mei 15

Vandaag duiken we drie jaar terug in de tijd, naar het moment waarop het eerste idee voor Ciao tutti ontstond. Afgelopen donderdag vertelde ik de aanwezigen op mijn boekpresentatie hier al kort over, vandaag de extended version voor alle lezers!

Na 836 Ciao tutti-blogs kon ik vorige week donderdag een deel van mijn lezers eindelijk live begroeten met de woorden Ciao tutti! Eind januari 2010 schreef ik deze welkomstwoorden voor het eerst hier op mijn blog, boven de introductie op de dagelijkse schrijfsels waarmee ik vanaf 1 februari 2010 een stukje Italië naar Nederland en België brengen. In die introductie vertelde ik hoe en waar mijn liefde voor Italië is ontstaan; in Rome tijdens de welbekende Romereis die elke gymnasiast in de bovenbouw maakt (zie hier het uitgebreide verhaal). Ik vertel daar echter niet hoe het idee voor een blog was gaan leven. Na 836 stukjes leek het me wel leuk om ook dat verhaal eens uit de doeken te doen.

Eigenlijk begon Ciao tutti met een kookboek over koffie. In de zomer van 2009 kwam ik na een zomercursus Italiaans in Siena terug in Nederland. Met mooie herinneringen, maar vooral met heimwee. Naar de stad, de zon, de taal, het eten, de koffie… Gelukkig moest ik voor de Gottmer Uitgevers Groep, waar ik toen werkte, een boekje met de titel Caffè Italia onder de aandacht van Nederlandse journalisten brengen.

Ik stuurde een e-mail naar het magazine De Smaak van Italië, om te vragen of er interesse was voor een artikel. De toenmalige adjunct-hoofdredacteur zag daar wel wat in, maar het ontbrak hen aan tijd om ermee aan de slag te gaan, zo mailde ze terug. Ik trok de stoute schoenen aan en stelde voor om dan zelf een artikel te schrijven over het boek, met als extraatje een lijstje van de 25 bijzonderste koffieadressen in Rome.

Daar hadden ze wel oren naar, en zo gezegd zo gedaan. Het artikel verscheen in november 2009, en leverde een heleboel leuke reacties op. Mijn broer Hans (links op onderstaande foto), zelf een fervent koffiedrinker, vond dat ik toch echt meer moest gaan schrijven. Hij was het die het idee van een blog opperde. Daarmee zou ik meer kunnen schrijven en makkelijker een groter publiek bereiken.

Ik liet het idee een paar weken bezinken. Ik een blog? Ik had – dat kunnen jullie je nu waarschijnlijk niet eens meer voorstellen – thuis geen internet, en koffie dronk ik alleen in Italië. Toch bleef het idee in mijn hoofd rondzingen. Stiekem maakte ik een lijstje met namen, dat ik voor de boekpresentatie nog even opzocht. Ciao tutti stond bovenaan, en dat werd het uiteindelijk ook. Ik kon het idee van mijn broer namelijk niet loslaten en besloot het gewoon te proberen. Alhoewel hij voorstelde om één keer per week te bloggen, had ik al snel zo veel ideeën, invalshoeken en wetenswaardigheden verzameld, dat ik besloot elke dag te gaan schrijven.

Ik vertelde het idee van een dagelijks blog aan wat vrienden, die me zonder uitzondering voor gek verklaarden. Ik had al zo weinig tijd, elke dag zou een enorme opgave zijn, en bovendien: kon ik dat qua onderwerpen wel volhouden, elke dag een stukje over Italië? We zijn nu 840 stukjes verder dus die laatste zorg is daarmee wel weggenomen denk ik. Zeker als je bedenkt hoeveel ideeën er in mijn hoofd nog om uitwerking vragen…

Maar goed, er was een titel en er was een intentie tot dagelijks bloggen. Maar daarmee was ik er nog niet. Er moest draadloos internet komen thuis, een logo, een blogomgeving… Langzamerhand groeide Ciao tutti van een vaag idee tot een concrete website. Met dank aan Marc Volman voor het allereerste Ciao tutti-logo en de header, en aan broer Hans die me de eerste kneepjes van Wordpress bijbracht.

het eerste Ciao tutti-logo, made by Marc Volman van Dutchcomics

Ik schreef de eerste stukjes, over koffie – nog altijd een dankbaar onderwerp. Zo mag ik al wel verklappen dat je in het boek leest over wachtende koffie in Napels en dooie koeien die in de middag een bar bevolkten.

Vanaf het eerste begin leverde Ciao tutti meer op dan alleen bezoekers. De kring vaste lezers groeide en groeide, en velen van hen reageerden regelmatig op de stukjes die ik schreef. Ik ging anders op reis naar Italië en kwam met inspiratie voor tientallen stukjes terug. Ik leerde dankzij Ciao tutti collegabloggers kennen en een heleboel inspirerende mensen die ‘iets’ met Italië hebben.

Het leverde zelfs veel nieuwe amici op, die tijdens de boekpresentatie ook bijna allemaal aanwezig waren om mee te vieren. Allereerst Ton en Jeannette, die me na het lezen van een honderdtal stukjes uitnodigden om te komen eten. Want naast de liefde voor Italië delen we vooral de liefde voor lekker eten. Geen verrassing dus dat de Italiaanse hapjes die de gasten tijdens de presentatie voorgeschoteld kregen uit hun keuken kwamen!

Daarnaast Juliette en Renee van het Su Misura team, die ik in Rome ontmoette en die me voor de presentatie helemaal in het nieuw staken (en waarover ik morgen uitgebreid zal vertellen), en Jeanine, imagokapper en eveneens deel van Su Misura, die mijn hoofd voorzag van vrolijke krullen.

En dan de fans die ik nog nooit in het echt ontmoette, maar met wie ik zeer regelmatig via mail, Twitter of Facebook over het heerlijke Italië ‘praat’. Iedereen opnoemen die op een of andere manier heeft bijgedragen aan Ciao tutti kan hier helaas niet. Dat zou een onuitputtelijke lijst worden, maar zowel in Nederland, België en Italië zijn er heel wat vriendschappen gesmeed in de afgelopen tweeënhalf jaar. Grazie mille tutti!

