natuurlijk een Italiaan, ook al trek je zo’n oud Romeins pakje aan…

Wil je ook alles lezen over de telefoon, de televisie, de auto en alle andere dingen waar Italianen niet zonder kunnen, duik dan een avond lang in Italianen voor gevorderden. Het beste alternatief voor een avond in Italië – al wil je daar na het lezen van het boek misschien niet meer zo graag naar toe. Bij mij werkte het alleen maar averechts: ik wilde die gekke Italianen aan een dieper onderzoek onderwerpen en eigenlijk niet meer huiswaarts keren. Maar ach, misschien zijn Italianen wel juist zo leuk door mijn Nederlandse ogen, doordat ze zo heerlijk anders zijn dan wij… en minstens zo onbegrijpelijk!

  • Share/Bookmark
aug 17

Op een van de mooiste plekjes in Amsterdam, aan het Entrepotdok, vind je een klein stukje Amsterdam dat eigenlijk geen Amsterdam is. Althans, voor ingewijden niet. Op nummer 26 waan je je namelijk even helemaal in Italië.

Wanneer je door de deur van nummer 26 binnenstapt, vergeet je op slag waar je al fietsend door de stad nog over nadacht. Boodschappenlijstjes, dingen die je echt niet moet vergeten, mensen die je nog moet bellen… alles blijft buiten wachten, op de stoep voor nummer 26. Tenminste, als je net zo gefascineerd bent door Italië en door boeken en woorden zoals ik. Want op nummer 26 huist Libreria Bonardi, de enige Italiaanse boekwinkel van Nederland.

Binnen vind je een keur aan boeken over of uit Italië: de laatste nieuwe literaire successen uit Italië, zowel in het Italiaans als in het Nederlands, boeken over de geschiedenis van Italië, over de cultuur, over bijzondere fenomenen die mensen buiten Italië steeds weten te boeien, kookboeken, gedichtenbundels, Italiaanse klassiekers, luisterboeken, tijdschriften…

Ik heb me zelf een rantsoen opgelegd: ik mag niet vaker dan vier keer per jaar langs deze boekhandel fietsen, want de verleiding is te groot. Ik kom er altijd met een enorme stapel boeken vandaan, terwijl ik eigenlijk alleen een boek voor mijn studie Italiaans nodig had (want van studie- en grammaticaboeken hebben ze uiteraard ook een hele kast). Het verhaal van vandaag was echter een goede reden om dit rantsoen niet helemaal na te leven en een extra bezoekje aan Bonardi te brengen.

Na een uurtje heerlijk te hebben rondgeneusd en, ja ik geef het toe, een stapeltje nieuwe boeken te hebben verzameld, vroeg ik Marina Wanders, de eigenaresse, of ze nog een leuke tip had voor mijn stukjes over Italiaans Amsterdam. Marina vroeg of ik de verhalenbundel kende die Libreria Bonardi ter ere van haar 25-jarig bestaan had uitgebracht, La mia Olanda – Denkend aan Holland, met verhalen van Italiaanse schrijvers over Nederland en Amsterdam, zowel in het Italiaans als in het Nederlands. Daar was ik natuurlijk wel nieuwsgierig naar, dus mijn stapeltje groeide nog wat verder uit.

Eenmaal thuis dook ik meteen in de Italiaanse verhalen over Amsterdam. Het is grappig hoe je de stad al snel alleen nog maar door de ogen van de Italianen ziet, alsof je er zelf nooit eerder rondwandelde. Met Valerio Aiolli sta je te wachten voor het huis van Rembrandt, Aldo Gianolio neemt je mee naar NEMO, immers het werk van een Italiaan, en Giulio Mozzi ontroert met zijn prachtige symfonie van woorden die Amsterdam treffender weergeven dan een ansichtkaart of foto zou kunnen doen.

Ook echt Amsterdamse verschijnselen blijven niet onvermeld. Bij het lezen van het verhaal Aringa – Haring van Mauro Covacich moest ik denken aan de reactie van het zoontje (7) van een Italiaanse vriendin toen ik vertelde over de specialiteiten van de Nederlandse keuken. Pannenkoeken, dat leek hem nog wel wat, zeker als ontbijt, maar bij stamppot keek hij al wat twijfelachtiger en bij haring kon hij me alleen nog maar vol ongeloof aanstaren. ‘Maar, eten jullie dan rauwe vis?,’ stamelde hij, ondertussen zijn stoel een beetje verder van me afschuivend. Amsterdam leek hem ineens niet zo leuk meer, en ik evenmin. Gelukkig won zijn nieuwsgierigheid het al snel van zijn afkeer (hij zat immers ook fijn thuis in Italië, veilig voor die rare gewoonten in die gekke stad) en vol trots verkondigde hij aan iedereen die het maar horen wilde dat ik, zijn vriendin in Amsterdam woonde, waar ze scheve huizen hebben en rauwe vis eten…

Inmiddels word ik zo standaard door hem geïntroduceerd, en ik kan natuurlijk niet wachten op het moment dat ik hem die scheve huizen kan laten zien en een stukje haring kan laten proeven. Ik heb na het verslinden van La mia OlandaDenkend aan Holland dan ook gelijk het verhaal over haring overgetikt en naar zijn moeder gemaild, zodat ze hem al een beetje kan voorbereiden… Ook voor jullie een klein stukje:

‘Ik besluit onmiddellijk ook een fiets te huren – oranje, glimmend chroom, perfecte remmen, zadel zacht als een sofa, tien euro per dag – en sluip het feest binnen. Meteen bij de eerste meters voel je het plezier opkomen. Waarschijnlijk komt dat door hoe de wereld om je heen beweegt, dat bruisende waarmee de huizen en de bomen voorbij flitsen, heel even op je netvlies tintelen, om vervolgens achter je te verdwijnen.

