feb 01

Toen ik vorige week de burgemeester van Florence interviewde, was ik niet de enige die vragen stelde. Ook Matteo Renzi, zoals de burgemeester heet, was nieuwsgierig naar wat mij in zijn werkkamer in Palazzo Vecchio bracht. Ik vertelde over de gids De smaak van Florence die ik voor De Smaak van Italië aan het samenstellen ben, over het magazine zelf natuurlijk, en over mijn passie voor Italië in alle mogelijke facetten, die onder andere tot uiting komt in een dagelijks blog, Ciao tutti.

Nu is deze burgemeester, zeker voor Italiaanse begrippen, heel jong (net voor ik kwam vierde hij zijn 37ste verjaardag). Bovendien is hij dol op moderne media (hij heeft een Facebook-pagina en een Twitter-account die hij beide goed bijhoudt), dus mijn blog wekte zijn nieuwsgierigheid. Toen ik vorige week vertelde dat ik al bijna twee jaar dagelijks blog, bood hij mij een bijzonder cadeau aan voor het tweejarig bestaan van Ciao tutti: het beklimmen van de toren van Palazzo Vecchio, die normaal gesproken niet voor publiek toegankelijk is.

Het verslag van deze bijzondere klim heb ik bewaard voor vandaag, omdat het vandaag precies twee jaar geleden is dat ik mijn allereerste blog schreef. Inmiddels zijn we 736 blogstukjes verder, die samen een groot deel van Italië beslaan. Elke maand komen er nieuwe lezers bij, die soms zelfs uitgroeien tot heuse fans. Er zijn meer dan 700 reacties geplaatst – van de mailtjes die ik dagelijks ontvang met bedankjes, vragen, tips en ervaringen ben ik al lang geleden de tel kwijt geraakt.

De zoektocht naar de verhalen heeft me op heel bijzondere plekken gebracht, maar heeft me bovenal kennis laten maken met heel bijzondere mensen, in Nederland en Vlaanderen, in Italië, op papier en via e-mail. Alles samen maakt dat ik meer dan tevreden terugkijk op de afgelopen twee jaar Ciao tutti, en dat ik zin heb in weer een jaar bijzondere verhalen, anekdotes, recepten en inspiratie – en ik hoop jullie met mij!

Maar goed, terug naar het cadeau. Dat was natuurlijk een schot in de roos. Niet alleen omdat juist dit soort verrassingen maken dat ik dol ben op Italië, maar ook omdat mijn favoriete beeld van Florence precies op deze toren is geschoten. Het is een oude foto, gemaakt door de Fratelli Alinari, van een man die de wenteltrap helemaal bovenin Palazzo Vecchio beklimt, met op de achtergrond de koepel van de Duomo.

Ik was dan ook dolblij met dit genereuze aanbod. Aangezien het interview aan het einde van de middag plaatsvond, moest ik de ochtend erop terugkomen, zodat ik de toren met mooi weer en goed zicht kon beklimmen. Jullie begrijpen dat ik die nacht bijna geen oog dicht deed. Het vooruitzicht op deze klim zorgde ervoor dat ik bijna mijn bed uit stuiterde.

De dag van de klim was het geluk met mij, want hoewel het de dag ervoor licht bewolkt was, scheen de zon nu volop. Aan alle kanten was er dan ook volop uitzicht. Hoe hoger de medewerkers van Palazzo Vecchio en ik kwamen, hoe meer je van de stad en de omgeving kon zien. De koepel van de Duomo natuurlijk, de torentjes van het Bargello en de Badia Fiorentina, de koepel van de San Lorenzo, de Santa Croce, de kerkjes aan de overzijde van de Arno…

Uiteraard heb ik veel van deze uitzichten vastgelegd met mijn camera, zodat jullie kunnen meegenieten van deze bijzondere klim. Zo wordt het cadeau van de burgemeester ook een beetje een cadeau aan de lezers van Ciao tutti !

jan 29

De maand januari zit er weer bijna op, maar voor we de oversteek naar februari maken, hebben jullie nog een column van Diane Kuster tegoed:

‘Het is middernacht. Ik zit in de auto terwijl mijn vrienden Francesco, Antonio en Joyce deze duwen, in de hoop dat’ie eindelijk start. Het lijkt hopeloos; we zijn al een uur bezig en er komt geen geluid uit behalve een paar zuchten.