Ook al bestaande vriendschappen kregen een Italiaans tintje, want ja, al dat moois in Italië moest natuurlijk ook in het echt worden gedeeld. Met Hellen reisde ik naar Rome, waar ze meteen maar besloot daar te gaan studeren (waardoor ik weer een goede reden had om terug te keren), met Anne naar Venetië, met Emma eveneens naar Rome, met Diane naar Napels en de Amalfitaanse kust, met Ton en Jeannette naar Siena en de Maremma, met Willemijn nog maar eens naar Rome om inspiratie op te doen voor zowel De Smaak van Italië als onze blogs (Willemijn blogt sinds 1 februari ook dagelijks, op Orpheus kijkt om) en een reisje naar Toscane met Leonore en Stephanie staat nog op de planning…

En dan is er nu dus ook een boek. Voordat ik het eerste officiële exemplaar aan Rosita Steenbeek mocht overhandigen, richtte ik donderdag mijn laatste woorden tot iedereen die hard heeft gewerkt aan de totstandkoming van dit blogboek. Allereerst David van Iersel van De Boekenmakers natuurlijk, die met het idee kwam om de mooiste blogstukjes te bewerken tot een boek. Dan Miriam Welsing, die haar huisje in Florence openstelde zodat ik in alle rust de laatste definitieve versie kon schrijven (waar ik uiteraard ook weer een stukje over schreef), en redacteuren Annemarie en Annelie, die de juiste puntjes op de i zetten.

Daarna was het de taak aan de heren van Studio Denk, Bart, Niek en Roy, om van het geheel van tekst en foto’s iets moois te maken. Dat hebben ze met alle nodige Italiaanse flair gedaan. Alle complimenten voor hoe mooi het boek is geworden zijn dan ook voor hen, dank heren!

Nu het boek er is, brengen Jody en Christel van De Boekenmakers het onder de aandacht van zoveel mogelijk mensen, zowel journalisten als Italiëfans en lezers. Ook jullie bedankt! En ten slotte, Monique, Folco, Bart, Charlotte en Karin van De Nieuwe Boekhandel; bedankt dat we bij jullie mochten komen toosten op het resultaat!

P.S. Gisteren het fotoverslag van de boekpresentatie gemist? Klik dan hier voor een impressie!

apr 13

Vandaag vieren ze in Italië de Dag van de Espresso. Voor de vierde keer wordt de populairste soort koffie in meer dan 2600 koffiebarretjes in Italië in het zonnetje gezet. Wie vandaag in een van die geselecteerde bars (herkenbaar aan een sticker op de deur) een espresso bestelt, krijgt er een klein boekje bij met de geschiedenis van koffie en tips over hoe je de echte Italiaanse espresso herkent.

 

Helaas kon ik jullie zo vroeg nog niet van de wetenswaardigheden uit dit vademecum voorzien, maar in plaats daarvan een stukje uit het boek Il caffè sospeso van Luciano De Crescenzo. In het begin van mijn blogcarrière schreef ik al eens over hem:

‘In Napels bestaat al sinds jaar en dag de traditie van de caffè sospeso (letterlijk: koffie in de wacht). Als je in Napels een caffè bestelt, kun je twee kopjes koffie afrekenen. Het ene kopje drink je zelf op, het andere kopje, de sospeso, kan dan later op de dag door een arme Napolitaan worden genuttigd.

Hoewel de traditie van de caffè sospeso vandaag de dag lang niet meer door iedere Napolitaan in ere wordt gehouden, is het voor toeristen erg leuk om te zien hoe op de bestelling van een gewone koffie en een caffè sospeso wordt gereageerd. Wedden dat een caffè sospeso bij iedereen in de smaak valt?’

Om de proef op de som te nemen een klein stukje wijsheid voor bij de eerste espresso van vandaag. In de woorden die De Crescenzo zelf optekende, en waarin hij zo mooi zegt: ‘espresso is niet alleen maar een donkere vloeistof, maar ook een manier om vriendschap te sluiten’.

Zijn tekst in het Italiaans (ook voor mensen die een paar woorden Italiaans spreken redelijk goed te volgen):

‘A Napoli, una volta, c’era una bella abitudine: quando una persona stava su di giri e prendeva un caffè al bar, invece di uno ne pagava due. Il secondo lo riservava al cliente che veniva subito dopo. Detto con altre parole, era un caffè offerto all’umanità. Poi, di tanto in tanto, c’era qualcuno che si affacciava alla porta del bar e chiedeva se c’era un ‘sospeso’.

Tutto questo era dovuto al fatto che erano più i clienti poveri che quelli ricchi. Oggi purtroppo non solo non esiste più chi paga un ‘sospeso’ ma nemmeno chi è disposto ad accettarlo. Un giorno ho conosciuto un brav’uomo, bisognoso di fare amicizie, che di ‘sospeso’ ne pagava addirittura cinque.

È per questo che chiedere un allineamento dei prezzi del caffè in Italia, a mio avviso, sarebbe un errore. Il caffè non è uguale a ogni latitudine: in primo luogo èdiero come sapre, poi come quantità (un caffè del Nord, misurato in centilitri, è almeno il doppio di un caffè del Sud) e infine, come funzione.

Quando al di sopra della Linea Gotica si è giù di corda ci si aiuta con un grappino, a Napoli, invece, con un caffè, e per raggiungere il livello desiderato, credetemi, ce ne voglione almeno tre, e di quelli buoni. Ma tre caffè al giorno costano quello che costano. Forse ce le dovrebbe passare la mutua.

Il caffè di Napoli è diverso da quello di Milano. È minimo come quantità e massimo come sapore. Provare per credere. E soprattutto non è solo un liquido scuro ma, come accennato, un mezzo per fare amicizia. Supponiamo che un giorno incontriate un amico a Napoli, in Piazza dei Martiri. Il minimo che vi dovete aspettare è che vi dica: ‘Prendiamo un caffè’. Il che dalle mie parti equivale a dire ‘buon giorno’.