Dagenlang fiets ik rond, zo’n twintig, vijfentwintig kilometer per uur, in een stad waar het huisvuil wordt weggestopt in ondergrondse containers, waar Caribische, Indonesische en blinde autochtone jongeren in de parken vrolijk in groepjes staan te lachen zoals ik alleen in reclames heb gezien, waar geen enkel, maar dan ook echt geen enkel huis een beeldintercom heeft, noch rolluiken, en waar de ramen nooit kleiner zijn dan een pingpongtafel en met halogeenlampen verlichte interieurs laten zien waarin altijd iemand onverstoorbaar onder de blikken van de voorbijgangers leest, werkt of eet.

Ik fiets door de volksbuurten – zoals de wijk ten zuiden van het Oosterpark, die voornamelijk door moslims wordt bewoond – waar de parken lijken op botanische tuinen. Af en toe verdwaal ik en dan vraag ik de weg. Er is altijd wel iemand die me met een vrolijke kwinkslag behulpzaam is. Het zijn opgewekte, hartelijke mensen, die je niet verwacht in een westerse hoofdstad (probeer bijvoorbeeld maar eens iemand in Parijs de weg te vragen). Urenlang dwaal ik rond en doe ik niets anders dan mijn ogen vullen met gezichten. […]

Ik dwaal door de arbeidersbuurt de Jordaan, werp een blik op de beroemde vlooienmarkt, ga een boekwinkel binnen waar naast de fauteuils waar je kunt gaan zitten om boeken in te kijken, thermoskannen met thee en een doos met tientallen leesbrillen staan.’

Verderop in het verhaal stelt Mauro Marina voor van land te ruilen: ‘Misschien moeten we van land ruilen. Eens kijken, we zouden een proeftijd kunnen instellen van één regeringsperiode van vijf jaar. Wij gaan allemaal naar Nederland, we wonen dan in straten waar het huisvuil in ondergrondse containers ligt en oranje fietsen rondrijden, en jullie gaan allemaal – bijna allemaal want er zal toch iemand moeten blijven om stages te geven – genieten van de zon, onze heerlijke zon, en worden lekker opgezadeld met onze kantoren, onze banken, onze ministeries, onze faldoni… nooit van gehoord, hè? van die kolossale archiefmappen van ons… kortom, al onze toestanden die op een oplossing wachten. Jullie kennen al vierhonderd jaar onafhankelijkheid en democratie, wij niet. Volgens mij kan het jullie lukken.

Marina kijkt me even aan. Het is duidelijk dat ze zou willen zeggen dat de zaken veel gecompliceerder liggen, ik weet dat ze zou willen zeggen dat het in Holland ook niet allemaal rozengeur en maneschijn is. Maar nee, ze wil haar gast niet tegenspreken en zegt daarom ten slotte: ‘Nou, dat lijkt ons wel wat. Wie houdt er niet van zon en pizza? Maar zouden jullie dan bereid zijn om haring te eten?’ En ze pakt een haring bij de staart vast en reikt me die aan.

Haring is niet hetzelfde als sushi. Het is wel rauw, maar het is een hele vis, alleen de kop is eraf gesneden. Marina pakt er een vast, haalt hem door de uitjes, laat hem boven haar mond bungelen, hapt erin en bijt er bijna de helft vanaf. Ik kijk naar de haring tussen mijn vingers. De haring, denk ik. Een probleem waar ik nog niet aan had gedacht.’

Ik weet zeker dat jullie, net als mijn Italiaanse vriendin, zullen genieten van de verhalen in La mia Olanda – Denkend aan Holland. Ik ga in elk geval snel nog een keer afwijken van mijn rantsoen om bij Libreria Bonardi een paar exemplaren te halen voor vrienden in Italië. Dan kunnen ze alvast een beetje wennen aan die gekke Nederlanders met hun haring…

  • Share/Bookmark
aug 13

Nee, vandaag gaat het even niet over ijs, al zou de titel van vandaag wel een mooie beschrijving zijn van de smaken yoghurt en granaatappel die ik gisteren at.

Wit als melk, rood als bloed is de debuutroman van Alessandro d’Avenia, docent Italiaans op een middelbare school in Milaan. Met zijn verhaal over Leo, een doodgewone zestienjarige jongen, en het meisje van zijn dromen, Beatrice, wist Alessandro de harten van de Italianen te veroveren en het land weer te doen geloven in de kracht van dromen.

Leo zwerft in eerste instantie liever over straat met zijn vrienden dan dat hij op school zit. Alleen om een glimp op te vangen van Beatrice, het meisje waar hij stiekem verliefd op is, wil hij nog wel een dag op school doorbrengen. Dat verandert als de klas van Leo een nieuwe docent filosofie krijgt, die van Leo na de eerste les de bijnaam de Dromer krijgt toegewezen.

‘De ogen van de leraar schitteren terwijl hij praat over de daden van kleine mensen die groot werden dankzij hun droom, dankzij hun vrijheid. Het raakt me, maar het raakt me nog meer dat ik zit te luisteren naar die idioot. ”Alleen als de mens vast gelooft in iets wat buiten zijn bereik ligt – dat is een droom – zet de mensheid stappen voorwaarts die haar helpen om in zichzelf te geloven.”

Geen slechte zin, maar ik vind het typisch een zin voor een jonge, dromerige leraar. Ik wil jou over een jaar nog wel eens zien, met je dromen! Daarom heb ik hem de Dromer genoemd. Leuk hoor, om dromen te hebben, leuk om in te geloven.

‘Meneer, het lijkt mij allemaal maar geklets.’

Ik wil erachter komen of hij het echt meent, of dat hij gewoon een heel eigen wereld heeft verzonnen om zijn mislukte leven te verhullen. De Dromer kijkt me recht aan en vraagt na een korte stilte: ‘Waar ben je bang voor?’

Dan redt de bel mijn gedachten, die plotseling stil en wit zijn geworden.

Hoewel Leo en zijn klasgenoten eerst niet veel moeten hebben van deze invaller, weet de Dromer zijn passie langzamerhand op hen over te brengen. Hij leert ze intens te leven en hun dromen na te jagen.