Wat is er gebeurd? Joyce en ik waren ’s middags al in Rome aangekomen en ik had de auto strak geparkeerd, naast een muur. Ik moest er aan de passagierszijde uitklimmen, met als gevolg dat het alarm dat aan moet geven dat het licht nog aan is, niet is afgegaan. En aangezien het een frisse, maar zonnige dag was, heb ik niet gezien dat de lichten nog aan waren.

Nu ik naar Fiuggi wil rijden met Joyce, blijkt de accu helemaal leeg. Niet alleen mijn vrienden maar ook andere Italianen proberen de auto aan de gang te krijgen. Het is echt hopeloos en uiteindelijk besluiten Joyce en ik in Rome te blijven logeren, bij Francesco, en pas de volgende dag op zoek te gaan naar startkabels, die tegenwoordig werkelijk niemand meer in de auto schijnt te hebben.

We moeten op zoek naar een parkeerplaats. ’s Nachts lijkt het alsof je overal kunt parkeren (omdat de parkeerpolitie niet werkt) en mijn vrienden wijzen op een plek naast de trambaan waar vele auto’s staan. Maar ik vertrouw het niet; mijn auto is in Rome al zo vaak weggesleept dat ik er op aandring de auto te parkeren op een plaats waarvan ik zeker weet dat mijn auto er niet verwijderd wordt.

Met veel tegenzin duwen ze de klein Ford K verder. Eindelijk staat’ie dan. We stappen in de auto van Francesco en gaan naar zijn huis. We komen langs Fosse Ardeatina, waar de oorlogslachtoffers herdacht worden, en rijden verder door nachtelijk Rome.

Na een half uur zijn we bij Francesco thuis, waar ons een nieuwe onaangename verrassing wacht. Het is ijskoud in huis. Verbaasd vraag ik hoe dit nu weer kan. Het blijkt dat de gemeente de verwarming wel heeft geactiveerd, maar om de kosten te drukken laten ze deze zo veel mogelijk uit. Het is ook peperduur.

Onder vele dekens lukt het ons in te slapen en we zijn al vroeg weer wakker. Na de koffie en brioche stappen we opnieuw in de auto, terug naar Porta Maggiore waar mijn auto staat. Eenmaal in de buurt belanden we in de file. We begrijpen er niets van. Het is zaterdagochtend, nu niet bepaald een tijdstip voor druk verkeer. Langzamerhand komen we dichterbij en dan zien we de oorzaak van de drukte. Twee trams zijn in botsing gekomen en één daarvan is omgevallen, boven op de rij auto’s die naast de trambaan geparkeerd stonden.

De jongen van het benzinestation, die ons helpt om de auto met startkabels weer aan de gang te krijgen, weet ons te vertellen dat er geen zwaargewonden zijn en dat het ongeluk is gebeurd omdat de tramchauffeur in slaap is gevallen. Ondertussen krijgt hij binnen enkele minuten de auto weer aan de praat. Ik haal opgelucht adem en ben blij dat ik erop aangedrongen heb de auto daar niet te parkeren. Maar ja, wie zou ook kunnen bedenken dat er een tram op je auto valt…’

Getagd met:
jan 26

Zeven jaar geleden bracht een grondige zoektocht het atelier van Da Vinci aan het licht. Het bleek zich midden in Florence te bevinden, direct naast het klooster van de Santissima Annunziata. Ook hier ging veel giswerk aan vooraf en ging niet alles van een leien dakje…

Het idee om onderzoek te doen kwam van kunsthistoricus Alessandro del Meglio, die aan het hoofd stond van het cartografisch archief van het instituut dat naast het voormalige klooster van de Santissima Annunziata was gevestigd. Hij wilde in kaart brengen in hoeverre de ruimtes van zijn kantoor vroeger gebruikt werden en welke functie ze hadden.