Ora, però, paragoniamo il caffè di Napoli al caffè di Milano, se non, addirittura, a quello di Monaco di Baviera. Mentre quello tedesco scende, quello di Napoli sale e va a sistemarsi nelle vicinanze del cervello. Non a caso è poco più di un sorso.

Questi capitoli che seguono sono come piccoli sorso di caffè napoletano: brevi, gustosi, ma capaci di salire nelle vicinanze del cervello e fargli un po’ di sano solletico.’

De hoofdstukken die volgen hebben inderdaad precies hetzelfde effect als een klein slokje koffie uit Napels: ze zijn kort, maar zeer smaakvol en ze stijgen direct op naar je hersenen om die even op een gezonde manier bezig te houden. Een aanrader om elke dag een stukje te lezen bij de eerste espresso!

Il caffè sospeso
saggezza quotidiana in piccoli sorsi
Luciano De Crescenzo
ISBN 9788804577744

apr 12

De tentoonstelling Lux in Arcana geeft je een kijkje in een klein stukje van het Vaticaans Archief. Maar wat is dit archief nu precies, en wat is er zo geheimzinnig aan? Het recent verschenen boek De verborgen geschiedenis van de pausen geeft antwoord op die vraag.

‘Het idee van een archief van alle pauselijke documenten dook voor het eerst op bij de oprichting van de Biblioteca Vaticana onder Sixtus IV. Het was echter wachten tot 1593 voor Clemens VIII een eigenstandig depot voor bullen, breven, brieven, encyclieken en oorkonden in het leven riep. Al dit archiefmateriaal werd opgeslagen in grote houten kasten in een salon in de Engelenburcht. Kardinaal Bartolomeo Cesi, het eerste hoofd van dit Archivium Arcis Sancti Angeli, had de titel van prefect; Domenico Rinaldi, die hem na korte tijd opvolgde, staat genoteerd als ‘archivaris’.

Het archief was aanvankelijk zeer fragmentarisch. Wilde men een archief die naam waardig, dan moest men alles bijeenzoeken wat her en der in de pauselijke vertrekken – en daarbuiten – verspreid lag en het netjes catalogeren. Op 25 januari 1606 gaf Paulus V daartoe de aanzet met de breve Apostolicae Sedis: ieder die geschriften van de Heilige Stoel bezat, of hij nu binnen dan wel buiten het Vaticaan verbleef, moest die binnen zes dagen overhandigen aan de beheerders van het archief van de Engelenburcht, op straffe van excommunicatie.

Toen de paus later de Engelenburcht inspecteerde, moest hij vaststellen dat de lokalen van het archief in een erbarmelijke toestand verkeerden: de documenten zaten onder een dikke laag stof en waren aangevreten door de muizen. Dus besliste hij – met de breve Cum nuper van 31 januari 1612 – dat het archief een nieuw onderkomen moest krijgen, en wel in het Apostolisch Paleis […], drie kamers vlak naast de Sixtijnse Salon van de Biblioteca Vaticana. […]

Met de apostolische constitutie Maxima vigilantia van 14 juni 1727 bepaalde Benedictus XIII dat alle materiaal dat verspreid was in kerkelijke archieven op Italiaans grondgebied, naar het centrale archief moest worden overgebracht. In 1783 werd dit uitgebreid met alle pauselijke documenten die zich nog in Avignon bevonden. In 1798 kwam ook de documentatie over de gevangenissen vanuit de Engelenburcht naar hier.

1798-1810 waren crisisjaren: op bevel van Napoleon verhuisde een groot deel van het archief naar Parijs, waar het werd ondergebracht in het Hôtel de Souvise, samen met die van andere staten die Napoleon had veroverd. In de jaren 1815-1817 keerde dit archiefmateriaal beetje bij beetje naar Rome terug, maar niet zonder aanzienlijke verliezen en beschadigingen […].

Het archief moest geheim blijven en dat was terecht, want zoals Leo XIII zei ‘diende het eerst en vooral voor de paus en de curie, dat wil zeggen voor de Heilige Stoel’. Toch besliste diezelfde paus in 1880 de archiefdocumenten tot en met jet jaar 1815 toegankelijk te maken voor wetenschappelijk onderzoek. Daarna werd het limietjaar verscheidene keren opgeschoven. In 1985 werden alle documenten tot 1922 beschikbaar gesteld.

In 1939 liet Pius XI de vertrekken rechts van de Belvedere-binnenplaats, waar zich reeds de pinacotheek bevond, zo inrichten dat het archief meer ruimte kreeg. Pius XII nam ook de zolderkamers boven de Kaartengalerij in de Vaticaanse Musea voor het archief in beslag. In 1980 werden twintig meter onder de Pijnappel-binnenplaats twee verdiepingen aangelegd waar 54 kilometer documenten in optimale omstandigheden kunnen worden bewaard.

De documenten waren nu goed beveiligd. Men kon ze raadplegen, maar de naam ‘geheim archief’ was nog steeds terecht, want wie ze wilde consulteren, kon dat alleen ‘mits een aanbeveling en als hij kon bewijzen dat het nodig was voor zijn wetenschappelijk onderzoek’[…].Wie er uiteindelijk binnen raakte, dreigde verloren te lopen in het labyrint van ‘raadsels die alleen voor deskundigen enigszins inzichtelijk worden’. Om het materiaal dat men wilde raadplegen te ontsluiten, kon men dus moeilijk zonder de knowhow van de archivaris.’

In De verborgen geschiedenis van de pausen lees je meer over de geheime archieven.