‘De Dromer heeft weer eens een aparte les bedacht buiten het boekje om; dat zijn altijd de leukste!

Hij begint met het voorlezen van een fragment uit een boek dat hem heeft geraakt, dat hij bestudeert of waar hij zich in verdiept uit persoonlijke interesse. Hij leest het met schitterende ogen, als iemand die zijn blijdschap wel móét delen met de eerste de beste voorbijganger op straat. Zoals wanneer ik per ongeluk hardop ‘Beatrice’ zeg, of wanneer ik aan iedereen wil vertellen dat mijn overhoring goed gegaan is, wat zelden voorkomt…

Deze keer leest hij ons een verhaal voor uit het boek Lotswendingen, over drie belegeringen en drie plunderingen.

‘Rome, Alexandrië en Byzantium. Drie steden overladen met schatten, schoonheid, kunst. Drie steden met bibliotheken vol boeken,waarin de geheimen van eeuwen en eeuwen literatuur en onderzoek bewaard lagen. Gebouwen gevuld met perkamentrollen en codices waarop de dromen van alle mensen waren vastgelegd, en die van nut konden zijn voor de dromen van nog veel meer toekomstige mensen. Maar die dromen zijn in rook opgegaan door de vlammende slagen van de barbaren, de Arabieren, de Turken. Met één vurig gebaar vernietigden ze hele verdiepingen aan papieren die de geheimen van het leven bevatten. Ze verbrandden de geest en zijn vleugels. Ze verhinderden hem uit te vliegen zoals hij eeuwenlang had gedaan, ontsnappend uit de gevangenissen van de geschiedenis. Het papier van de boeken brandde zoals in die fantastische roman van Bradbury die jullie echt moeten lezen…’

Dat zei de Dromer allemaal. Ik weet niet wat het allemaal precies betekent, maar het klinkt goed, ook al heb ik nog nooit van die Bradbury gehoord.

Aan het eind van zijn hartstochtelijk pleidooi vroeg de Dromer ons: ‘Waarom?’ Niemand wist iets te zeggen. Hij zei dat we er maar eens over na moesten denken en dat we daar thuis een opstel over moesten schrijven. De Dromer is gek. Hij denkt dat wij in staat zijn om dergelijke gedachten te hebben. Wij moeten veel simpelere, concretere vraagstukken oplossen. Duidelijke en nuttige: van wie kun je de vertaling Grieks overschrijven, hoe kun je een afspraakje maken met die leuke meid, hoe zorg je dat je het geld krijgt om je beltegoed op te waarderen nadat je je saldo in twee dagen hebt opgebruikt aan allemaal sms’jes van vijf, zes woorden… Dat soort dingen. We zijn niet gewend om van die problemen op te lossen waar de Dromer mee aankomt. Op sommige dingen is je hoofd gewoon niet ingesteld. Je hebt geen idee waar je de antwoorden vandaan moet halen.’

Leo kan eigenlijk maar aan één iets denken, of beter gezegd aan één iemand. Leo’s droom heet Beatrice, het meisje dat met ‘haar blik de poorten naar het paradijs kan openen’. Leo is helemaal in de zevende hemel als hij haar op school voorbij ziet komen, maar hij durft niet voor zijn gevoelens uit te komen. Liever houdt hij het bij dromen. Tot Beatrice opeens niet meer op school verschijnt. Al snel hoort Leo waarom: ze is ongeneeslijk ziek. Leo is geschokt en zijn onbezorgde leven schudt op zijn grondvesten.

Want wat doe je als je mooiste droom verandert in een nachtmerrie? Ineens moet Leo volwassen beslissingen nemen. Hij leert een heel andere kant van zichzelf kennen als hij beetje bij beetje toenadering zoekt tot de doodzieke Beatrice. Langzamerhand groeien ze dichter naar elkaar toe. Ze durven samen te dromen, ook al weten ze allebei dat het bij dromen zal blijven…

In Wit als melk, rood als bloed gunt Alessandro D’Avenia je een indringende blik in het hoofd van een puber – de intense emotie, de honger naar het leven en de nieuwsgierigheid naar de liefde. Misschien wel het mooiste Italiaanse boek van dit jaar!

  • Share/Bookmark
aug 08

Marta Morazzoni brengt elk jaar een vijfdaags bezoek aan Amsterdam, de stad van Anne Frank, Spinoza en Rembrandt. De stad van de bruine kroegen, van Albert Cuyp en het begijnhof; van het Vondelpark met zijn joggers en skaters en een hond achterop de fiets. Haar ervaringen tekende ze op in een persoonlijk reisverslag, Stad van het verlangen - Amsterdam.

Een heerlijk reisverslag van de Hollandse hoofdstad, maar dan met een Italiaanse inslag. Lees maar mee:

‘Als het vliegtuig de kustlijn volgt en over de grote zandduinen tussen Den Haag en Haarlem heen vliegt om te landen op Schiphol, het vliegveld dat ooit een meer was, zie je door het raampje een kronkelende waterslang die zich rekt tot in zee, waar ze haar venijnige muil openspert: de monding van het Noordzeekanaal, in IJmuiden, een van de twee grote toegangswegen tot de haven van Amsterdam. Als ik er zo naar kijk terwijl het vliegtuig langzaam hoogte verliest, en zie hoe het zoals altijd is gehuld in de donkere rookwolken van de grote fabrieken die erlangs liggen, bevestigt dat voor mijn gevoel onze behoefte om beelden te creëren, om in de vormen van de dingen andere vormen te zien, menselijke of dierlijke: een landschap waar we van bovenaf naar kijken voorzien we van een anatomie en een soort fysiologie, geven we een ziel en een wil.

De rookwolken uit de fabrieken versterken dan feilloos het beeld van de slang met de venijnige bek en maken er een Wagneriaanse draak van, die met zijn vurige gloed de toegang tot de grot met de schat bewaakt. Het goud van de legendarische maar ook historische Gouden Eeuw, het tijdperk waarin Nederland met haar hoofdstad in een oord van sobere overvloed veranderde, een symbool van tegenspraak en tolerantie in het door de Tachtigjarige Oorlog verscheurde Europa.