Hij wist al wel dat de ruimtes voor 1864 toebehoorden aan het naastgelegen klooster van de Santissima Annunziata, maar de rest was nog in raadselen gehuld. Wederom gaf Vasari de hint die nodig was om verder onderzoek te doen. Hij had vrij specifiek vermeld dat Leonardo Da Vinci in 1500 zijn intrek had genomen in het genoemde klooster, onder andere om een doek met de heilige Anna en Jezus te schilderen (dat nu in de National Gallery in Londen te bewonderen is).

Leonardo bleef in elk geval in het klooster wonen tot dit werk voltooid was. Vasari tekende op dat Da Vinci het schilderij, toen het helemaal naar zijn zin was, aan de Florentijnen toonde. Twee dagen lang mochten de inwoners van de stad ‘de pracht van Leonardo zien, die iedereen verbaasde’.

De nieuwsgierigheid van Del Meglio was gewekt en hij dook in andere documenten om te achterhalen waar Da Vinci dan precies had gewoond en gewerkt. Hij wist de hand te leggen op een bron waarin wordt beweerd dat Leonardo had verbleven in ‘vijf aan elkaar gekoppelde ruimtes die via een trap met de eerst verdieping zijn verbonden’. Deze trap bleek in 1864, toen Florence de hoofdstad van Italië werd, te zijn afgesloten, omdat het klooster een gedeelte van zijn behuizing moest afstaan aan de staat.

Del Meglio wilde echter meer bewijs in handen hebben voor hij daadwerkelijk op onderzoek uit zou gaan in de ruimtes van het voormalige klooster. Hij bestudeerde de brieven en aantekeningen die Leonardo optekende. Toen hij hierin geen directe aanwijzingen vond, verlegde hij zijn onderzoek naar documenten van Leonardo’s tijdgenoten.

In een brief van Pietro da Novellara zag hij de aantekeningen van Vasari bevestigd. Deze Pietro noteerde dat Da Vinci tijdens zijn verblijf in het klooster van de Santissima Annunziata de vlucht van vogels bestudeerde. In een van de gangen naar de trap zijn vage fresco’s aangetroffen met afbeeldingen van vogels in duikvlucht. In de Codex Atlanticus, een van de omvangrijke aanteken- en schetsboeken van Leonardo, tekeningen die vrijwel exact overeenkomen met deze fresco’s.

Ook een ander fresco duidt op Leonardo’s aanwezigheid in deze ruimtes. Hoewel er nog slechts een silhouet van een engel te zien is, valt deze schets vrij eenduidig aan Da Vinci toe te wijzen. De engel heeft namelijk precies dezelfde vorm als de engel die Leonardo schilderde voor zijn Annunciatie, die ik jullie in december al liet zien en die in het echt te bewonderen is in de Galleria degli Uffizi.

Leonardo schijnt zijn atelier in het klooster van de Santissima Annunziata echter niet alleen gebruikt te hebben om te schilderen. Volgens Vasari zag Leonardo er streng op toe dat niemand zijn vertrekken binnenwandelde. Het gerucht was dat hij precies in deze ruimtes lijken ontleedde om nog beter en preciezer personen te kunnen portretteren en mensen in een natuurlijke houding te schilderen.