Het pausambt was lange tijd de meest geambieerde positie ter wereld, en een ongekende bron van malversaties. In De verborgen geschiedenis van de pausen zijn de verhalen die zich hebben afgespeeld in de kantlijn van het leven van de pausen, van het begin van onze tijdrekening tot nu, verzameld. De geheimen en de passies, de deugden en de ondeugden van de pausen – van de heilige Petrus tot Benedictus XVI – zoals ze naar voren komen uit legenden, historische documenten, kronieken en volksverhalen. Verhalen uit tijden van de catacomben en de vervolgingen van de eerste christenen, uit tijden van de duistere middeleeuwen, toen tegenpausen door keizers werden gemanipuleerd. Uit tijden toen kruistochten twijfelachtige doelen dienden, over Jodenvervolging en de Heilige Inquisitie, tot de hedendaagse Camorra-activiteiten.

De verborgen geschiedenis van de pausen
Claudio Rendina
vertaald door Wouter Meeus
ISBN 9789086794232
€24,95
Uitgeverij Roularta Books

apr 11

Voor het eerst in de geschiedenis kun je een aantal geheime documenten de Vaticaans Archieven met eigen ogen aanschouwen. Ter ere van het vierhonderdjarig bestaan van het archief is de expositie Lux in Arcana ingericht, die tot 9 september te zien is in de Capitolijnse Musea. De tentoonstelling biedt een kijkje in een honderdtal echte documenten, brieven en stukken die normaal gesproken achter slot en grendel bewaard worden en alleen door de Heilige Stoel en een beperkt aantal wetenschappelijke onderzoekers ingezien kunnen worden.

Nu hebben deze documenten voor het eerst Vaticaanstad achter zich gelaten en beslaan ze drie hele drie verdiepingen van de Capitolijnse Musea. De tentoonstelling omvat zo’n honderd originele documenten van de achtste eeuw tot en met de Tweede Wereldoorlog, die je nu met eigen ogen kunt aanschouwen. Maar dat niet alleen: sommige stukken mogen tijdens de duur van de expositie volledig geraadpleegd worden.

Het eerste waar je na binnenkomst tegenaan loopt, is de handtekening van Galileo Galilei die groot wordt geprojecteerd. Deze paraaf vestigt meteen de aandacht op een van de belangrijkste en spraakmakendste onderdelen van de expositie: de originele stukken van het proces in 1633 waarbij Galilei door de Inquisitie veroordeeld werd omdat volgens hem de aarde om de zon draaide. Een enorm marmeren beeld van paus Urbanus VIII, onder wiens bewind Galilei dit vonnis over zich uit hoorde spreken, waakt over de stukken.

Wie nieuwsgierig is naar alle details van het proces, moet zeker afreizen naar Rome om deze expositie te zien. Wil je niet alleen het originele vonnis van het proces tegen Galileo Galilei zien, maar ook het complete dossier van de zaak raadplegen? Dat kan! Naast de originele documenten kun je vanaf het scherm de hele tekst oproepen en – als je even de tijd hebt – van A tot Z doornemen.

Behalve de geheime documenten zijn er ook andere dingen te zien die bij het beheren en raadplegen van een archief komen kijken. Zo verlekkeren mijn ogen zich aan een systeem waarmee je gewone teksten kunt omzetten naar geheimschriften, simpelweg door bepaalde kaarten met uitgestanste vakjes over de tekst te leggen. Zo’n baan had me wel ets geleken; het ontcijferen van geheime boodschappen is toch wel heel wat spannender dan het schrijven van voor iedereen leesbare teksten zonder dubbele bodem.

Maar er wachtte nog meer geheimzinnigs, zoals een document met maar liefst 81 rode zegels van Britse bestuurders, die de paus in 1530 onder druk zetten om het eerste huwelijk van koning Hendrik VIII nietig te verklaren. De paus gaf hier echter geen gehoor aan, hetgeen het ontstaan van de Anglicaanse Kerk tot gevolg had.


Ook Nederlandse documenten uit de Vaticaans Archieven hebben hun weg gevonden naar het Capitool. Er is een brief uit 1525 te zien van Erasmus, waarin hij betreurt dat Luther is geëxcommuniceerd. ‘Ik zou niet willen dat het ene kwaad met het andere wordt bestreden,’ zo schrijft Erasmus. Een ander Nederlands document vertelt het verhaal van Edith Stein, een van oorsprong joodse vrouw die zich bekeerde en tijdens de Tweede Wereld Oorlog onderdook in een klooster in Limburg. In de zomer van 1942 werden ze opgepakt en naar Auschwitz gedeporteerd, waar ze overleden. In 1998 werd Edith Stein heilig verklaard door paus Johannes Paulus II.

De samenstellers van de expositie hebben overigens alle moeite genomen om de meest indrukwekkende stukken tentoon te kunnen stellen. Zo hebben ze het zwaarste boekwerk ter wereld naar het Capitool gesjouwd, dat een overzicht geeft van alle details van het leven van de familie Borghese. Alle familieleden komen erin voor, net als hun boekhouding en hun bezittingen.



Het boekwerk, met rood leer en een houten ‘kaft’ is maar liefst veertig centimeter breed, vijfenvijftig centimeter hoog en 37 centimeter dik. Alles bij elkaar weegt het meer dan zestig kilo.

Dat de Vaticaanse Archieven zaken van gewicht ontsluiten, moge duidelijk zijn!

apr 01

Hoewel ik jullie vorig jaar op 1 april nog goed in de maling wist te nemen, spreek ik vandaag de zuivere waarheid. Ik weet het, het lijkt een sterk verhaal, maar Pietro Marmo, zilversmid van beroep, heeft echt de allerkleinste moka ter wereld weten te maken, waarmee je het meest straffe kopje espresso kunt zetten.

Tijdens de Sigep, de Salone Internazionale di gelateria, pasticceria e panificazione artigianali (oftewel de internationale beurs voor ijssalons, bakkers en banketbakkers) die begin dit jaar in Rimini werd gehouden, werd dit ieniemienie koffiepotje gepresenteerd. Deze mini moka is 19 millimeter hoog en bestaat net als elke andere moka uit vijf onderdelen. Hoe klein deze moka ook is, hij functioneert gewoon – je kunt er dus echt koffie mee zetten!