Op dit punt moet ik de Nederlandse historicus Johan Huizinga inderdaad gelijk geven: die grandioze, nijvere zeventiende eeuw, nog steeds de steunpilaar van het land, zouden we eigenlijk niet de Gouden Eeuw moeten noemen, want de materialen waarvan ze is gesmeed, van het hout tot de pek, van de teer tot de verf en de inkt, waren eigenlijk minder nobel maar wel duurzamer dan goud.

Ook dat is voor mij – inmiddels niet langer een willekeurige toerist maar nog altijd op bezoek in deze wereld – een goede reden om van Amsterdam en omgeving te houden. Het is een betrekkelijk kleine stad, de hoofdstad van een klein land waar je met de fiets omheen kunt rijden zonder echt getraind te zijn. De voortgejaagde groepsreiziger kan met een gerust hart zeggen dat hij Amsterdam ‘in twee dagen heeft gedaan’, en met een beetje goede wil zou hij daar best gelijk in kunnen hebben.

Stad en natie hebben in werkelijkheid een complexe geschiedenis, al hebben ze in onbetrouwbaar modderwater wortel moeten schieten. Twee dagen volstaan voor wie genoegen neemt met de gevels van de herenhuizen en een rondvaart door de voornaamste grachten, om uit te komen in de haven, die ooit aan zee lag en nu toegang biedt tot een groot zwanenmeer, het IJsselmeer, voorheen de Zuiderzee.

Ik moet toegeven dat deze zee, die niet langer zout is, dat dit meer waarvan de uiteindelijke oever ver weg en onzichtbaar is, zelfs de oppervlakkigste toerist op het eerste gezicht boeit en verontrust: Amsterdam was en blijft een van de voornaamste havens ter wereld, maar door de onneembare muur van de Afsluitdijk, negenentwintig kilometer beton, in 1892 ontworpen door Cornelis Lely en op 28 mei 1932 geopend, wordt de natuurlijke uitgang van haar enorme havenbekken hermetisch afgesloten. De schepen verlaten de haven via twee grote zijarmen: naar het oosten door het Amsterdam-Rijnkanaal, een verbinding die doorloopt tot de grens met Duitsland, naar het westen via het Noordzeekanaal, de slang met zijn opengesperde muil die door het rustige duinlandschap kronkelt. Twee machtige armen die de handel hartelijk verwelkomen.

Zoals ik al zei, past vrijwel alles binnen die twee dagen, inclusief een wandeling door de rosse buurt en een bezoekje aan een karakteristiek café, een van de bruine kroegen, steeds donkerder geworden door de tijd en door de rook van hele generaties stamgasten. En ook het Van Goghmuseum, waarvan de faam in de wereld van de kunsten inmiddels niet meer onderdoet voor die van het Rijksmuseum, zijn historische buurtgenoot, waar De Nachtwacht hangt. Naast die paar dingen, die misschien essentieel zijn, is er dan de rest van Amsterdam.

Of liever: is er Amsterdam. Het Amsterdam waarvan ik heel zeker weet dat ik het niet ken. Dat klinkt niet als een goed uitgangspunt voor iemand die zich heeft voorgenomen de eigen band met een stad van deze afmetingen en met deze geschiedenis zwart op wit te zetten. Maar het is wel een uitgangspunt dat – zonder dat ik me erachter probeer te verschuilen – stimulerend werkt voor mijn onderzoek naar alles wat ik nog wil weten en misschien nooit zal weten.

Ik zou hier een jaar lang moeten wonen, boodschappen doen, met mensen omgaan en niet alleen naar binnen kijken door de ramen zonder gordijnen. Ik zou een baan moeten hebben en liefst elke zondag op de fiets naar de tennisbaan gaan. Of bij de eerste tekenen van de zomer naar zee moeten gaan, naar een van die onafzienbare stranden waarlangs het bij zonsondergang zo prachtig wandelen is, met de gewaarwording dat er geen eind aan komt. Maar dat alles valt de toerist meestal niet ten deel, zelfs niet als hij vasthoudender is dan de gemiddelde hedendaagse reiziger, die flink zijn best moet doen om de wereld te zien voordat het te laat is.

Zelfs niet als hij wél de tijd en de wil opbrengt om terug te komen. Deze toerist maakt dan kennis met die toestand tussen het aanmatigende déjà vu-gevoel waardoor hij denkt dat hij tijd verliest, wordt geplaagd door de vage angst dat hij iets zou kunnen missen, en anderzijds de mogelijkheid ergens dieper in te duiken en iets waar hij op het eerste gezicht geen gewicht aan had gehecht beter te leren kennen.

Ik heb al een poosje de mogelijkheid om vijf dagen per jaar in Amsterdam door te brengen, niet veel maar wel een vast gegeven. Nu ik daaraan denk, schiet me een kort, merkwaardig verhaal van Borges te binnen, Het schrift van de god.

Een man zit gevangen in een krappe, donkere cel, doormidden gedeeld door een hekwerk waarachter, in een identieke ruimte, een gevlekt roofdier rusteloos rondloopt. Er sijpelt maar één minuut per dag wat licht in de cel door, als de gevangenbewaarder het luik opendoet, eerst voedsel in het hok van de gevangene laat zakken en daarna in dat van het roofdier. In die schaarse ogenblikken ziet de gevangene de vlekken op de vacht van het dier, dat net als hij is opgesloten, en hij begint na te denken, zich af te vragen of de speciale rangschikking van die vlekken niet door iets méér dan het toeval is gewild, door iets wat aan een zekere logica beantwoordt, een soort alfabet dat een zin vormt, een magisch woord, waarvan de ontraadseling de sleutel naar de vrijheid betekent, een geheimzinnig sesam open u waarna voor de gevangene het leven zou beginnen.