Daar heb je niet veel meer voor nodig dan 10 druppels water (die je overigens met behulp van een spuitje in de moka moet zien te krijgen) en een paar korreltjes versgemalen koffie. En een aansteker natuurlijk, want deze mini moka past natuurlijk niet op het fornuis. Houd de moka 25 seconden in de vlam en de koffie is klaar. Pietro Marmo heeft natuurlijk ook aan een bijpassend mini-koffiekopje gedacht, waar de koffie in kan worden geschonken.

Pas wel op: de koffie is namelijk erg sterk. Dat de Italianen van een straf bakkie houden, wisten we natuurlijk al wel, maar je kunt ook overdrijven… Ik ga gewoon maar een lekkere, grote kop cappuccino maken. Wie echter liever wil priegelen met de mini moka, vooralsnog is hij alleen te koop via de beurzen die Pietro Marmo bezoekt.

Via zijn website kun je echter wel verschillende juwelen en bedeltjes met koffiepotjes bestellen. Die zijn – in tegenstelling tot de mini moka – echter alleen bedoeld voor de sier. Maar een straffe indruk maak je er vast ook mee!

mrt 19

De grote vraag bij Italiaanse mannen luidt als volgt: zijn ze onder te verdelen in de drie bovengenoemde categorieën of hebben ze stiekem allemaal alle drie de beschrijvingen in zich? Of nemen ze naar gelang de situatie steeds een andere rol aan? Gedragen ze zich op straat als macho’s, in bed als meesterminnaars en als ze je eenmaal hebben veroverd als moederskindjes?

Italiaanse mannen zijn wonderlijke mannen, zo constateert ook journaliste Pauline Valkenet nadat ze in Rome is gaan wonen. Ze raakt geïntrigeerd door vrolijk flirtende charmeurs en door ijdeltuiten die uren voor de spiegel staan. Ze gaat uit met macho’s die bij nader inzien onder hun moeders rok blijken te zitten. Haar getrouwde collega’s verslijten hordes minnaressen en komen daar schijnbaar moeiteloos mee weg.

Gedreven door nieuwsgierigheid wil Pauline Valkenet de mannen van Italië doorgronden. Wat zit er allemaal achter die stijlvolle façade van elegante zonnebrillen en scherp geschoren sikjes? Ze begint een boeiende speurtocht die haar kriskras door het land voert: naar een schoonheidswedstrijd voor mannen, een hoerenbuurt in Rome, een school voor schoonmoeders en een parkeerplaats vol vrijende Napolitanen. Nederlandse vrouwen die in Italië wonen, vertellen over de inheemse heren. Ook modeontwerper Valentino, voetballer Luca Toni, sociologen, seksuologen en tal van andere Italiaanse mannen komen aan het woord.

In het geestige boek Macho’s, moederskindjes, meesterminnaars? – Italiaanse mannen onder de loep duikt Pauline Valkenet achter de clichés. Ze doet uit de doeken of de mannen in Italië echt zo romantisch zijn en ontcijfert hun drang naar uiterlijke schoonheid. Ze legt uit hoe het komt dat er zoveel moederskindjes rondlopen en wat dat met de liefde doet. Tot slot onthult ze of Italiaanse mannen nu werkelijk zulke meesterlijke minnaars zijn.

Een fragment:

’s Ochtends ga ik naar kapper Michele, die een goedlopende zaak vlak bij het Colosseum heeft. Michele is een man van 59 jaar, een kop kleiner dan ik en hij knipt me al jaren. Als ik hooggehakt en in een rokje binnenstap, kijkt hij naar mijn benen en zegt: ‘Pauline, wat heb jij prachtige enkels. Dat valt me nu pas op.’ ’s Middags ga ik aan het werk. Cameraman Roberto begroet me en zegt: ‘Hoe komt het toch dat jij met de jaren alleen maar mooier wordt?’ ’s Avonds ben ik voor de buik, billen en bovenbenen in de sportschool. Achter de balie staat fitnessleraar Gianni, die me begroet met: ‘Ciao, bella! Wat is het toch altijd een vreugde om jouw glimlach te zien!’

Complimenten. Italiaanse mannen zijn er scheutig mee. Naast hun secondelange blikken waarmee ze het vrouwelijk schoon van top tot teen opnemen, zijn daar altijd die complimenten. Of de heren nu jong of oud zijn, beeldschoon of zo lelijk als de nacht, de dame in kwestie nooit eerder hebben gezien of al jaren kennen: een complimentje moet worden gemaakt. Die over de mooie ogen is inmiddels ronduit afgezaagd. Een beetje man bedenkt iets beters: pluimpjes over de glanzende huid, de slanke handen of de mooie nek.

Als een Italiaanse man een compliment wil geven, vindt hij altijd wel iets om een vrouw lof toe te zwaaien. Zo was de agent op het politiekantoor in Rome, waar de blonde en blauwogige Martha aangifte kwam doen van diefstal van haar portemonnee, duidelijk onder de indruk van mijn Amsterdamse vriendin. Op het moment dat zij klaar was met het invullen van het noodzakelijke papierwerk, riep hij enthousiast: ‘Ooooh, mevrouw! Wat heeft u een práchtige handtekening!’

Diezelfde Martha raakte bevriend met een charmante antiekhandelaar van in de vijftig, die haar op een avond uitnodigde voor een drankje op een dakterras met een spectaculair uitzicht over Rome. Toen zij twijfelde, drong hij aan. ‘Toe, ga nou mee, ik wil zo graag even van dat prachtige uitzicht genieten.’ Eenmaal op het dakterras ging hij tegenover haar zitten, met zijn rug naar de stad toe.
‘Wat ga jij nou verkeerd om zitten?’ vroeg zij verbaasd.
‘Ik zit niet verkeerd om,’ antwoordde de antiekhandelaar. ‘Dat prachtige uitzicht waar ik van wil genieten, ben jij.’

Tja, en dan vergeef je deze Italiaanse man alles wat hem ook maar te vergeven valt. Maar of dat voor elke Italiaanse man geldt? Reden genoeg om de Italiaanse mannen dus eens extra onder de loep te nemen. Zeker vandaag, want op 19 maart (de naamdag van de heilige Jozef) wordt in Italië Vaderdag gevierd.

Mannen, wat heb je eraan?
Maar ook in Nederland staan de mannen vandaag in de schijnwerpers. Althans in De Balie in Amsterdam, waar vanavond tijdens het KennisCafé een debat plaatsvindt over mannen – en wat je aan ze hebt. Ik zal hier natuurlijk even mijn oor te luister leggen om te horen of en hoe de machofactor van mannen biologisch bepaald is.

Volgens Aart de Kruif, auteur van Typisch testosteron en een van de sprekers vanavond, wordt de hoeveelheid testosteron namelijk al voor de geboorte bepaald, in de baarmoeder. Of een man uitgroeit tot een echte macho wordt namelijk bepaald door de testosteronconcentratie van zijn moeder. Ik ben benieuwd of die Italiaanse macho’s dat zullen erkennen…

Meer lezen?
Macho’s, moederskindjes, meesterminnaars? – Italiaanse mannen onder de loep van Pauline Valkenet is nog tweedehands te bestellen via bol.com.

Meer lezen over hoe testosteron het gedrag van mannen beïnvloedt? Bestel dan Typisch testosteron – De grote invloed van een hormoon op het gedrag van mannen én vrouwen. Een heel andere benadering van mannen dan die van Pauline Valkenet, maar minstens zo interessant!

Welke invloed heeft het hormoon testosteron op het gedrag van mannen én van vrouwen? Volgens Aart de Kruif is die invloed vele malen groter dan we al vermoedden. Hij deed jarenlang onderzoek naar gedrag bij dieren en ontdekte grote overeenkomsten tussen dierlijk en menselijk gedrag, met name wat betreft de werking van dit ene hormoon. In dit bijzonder interessante boek stelt hij op basis van eigen en ander wetenschappelijk onderzoek dat biologische, natuurlijke factoren, zoals hormonen, een vaak veel sterker effect hebben op gedrag dan sociologische of culturele factoren. De Kruif schuwt daarbij controversiële standpunten niet.

Typisch testosteron
Aart de Kruif
ISBN 9789088030116
€ 18,95
uitgeverij Lias

mrt 05

Na de schilderijen van Tintoretto, de etsen van Piranesi en de schetsen van Van Heemskerck, staan we vandaag voor een werk van een iets andere orde: de fresco’s van Michelangelo die het plafond en de wanden van de Sixtijnse Kapel sieren. Aangezien de Sixtijnse Kapel voor veel toeristen een must see is tijdens hun bezoek aan Rome, is het er dus bijna altijd druk. Dat kan er soms toe leiden dat je gemaand wordt door te lopen en vooral niet te lang stil te blijven staan.

Vandaag vraagt echter om een langer bezoek en een gedetailleerdere kijk op de figuren die de fresco’s bevolken. Onlangs kreeg ik namelijk het boek Italiaanse fresco’s in handen, waarin Ernest Kurpershoek de mooiste fresco’s tot leven wekt. Met een aanstekelijke enthousiasme vertelt hij over deze voor Italië zo belangrijke schildertechniek – en over de mensen die met deze techniek werkten, zoals Leonardo Da Vinci, Giotto, Botticelli en Michelangelo. Van deze laatste frescoschilder wordt vooral ingezoomd op de fresco’s in de Sixtijnse Kapel, die ik daarom graag nog eens opnieuw wil bekijken en bestuderen. Uiteraard met de gids van Kurpershoek in de hand.

Voor iedereen die vandaag niet voor het echte werk kan staan, noem ik nog eens de link waarmee je een virtueel bezoek kunt brengen aan de Sixtijnse Kapel: www.vatican.va/various/cappelle/sistina_vr/index.html.  Zo kun je toch over mijn schouder – en die van Ernest Kurpershoek – meekijken naar wat Michelangelo op de wanden wist te toveren.

Italiaanse fresco’s opent met een korte inleiding, waarna Kurpershoek de techniek van het frescoschilderen uit de doeken doet. Hoewel ik al wist dat er veel bij kwam kijken voor een figuur op de kalklaag is geschilderd, is het verhelderend de werkwijze nog eens na te kunnen slaan. Met een aantal van de prachtige fresco’s die ik de afgelopen maanden zag op mijn netvlies, groeit het ontzag voor de frescoschilders. Wat een werk, en wat een doorzettingsvermogen moesten zij zich getroosten voor al die meesterwerken op de muur stonden!

Het is dan ook meer dan terecht dat Kurpershoek het tweede hoofdstuk helemaal aan de frescoschilders wijdt. Het geeft ons een beetje inzicht in het leven dat zij leidden: ‘Frescoschilderen was zwaar werk. Een veelgebruikte zegswijze in het Italiaans voor zwaar in de problemen zitten was stare fresco. Gelukkig stond de ware frescoschilder […] te boek als een amatore della difficoltà, een ‘liefhebber van moeilijkheden’. Hij houdt van ondernemingen die zijn kunnen en temperament op de proef stellen.’

Zo ook Michelangelo. Zijn werk slokte hem helemaal op, zeker toen hij met de fresco’s in de Sixtijnse Kapel worstelde. Kurpershoek: ‘Zelfs een beroemdheid als Michelangelo moest gedurende de jaren dat hij aan het gewelf van de Sixtijnse Kapel werkte, het doen met een niet meer dan een sjofel atelier in een lawaaierig steegje onder de stadsmuur nabij een stinkende gracht in de buurt van de Engelenburcht. Michelangelo’s uitspraak ‘hoe rijk ik ook ben geweest, ik heb altijd als een arm man geleefd’, was ongetwijfeld geen overdrijving.’

Om dit te illustreren, vertelt Kurpershoek een mooie anekdote: ‘Toen een priester tot Michelangelo zei dat het jammer was dat hij niet getrouwd was – waardoor hij de vrucht van zijn arbeid niet aan zijn kinderen kon nalaten – antwoordde Michelangelo dat zijn kunst al een vrouw teveel was en dat zijn werken zijn kinderen waren. Hiermee verwoordde Michelangelo waarschijnlijk de situatie van velen van zijn collega’s: het kunstenaar zijn was een veeleisend beroep dat iemand volledig in beslag nam.’