En elke dag weer concentreert de gevangene zich in de minuut die hij ter beschikking heeft op die vacht, om de logica ervan te achterhalen, de compositie waarvan de formule – daar is hij inmiddels van overtuigd – hem de vrijheid zou hergeven. Alle dagen, één minuut per dag, tot hij de betekenis, de oplossing van het raadsel te pakken heeft.

Omwille van de mensen die het niet kennen verraad ik de afloop van dit magistrale verhaal niet, maar ik herken bij mezelf een soortgelijk gedrag bij mijn Amsterdamse aanpak: elk jaar voegen die vijf dagen een steentje toe, of zet ik met meer vertrouwen een volgende stap naar dieper inzicht in de stad. Ik vind haar terug en ga door met mijn ontdekkingstocht, stukje bij beetje. Er is nog tijd genoeg voor alles wat ik niet weet.’

En dat is heel wat, getuige de 160 pagina’s van het boek die Amsterdam door Italiaanse ogen laten zien. En eerlijk gezegd: met Italiaanse ogen wordt Amsterdam nog een beetje mooier dan de stad al is!

Kijk voor meer informatie over Stad van het verlangen - Amsterdam op www.serenalibri.nl of bestel het boek bij bol.com via deze link.

  • Share/Bookmark
jul 26

‘Terwijl ik in de kathedraal opging in de herinnering aan dat zeldzame, emotionele gedweep van Umberto, kwam er een groep Britse toeristen achter me staan; hun gids vertelde geanimeerd over de vele mislukte pogingen om de oude grafkelder van de kathedraal te vinden en op te graven, die naar verluidt in de middeleeuwen had bestaan maar kennelijk voorgoed verloren was gegaan.

Ik luisterde een poosje geamuseerd naar de sensationele draai die de gids aan het verhaal gaf, voordat ik de kathedraal weer aan de toeristen overliet en de Via del Capitano afslenterde om, tot mijn grote verrassing, weer op de Piazza Postierla te belanden, recht tegenover de espressobar van Malèna.

De andere keren dat ik er was geweest, was het druk op het pleintje, maar vandaag was het aangenaam rustig, misschien omdat het siëstatijd was en gloeiend heet. Tegenover een sokkel met een gebeeldhouwde wolf en twee zogende baby’s erop stond een kleine fontein, waar een vervaarlijk ogende metalen vogel boven hing. Twee kinderen, een jongen en een meisje, waren elkaar met water aan het bespatten en renden heen en weer, joelend van plezier, terwijl een rij oude mannen op korte afstand in de schaduw zat, zonder jas maar met hun hoed op, die met milde blik hun eigen onsterfelijkheid beschouwden.

‘Hallo daar!’ zei Malèna toen ze me zag binnenkomen. ‘Luigi heeft goed werk gedaan, nietwaar?’
‘Hij is een genie.’ Ik liep naar haar toe en voelde me op een vreemde manier thuis toen ik over de koele toog leunde. ‘Ik ga nooit meer uit Siena weg zolang hij hier is.’

Ze lachte hardop, een hartelijke, speelse lach waardoor ik me weer afvroeg wat het geheime ingrediënt in het leven van deze vrouwen was. Wat het ook was, het ontbrak mij ten enenmale. Het was zoveel meer dan gewoon zelfvertrouwen; het leek de kunst te zijn jezelf lief te hebben, gul en geestdriftig, met lichaam en ziel, waaruit op natuurlijke wijze de overtuiging voortvloeide dat iedere man op de hele planeet er hevig naar verlangde om hetzelfde te mogen doen.

‘Hier…’ Malèna zette een espresso voor me neer en legde er met een knipoogje een biscotto naast: ‘Eet meer. Daar krijg je… je weet wel, karakter van.’
‘Wat een woest ogend schepsel,’ merkte ik op over de fontein buiten. ‘Wat voor vogel is het?’
‘Dat is onze adelaar, aquila in het Italiaans. De fontein is onze… o, wat is het ook alweer?’ Ze beet op haar lip, zoekend naar het woord. ‘Fonte battesimale… ons doopvont? Ja! Hier brengen we onze baby’s zodat ze aquilini worden, kleine adelaartjes.’
‘Is dit de contrada van de Adelaar?’ Ik keek rond naar de andere klanten, plotseling helemaal kippenvellig.’

De Amerikaanse Julie Jacobs is in Siena om de geheime erfenis van haar overleden moeder te zoeken. In een bankkluis treft ze de oerversie van Romeo en Julia’s liefdesgeschiedenis aan, waarin wordt verteld over de vete tussen twee Toscaanse families: de familie Salimbeni en de familie Tolomei. Dan stuit Julie op een waarschuwing die aan haarzelf is gericht: ‘Er rust een vloek op jouw familie en daarmee ook op jou, want je echte naam is Giulietta Tolomei.’ Julie duikt de geschiedenis van beide families in, en stuit al gauw op een intrigerend verhaal.

Na een bloedige aanval van de familie Salimbeni op de familie Tolomei, in 1340, blijkt Giulietta Tolomei de enige overlevende te zijn. Dankzij Lorenzo, een monnik, weet ze naar de stad te vluchten. Onderweg wordt ze echter aangevallen door handlangers van de familie Salimbeni. Een jonge Sienese edelman, Romeo Marescotti, redt Giulietta en Lorenzo van hun belagers. Romeo wordt verliefd op Giulietta, en zij op hem. Maar hun heimelijke liefde wordt wreed verstoord wanneer Giulietta gedwongen wordt te trouwen met Messer Salimbeni.

Tijdens de zoektocht naar haar familiegeschiedenis merkt Julie dat niet iedereen blij is met haar aanwezigheid in Siena. Hoe ver strekt de vloek uit het verleden zich uit?