Dat besef je eens te meer als je midden in de Sixtijnse Kapel staat en zijn fresco’s op je in laat werken. Met alle achtergrondinformatie die het boek Italiaanse fresco’s biedt, gaat de geschiedenis van de figuren die op deze fresco’s te zien zijn, en van de kunstenaar die ze schilderde, nog meer leven.

Wie binnenkort naar Italië reist en naast la dolce vita ook graag een kerk, kapel of museum binnenwandelt, doet er goed aan het boek Italiaanse fresco’s voor vertrek aan te schaffen en thuis of onderweg te lezen. Hoewel het in eerste instantie natuurlijk bedoeld is als een kunsthistorische reisgids, heeft Kurpershoek er eigenlijk eerder een lekker lezend boek van gemaakt. Eenmaal begonnen, leg je het niet zo snel meer weg en reis je mee langs de prachtigste Italiaanse fresco’s, van Florence tot Rome, van Mantua tot Assisi, van Siena tot Venetië.

Italiaanse fresco’s
Ernest Kurpershoek
ISBN 9789077787304
€ 15,00
Olive Press

Bestel Italiaanse fresco’s hier via bol.com

feb 26

We gebruiken het dagelijks zonder erbij na te denken, het @-teken op onze computer, oftewel het apenstaartje. Dat in Italië trouwens geen apenstaartje heet, maar chiocciola – slakkenhuisje. Sinds we e-mail hebben geïntegreerd in ons dagelijks bestaan, word je tientallen, zo niet honderden keren per dag geconfronteerd met dit teken, zeker op een werkdag. En sinds de introductie van twitter zien we het apenstaartje nog vaker voorbijkomen.

Nu vragen jullie je waarschijnlijk af waarom ik het over apenstaartjes heb op een blog over Italië. Welnu, het @-teken zou al in het zestiende-eeuwse Venetië gebruikt zijn. In documenten van Venetiaanse kooplieden duikt het apenstaartje regelmatig op. Het werd in die tijd natuurlijk nog niet gebruikt met de betekenis zoals wij die nu kennen; @ stond voor amfora (een oude Griekse kruik), waarmee hoeveelheden werden afgemeten.

Het oudste document waarin een @ is aangetroffen, dateert uit 1536. Het bevindt zich niet in Venetië zelf, maar in het Instituut voor de Economische Geschiedenis in Prato (Toscane). Het is ene brief van de Florentijnse koopman Francesco Lapi, die in een document het aantal amforen dat vanuit Rome naar Spanje verscheept moest worden aanduidde met het @-teken.

Toch is niet iedereen het eens over deze Italiaanse basis voor het moderne apenstaartje. Sommige wetenschappers menen dat er al in de vijftiende eeuw gebruik werd gemaakt van het apenstaartje, eveneens als afkorting, maar dan van het woord arroba, een kwart. Het feit dat Spanjaarden en Portugezen het apenstaartje nog steeds arroba noemen zou dat ondersteunen.

Andere onderzoekers hebben echter bewijs gevonden voor het gebruik van het apenstaartje in het twaalfde-eeuwse Toscane. Het zou een samensmelting zijn van de afkorting ac, al cambio – in ruil voor. Echt harde bewijzen, zoals het zestiende-eeuwse Venetiaanse document, zijn echter niet voor handen.

Wel zeker is dat het apenstaartje als aanduiding van ‘tegen de kosten van’ op de eerste typemachines verscheen – en zo ook op het toetsenbord van de computer. De moderne betekenis kreeg het @-teken van Ray Tomlinson, die een verbinding zocht tussen de naam van een computergebruiker en de mailserver waarvan deze persoon gebruik maakte.

Zelf lichtte hij de keuze voor het apenstaartje als volgt toe: ‘I chose to append an at sign and the host name to the user’s (login) name. I am frequently asked why I chose the at sign, but the at sign just makes sense. The purpose of the @-sign (in English) was to indicate a unit price (for example, 10 items @ $1.95). I used the at sign to indicate that the user was ‘at’ some other host rather than being local.’

Een leuke Italiaanse wetenswaardigheid – waar we maar niet bij elke te versturen e-mail bij stil moeten staan. Alhoewel, bij elk verzonden en ontvangen bericht even aan Italië denken is natuurlijk nooit verkeerd…

Getagd met:
feb 25

Begin deze week schreef ik uitgebreid over de kunst van het koffiezetten, niet wetende dat er ook nog een andere vorm van koffiekunst bestond. Bij toeval stuitte ik namelijk de dag erna op dit geweldige kunstwerk, gemaakt van, jawel, kopjes koffie:

Deze ‘Mocha Lisa’ werd gemaakt tijdens het Rocks Aroma Festival in Sydney, al een aantal zomers geleden. Voor het namaken van de Mona Lisa waren maar liefst 3604 kopjes koffie nodig, onderverdeeld in espresso, caffè latte en cappuccino, plus 564 kopjes met alleen maar melk, om de benodigde kleuren te creëren.

Da Vinci blijft de gemoederen nog altijd bezighouden. Ik schreef eerder dit jaar al over de zoektocht naar een verloren gewaande Da Vinci in het Palazzo Vecchio in Florence (hierbij nog een linkje naar dat artikel), maar er is meer. Zo wijdt National Geographic in het februarinummer een heel artikel aan een onbekend meesterwerk dat wellicht kan worden toegeschreven aan Da Vinci:

‘Het lijkt een te sterk verhaal: iemand gaat een galerie binnen en koopt voor een zacht prijsje een onbekend meesterwerk van Da Vinci. Toen Silverman dit portret aankocht, was het 75 jaar geleden dat er voor het laatst een werk officieel aan de meester was toegeschreven. Er bestond ook geen bewijs dat de maker van de Mona Lisa ooit op vellum had gewerkt. Er waren zelfs geen kopieën of schetsen op perkament overgeleverd. Als dit een echte Da Vinci was, waar was deze tekening dan al die vijfhonderd jaar geweest?

Silverman mailde de afbeelding van Bianca naar Martin Kemp, emeritus hoogleraar kunstgeschiedenis aan de Oxford University. Da Vinci-kenner Kemp ontvangt regelmatig dit soort plaatjes. De afzenders weten het altijd zeker: ze hebben een nieuwe Da Vinci in handen. ‘Ik ben altijd geneigd om automatisch nee te roepen,’ vertelde Kemp me. Maar de afbeelding van deze ‘griezelig levensechte’ jonge vrouw deed hem ditmaal besluiten te gaan kijken. Hij vloog naar Zürich, waar Silverman de tekening (van 33 bij 24 centimeter) in een kluis bewaarde. Kemp: ‘Toen ik het portret onder ogen kreeg, ging er een rilling door me heen. Ik besefte dat dit iets heel bijzonders was.’

Die sensatie bracht Kemp ertoe een onderzoek te starten. Dankzij hoogwaardige multispectrale scans die Pascal Cotte van Lumiere Technology in Parijs vervaardigde, kon Kemp door de verschillende lagen van de tekening heen kijken. En hoe beter hij het portret bekeek, hoe meer hij er de hand van de meester in herkende.’

uit: National Geographic, februari 2012
© tekst: Tom O’Neill | foto’s: Gzegorz Mazurowski

Het hele artikel, met prachtige foto’s, lees je zoals ik al schreef  in de National Geographic van februari 2012, die je via deze link nog kunt bestellen.

In Milaan starten ze bovendien met de restauratie van een van Da Vinci’s aantekenboeken, de Codice Trivulziano. Willemijn van Dijk schreef begin deze week over dit bijzondere project:Het restauratieproject wil niet alleen het wetenschappelijk onderzoek vergemakkelijken, maar heeft ook voor ogen het document toegankelijker te maken voor het grote publiek. Met dit doel wordt er naast de originele versie van de Codice ook een digitale versie gemaakt. De serie schetsen die Leonardo bij wijze van architectonische studie maakte van de koepel van de Dom van Milaan, bijvoorbeeld, is straks gewoon met een druk op de knop op te roepen van het internet, stel ik me zo voor.’

Dat lijkt me een prachtig vooruitzicht… Dan kunnen we Da Vinci veel makkelijker tot leven wekken dan met het zetten van ruim 3500 kopjes koffie…

feb 16

Venetië is niet alleen de perfecte bestemming voor een paar dagen romantiek; het is tevens de meest bijzondere plek op aarde om carnaval te vieren. Als je houdt van traditie, mystiek en spektakel, dan moet je een keer aanwezig zijn geweest bij het Venetiaanse carnaval. Maar dan wel gemaskerd!

Uiteraard kun je zo’n masker voor je je in het feestgedruis aanschaffen in een van de Venetiaanse souvenirwinkels of bij een echte maskermaker. Nog leuker is het echter om zelf een masker te maken. Op de website van Olga Dol kun je blanco maskers bestellen, die je dan thuis helemaal zelf vorm kunt geven. Voor wie niet goed raad weet, organiseert Olga Dol echter ook workshops maskers maken (zowel voor volwassenen als voor kinderen, ook leuk voor een verjaarspartijtje).

De inspiratie voor de maskers die nu worden gedragen tijdens het Venetiaanse carnaval, komt grotendeels uit de theatervorm commedia dell’arte. Dit is een manier van toneelspelen die zeer waarschijnlijk in Italië is ontwikkeld door rondtrekkende toneelgezelschappen. Elke uitvoering binnen de commedia dell’arte had dezelfde vaste karakters, die dus overal herkenbaar moesten zijn.

Vandaar dat de leden van de toneelgezelschappen vaak een speciale outfit en een uniek masker droegen; dan was in één oogopslag duidelijk welk karakter ze speelden. Zo draagt Arlecchino altijd een ruitjespak, terwijl Pulcinella herkend wordt aan zijn witte pak en zwarte masker. Olga Dol beschrijft alle figuren uit de commedia dell’arte op haar website. Zo kun je een gefundeerde keuze voor een masker maken!

Ik wil jullie hier vandaag voorstellen aan een de pestdokter, een van de meest geziene deelnemers aan het Venetiaanse carnaval. Over deze dokter schrijft Olga Dol: ‘Dit masker is van oorsprong meer een gebruiksmasker. Tijdens de pestepidemie die Europa halverwege de zestiende en begin zeventiende eeuw teisterde, waren artsen uiteraard nog niet zo geïnformeerd over bacillen en hygiëne. Velen dachten dat de pest werd overgebracht door kwade geesten.

De pestdokter maakte zijn visites, gekleed in een zwarte zeildoekmantel ingesmeerd met was, een grote zwarte hoed op zijn hoofd en een masker met een grote neus voor het gezicht. Angstaanjagend genoeg om voor zijn gevoel de kwade geesten te verdrijven.

De grote lichtgekromde neus, die veel weg heeft van een vogelbek, heeft aan beide zijkanten een sleuf waardoor de lucht naar binnen werd gezogen. Lucht die in die neus gefilterd werd doordat de neus helemaal gevuld was met diverse, vaak sterk ruikende kruiden, zoals rozemarijn, tijm en kruidnagelen. Meer tegen de stank dan uit interesse voor hygiëne. De gaten van de ogen waren dichtgemaakt met ronde glazen.

In zijn hand had de dokter een stok waarmee hij de deken van de patiënt optilde, om maar geen fysiek contact met zijn patiënt te hoeven maken en daardoor niet besmet te raken.’

Ideaal dus als je tijdens het gemaskerd bal niet direct fysiek contact wil maken maar iedereen rustig wil kunnen bekijken voor je een Arlecchino, Pulcinella of Pantalone aanspreekt… Meer lezen? Bestel dan het boek Venetië en haar maskers van Olga Dol en Frans Kolk. Voor een klein gemaskerd bal ’s avonds op de bank!

preload preload preload