Julia is een adembenemende historische roman, die je bijna 500 pagina’s lang meevoert naar het veertiende-eeuwse Siena. Heerlijk herkenbaar voor wie er verblijft, maar degenen die het boek gewoon in de tuin of op de camping lezen niet getreurd: je waant je echt even in de straatjes en op de pleinen van Siena. Alleen het boekomslag met het prachtige Piazza del Campo laat je al wegdromen…

  • Share/Bookmark
Getagd met:
jul 22

Voor iedereen die niet snel bang is vandaag een lijstje met tien thrillers die zich in Toscane afspelen. Nagelbijten gegarandeerd!

1 De naam van de roos – Umberto Eco

William van Baskerville, een geleerde franciscaner monnik uit Engeland, vertrekt in 1327 als speciaal gezant van de keizer naar Italië. Hij moet een ontmoeting organiseren tussen de van ketterij verdachte franciscanen en afgevaardigden van de paus. Al spoedig ontwikkelt zijn verblijf in de abdij zich echter tot een tijd vol apocalyptische verschrikkingen: in de abdij worden zeven misdaden gepleegd. William, een voormalig inquisiteur, wordt door de onderzoekskoorts bevangen. Steeds dieper dringt hij door tot de geheimen van de abdij…

2 Moord in Toscane – Helene Nolthenius

Helene Nolthenius schreef net als Umberto Eco over een middeleeuwse kloosterbroeder die min of meer bij toeval een detectiverol aanneemt. Uit de speurtochten van Lapo Mosca, zoals de broeder heet, koos Nolthenius twee van de spannendste verhalen, die zich afspeelden in 1352 en 1358: Geen been om op te staan en Als de wolf de wolf vreet… Pikant detail is dat alle misdaden die Nolthenius beschrijft echt gebeurd zijn. Wees dus gewaarschuwd!

3 Hannibal – Thomas Harris

Eigenlijk moet je dit boek pas lezen nadat je in Florence bent geweest, want anders durf je er misschien niet meer heen. Zeker is in elk geval dat je een keer extra over je schouder kijkt als je ’s avonds over de Florentijnse keitjes wandelt…

Zeven jaar zijn verstreken sinds de beruchtste seriemoordenaar aller tijden ontsnapte uit gevangenschap. Dr. Hannibal Lecter waart nog steeds rond, genietend van de smaken en geuren van een weinig behoedzame wereld. Maar FBI-agente Clarice Starling is haar ontmoetingen met Hannibal nog lang niet vergeten – en zijn raspende stem spookt nog steeds door haar dromen. Ook Mason Verger herinnert zich dr. Lecter. Hij was zijn zesde slachtoffer. Veger is de schatrijke eigenaar van een varkensslachtimperium en wordt geobsedeerd door wraak. Vanuit zijn beademingsapparaat heeft Verger een wereldwijd web gesponnen. Maar om de doctor te vangen, heeft hij een exquis en onschuldig ogend lokaas nodig; datgene wat Lecter het beste smaakt…

4 Het monster van Florence – Douglas Preston

De jacht op de seriemoordenaar die Thomas Harris inspireerde tot Hannibal Lecter – voor wie één zo’n monsterlijk spannend avontuur in deze prachtige stad nog niet genoeg is!

Tussen 1974 en 1985 werden in de heuvels rond Florence zeven stelletjes vermoord. De politie arresteerde in de loop der jaren meer dan tien mogelijke daders – die allemaal weer werden vrijgelaten. Talloze levens werden verwoest door geruchten en valse beschuldigingen. Maar het Monster van Florence bleef onvindbaar.

In 2000 verhuisde Douglas Preston met zijn gezin naar een dorpje net buiten Florence. Toen hij zich in de geschiedenis van zijn huis verdiepte, bleek het vlak bij een van de moordplekken te liggen. Preston nam contact op met de misdaadjournalist Mario Spezi, die zich jarenlang in de moordzaken had vastgebeten. Spezi had wel een idee in welke kring de seriemoordenaar gezocht moest worden. Samen besloten ze een poging te doen het Monster te ontmaskeren. Hun controversiële onderzoek viel niet in de smaak van de Italiaanse autoriteiten. De auteurs werden zelfs verdacht van medeplichtigheid en verduistering van bewijzen. Preston is sindsdien persona non grata in Italië – maar het boek werd een regelrechte bestseller.

5 Huis van stilte – Sabine Thiessler

Dat Toscaanse huizen vaker een bloederige geschiedenis met zich meedragen, weet ook Sabine Thiessler. In haar eerste boek, Huis van stilte, ontdekt een paddenstoelenzoeker in een eenzaam gelegen oud boerenhuis in Toscane een verschrikkelijk toegetakeld lijk. Het blijkt Sarah te zijn, de Duitse vrouw van trattoria-eigenaar Romano. Haar keel is doorgesneden – maar waarom? Deze brute moord is nog maar het begin van een onheil dat lang hiervoor al onafwendbaar was.

Twintig jaar eerder is Sarah namelijk samen met Romano uit Berlijn weggevlucht om te ontkomen aan haar relatie met een geniale, maar gewelddadige muzikant. In het idyllische Toscane, waar Romano geboren is, beginnen ze een nieuw leven en openen ze een kleine trattoria. Maar hun geluk duurt maar kort; al spoedig raakt hun zoontje na een tragisch ongeval geestelijk gehandicapt. Om dit grote ongeluk het hoofd te bieden, begint Sarah overspelige relaties met verschillende mannen. Ze geeft zich over aan een gevaarlijk leven en realiseert zich niet dat ze langzaamaan door het verleden wordt ingehaald. Het noodlot, dat indertijd in Berlijn begon, neemt als in een klassieke Griekse tragedie bezit van Sarah tot in haar dood. En nog veel verder…

Sabine Thiessler schreef ook de Italiaanse thrillers De kinderverzamelaar en Dodenakker.

6 De Toscaanse tuin – Mark Mills

Maar ook buitenshuis liggen genoeg bloedstollende verhalen voor het oprapen, zoals blijkt in De Toscaanse tuin. Adam Strickland, student aan Cambridge University, krijgt in 1958 een speciale opdracht van zijn professor: hij moet een scriptie schrijven over een beroemde zestiende-eeuwse Toscaanse tuin. Deze tuin blijkt echter niet zomaar een tuin te zijn. Al gauw ontdekt Adam dat de tuin iets mysterieus heeft, iets ongrijpbaars. Signor Docci, de eigenaar van de vreemde en grillige tuin, heeft de tuin aangelegd ter ere van zijn vrouw – waarschijnlijk nadat hij haar heeft vermoord.

Tegelijkertijd ontspint zich een ander intrige. Adam maakt kennis met de oude signora Docci, wier oudste zoon werd doodgeschoten door de nazi’s in de Tweede Wereldoorlog. En de derde verdieping van de Toscaanse villa, waar die moord plaatsvond, is sindsdien net zo hermetisch afgesloten als de tuin waarover Adam wil schrijven. Twee ruimten, bevroren in de tijd. Maar wat is het verband? Verleden en heden, liefde en intrige vermengen zich in dit uitdagende mysterie, dat een levendig beeld schetst van de ervaring van een onschuldige buitenlander tijdens de onzekere jaren in het naoorlogse Italië.

7 Schijngestalten – Corine Hartman

Florence blijkt populair als plek waar misdaadverhalen zich afspelen. Je kan je er op een zonnige zomers dag weinig bij voorstellen, maar Corine Hartman weet net als Christobel Kent (zie Ciao tutti van 7 mei) zelfs bij een temperatuur van veertig graden af en toe kippenvel over je hele lijf te toveren…

Anne den Hartogh staat niet te popelen om een week naar Florence te gaan. Haar ouders wonen in de Toscaanse hoofdstad, omdat haar vader er baanbrekend onderzoek doet naar de ziekte multiple sclerose. Anne is er met haar oudere zus uitgenodigd om haar vaders vijfenzestigste verjaardag te vieren. Ze houdt van de historische cultuurstad en ook wel van een feestje, maar ze verlangt absoluut niet naar het gezelschap van haar zus en om een heel andere reden ziet ze er als een berg tegenop haar moeder weer te zien.

Tijdens haar vaders feest in een luxe kasteel in de bergen van Rufina krijgt Anne de schrik van haar leven als ze met een dode wordt geconfronteerd. Vreemd genoeg meent iedereen met wie ze haar schokkende ontdekking wil delen dat ze zich moet vergissen. Voor Anne volgt een eenzame zoektocht naar de waarheid. Een zoektocht die haar niet alleen in levensgevaar brengt, maar ook de beangstigende vraag opwerpt: wat doe je als de werkelijkheid een nachtmerrie wordt?

Ook Hartmans In vreemde handen speelt zich in Toscane af. Tegen de achtergrond van het idyllische Toscaanse landschap wordt de spanning met de pagina voelbaarder. Diane is met haar man Robbert en dochter Lieke geëmigreerd naar Toscane om daar een hotel te gaan runnen. Ze hebben zich perfect voorbereid. Ze kennen de taal, hebben alles zorgvuldig geregeld en niets staat hun geluk in de weg… denkt ze. De droom van een zorgeloos bestaan in een aangenaam klimaat verandert echter in een angstaanjagende nachtmerrie als iemand hun plannen dwarsboomt. Als Diana ontdekt wie er verantwoordelijk is voor het leed dat haar gezin treft, betekent dat niet het einde van het drama. Integendeel: Diana wordt op gruwelijke manier met zichzelf en haar verleden geconfronteerd. Een verleden, dat ze juist wilde ontvluchten. Is ze in staat om, koste wat het kost, haar gezin te redden? En zichzelf?

8 De nacht van de zwarte rozen – Nino Filastò

Ook de misdaadromans van Nino Filastò spelen zich af in Florence. De hoofdrol is steeds weggelegd voor advocaat Corrado Scalzi. In De nacht van de zwarte rozen heeft advocaat Scalzi eigenlijk geen zin om zich te verdiepen in de bedreigingen waarmee de louche zakenman Carrubba geconfronteerd wordt. Toch zal hij erbij betrokken raken. Op zijn kantoor krijgt Scalzi bezoek van Carol Ellroy, vriendin van de Amerikaanse kunsthistoricus Wayne James die verdronken is in de haven van Livorno. Carol weigert aan zelfmoord of een ongeluk te geloven. Wayne James was namelijk net als de bedreigde Carrubba geïnteresseerd in de aankoop van enkele sculpturen van Modigliani. Zou dat hem noodlottig zijn geworden?

Corrado Scalzi speelt eveneens de hoofdrol in Filastò’s andere thrillers, Nachtmerrie met dame en Overmacht.

9 Scarabeo – Michele Giuttari

De Toscaanse hoofdstad wordt in Scarabeo evenmin gespaard. Florence wordt opgeschrikt door een reeks wrede, gruwelijke misdrijven, die niets met elkaar te maken lijken te hebben. Vervolgens ontvangt het hoofd van het rechercheteam, Michele Ferrara, de ene raadselachtige brief na de andere, waarin hij met de dood wordt bedreigd. Twee meisjes zijn verwikkeld in een vurige relatie. Een priester en een Amerikaanse journalist hebben één ding gemeen: een vervreemdende schoonheid. Wat verbindt al deze mensen en gebeurtenissen met elkaar? Het onderzoek van Ferrara leidt tot antwoorden, maar ook tot een verontrustende ontknoping.

Michele Ferrara speelt ook de hoofdrol in Giuttari’s tweede boek, Verzwegen. Een meisje blijkt te zijn gestorven aan een overdosis, maar de politie kan haar niet identificeren. Een journaliste komt om terwijl ze enkele mysterieuze gebeurtenissen in de mijnen van Carrara onderzoekt en een man wordt vermoord – vermoedelijk een crime passionel. Onderwijl is er in Toscane een hevige machtsstrijd gaande tussen de Albanese maffia en de Cosa Nostra.

Allemaal routine voor commissaris Michele Ferrara, en er lijkt geen enkel verband tussen deze uiteenlopende zaken. Maar toch… Ferrara komt er langzaam achter dat er wel degelijk iets is wat deze gebeurtenissen met elkaar verbindt. Een aaneenschakeling van geweld en dood, die ook Ferrara zelf – op meer dan één manier – zal weten te raken.

10 Het Medici geheim – Michael White

Ook tijdens de laatste Toscaanse thriller blijven we in Florence. In de crypte van de familie De’ Medici onderzoekt Edie Granger met haar oom Carlin Mackenzie de gemummificeerde lichamen van de machtigste Italiaanse familie van de Renaissance. De vondst van een onbekend zwart object in het lichaam van Cosimo De’Medici heeft grote gevolgen. Voor Mackenzie is het de meest belangwekkende en bedreigende ontdekking uit zijn carrière – zijn leven is hij niet meer zeker. Voor Edie is de vondst het begin van een bezeten en levensgevaarlijke zoektocht. Met spectaculaire wendingen verweeft Michael White het heden met het verleden – zodat je helemaal vergeet dat je gezellig voor de caravan zit te lezen…

Zomers leespakket winnen?
Hopelijk kunnen jullie met deze leestips op vakantie in Italië, lekker thuis of waar dan ook genieten van een bloedstollende Toscaanse thriller. Om een boek te bestellen via bol.com, klik op de titel (in het blauw) van het boek, of hier en zoek de titel direct bij bol.com:

Maar waar ik nu zo benieuwd naar ben: welk boek lezen de lezers van Ciao tutti deze zomer? De biografie van Da Vinci, een streekroman over een tuin vol granaatappelbomen in Sorrento, de culinaire memoires van Casanova? Laat het me weten via winnen@ciaotutti.nl en wie weet win jij dan wel een van de Toscaanse zomerleespakketten!

  • Share/Bookmark
jul 19

Helaas is dit onze laatste dag in Toscane, vanavond wordt er weer gewoon Amsterdamse lucht ingeademd. Gelukkig kan ik met Elke dag in Toscane de komende dagen nog even de heimwee de kop indrukken.

In haar nieuwste boek vertelt Frances Mayes, beroemd van haar eerdere Toscane-romans Een huis in Toscane (dat is verfilmd als Under the Tuscan Sun) en Bella Toscana, het lyrische verhaal over haar twintig jaar durende liefdesaffaire met Toscane, de mensen, de cultuur en de levensstijl. Daarnaast vertelt ze over het verrukkelijke leven in Bramasole, haar huis in de buurt van Cortona, geeft ze je haar favoriete recepten en laat ze je meegenieten van de bekoringen en uitdagingen die het alledaagse leven in Italië met zich meebrengt. Het verhaal begint in de zomer waarin de laatste zaken van de historische restauratie van Bramasole worden voltooid. Wat volgt is een jaar lang Italiaans genieten, van de kunst van Luca Signorelli, van de lekkerste Toscaanse wijnen, de meest verrukkelijke gerechten en een kijkje in het dagelijks leven op het centrale plein van Cortona.

Na zo te hebben genoten van de Sienese keuken wil ik jullie het volgende stukje uit Elke dag in Toscane niet onthouden:

‘Van alle Toscaanse pastasoorten is pici de stoerste. Niemand lijkt te weten waar de naam vandaan komt, al schrijft het Italiaanse woordenboek De Mauro dat het woord sinds 1891 wordt gebruikt. Ik denk dat pici in deze Toscaanse heuvels al eeuwen wordt gegeten en evenzeer met de regio verbonden is als knoestige olijvenwortels en druiventrossen die aan de dakspanten worden gedroogd voor de vin santo. Vooral in de Toscaanse provincies Siena en Arezzo staat pici bijna overal op het menu.

In het Italiaans moet je het woord eigenlijk uitspreken als ‘pietsjie’, maar in ons plaatselijke dialect wordt de klank ‘tsj’ uitgesproken als ‘sj’. In de omgeving van Cortona zeggen de mensen ‘piesjie’, en een cappuccino wordt hier een ‘cappusjino’. Pici, net als spaghetti een meervoudsvorm, kent officieel geen enkelvoudsvorm picio, al geven de mensen hier wel eens picio aan een klein kind of rapen ze er een op als er een sliert is gevallen.

Pici komt in de meeste kookboeken niet voor en staat ook niet vaak op Amerikaanse menukaarten, maar het is de pasta die de Toscanen het dierbaarst is. Alleen het eenvoudige plattelandsgerecht tortelloni in brodo komt in de buurt. […]

Ik laat mijn bergje pasta even onder een theedoek rusten en ga met mijn glas thee naar buiten om naar het werk te kijken. ‘Ik maak pici,’ roep ik naar Ed. Hij steekt zijn duimen op. ‘Voedsel voor de ziel.’ […]

Ik maak mijn slierten pici graag drie keer zo dik als spaghetti en minstens dertig centimeter lang, zodat de pasta een stevige beet heeft. Ik heb slierten gezien die bijna zo dik als potloden waren, geserveerd met een saus met gans. De meeste gedroogde pici, verkrijgbaar bij elke gastronomia, ziet er vergeleken met de Toscaanse maar mager uit. De gedroogde variant is prima te gebruiken, maar de verse is het lekkerst. Een flinke kom pici drukt je aan de omvangrijke boezem van de signora die de pastasoort uitvond toen de voorraadkast bijna leeg was. Pici komt uit de cucina povera, de armeluiskeuken, de bron van talloze uitvindingen in het Italiaanse receptenrepertoire.’

Frances Mayes vervolgt deze lofrede op de Toscaanse pici met een verhaal over de manier waarop ze ontdekte hoeveel pici voor de inwoners van Toscane betekent, welke soorten saus met de pici kunnen worden geserveerd en over hoe ze van Silvia leerde hoe ze zelf pici moest maken. Je zou zo bij haar willen aanschuiven, maar het boek is een goed alternatief!

  • Share/Bookmark
preload preload preload