In het gebouw waar het atelier van Da Vinci zich bevond, is nu het Militair Geografisch Instituut (IGM) gevestigd. Het is de bedoeling dat de vertrekken waar ooit de geest van Da Vinci heeft gehuisd, worden opengesteld voor publiek. Wanneer dat gaat gebeuren, is echter nog de vraag. Uiteraard houd ik jullie hierover op de hoogte, maar tot die tijd kunnen we alleen maar gissen naar wat de gevel van de Santissima Annunziata in dat geheime atelier verbergt…

jan 23

Florence kent prachtige kerken. De bekendste is natuurlijk de Duomo, de dom met de enorme koepel, die iedere bezoeker (tevergeefs) in zijn geheel op de foto probeert te krijgen. De façade van de dom is uitgevoerd in marmer in de kleuren wit (uit Carrara), roze (uit de Maremma) en groen (uit Prato). Er zijn zoveel schitterende details te zien dat je bijna niet weet waar je moet kijken.

Net als bij de koepel had het nogal wat voeten in de aarde voordat deze voorgevel stond. Het eerste ontwerp voor de gevel werd gemaakt door Arnolfo di Cambio, maar toen het ontwerp voor ongeveer een derde was uitgevoerd kwamen de werkzaamheden stil te liggen. Het duurde erg lang voor men verder bouwde aan de gevel; pas na zo’n 600 jaar werd de buitenzijde van de Duomo voltooid.

Veel van de originele versieringen die ooit de voorgevel tooiden, zijn nu te bewonderen in het bij de Duomo horende museum. Leuk om nog te vertellen is dat het ooit de bedoeling was dat de beroemde David van Michelangelo een van de pijlers van de Duomo zou sieren. Vanwege de enorme omvang van het beeld werd dit plan echter al snel van tafel geveegd. Een aantal commissieleden stelde de trappen van de Duomo voor, maar ook dit idee bleek niet haalbaar te zijn – vandaar de huidige plek op het Piazza della Signoria.

Terug naar de kerken in Florence. Want niet alle grote godshuizen in Florence hebben zo’n mooie voorgevel als de Duomo. Sterker nog, een aantal kerken heeft nog steeds een onvoltooide façade. Een van de bekendste voorbeelden van zo’n kerk met een kale voorgevel is de San Lorenzo. Ondanks de vele voorstellen die door bekende en onbekende architecten en kunstenaars gedaan zijn om de gevel te verfraaien, kijken de Florentijnen nog steeds aan tegen een kale, bakstenen gevel.

De eerste oorzaak voor deze kale gevel is het feit dat de architect van de kerk, Brunelleschi (ja, dat is dezelfde als degene die de koepel van de dom ontwierp), sterft zonder een ontwerp te hebben gemaakt voor de voorgevel van de kerk. Daardoor hebben zijn opvolgers geen duidelijk beeld voor ogen. Wat zou de grote Brunelleschi hebben gewild? Hoe zou de voorgevel er in zijn ogen uit hebben gezien?

In de zestiende eeuw neemt Leo X, lid van de De’ Medici-familie, het heft in handen. Hij wil de voorgevel voltooid hebben en schrijft een ontwerpwedstrijd uit. Onder anderen Raphael en Michelangelo dienen een voorstel in. Michelangelo’s ontwerp wordt bekroond met de overwinning en de grote kunstenaar krijgt tevens de opdracht zijn façade te bouwen.

Michelangelo gaat akkoord en vertrekt naar Carrara om toezicht te houden op het winnen van de blokken marmer die hij voor de gevel wil gebruiken. Leo X wil echter dat hij marmer uit Pietrasanta gebruikt, hetgeen tot zo’n grote onenigheid leidt, dat de paus het contract met Michelangelo verbreekt. Met als gevolg dat de San Lorenzo het nog wat langer zonder voorgevel moet doen…

Vlak voor de dood van de laatste telg van de De’ Medici’s, Anna Luisa, in 1743, worden er nogmaals verschillende ontwerpen ingediend door Florentijnse kunstenaars. Hoewel een van hen de opdracht krijgt en Anna Luisa geld had gereserveerd voor de voltooiing van de voorgevel, loopt het project wederom spaak.

Weer een eeuw later volgde wederom een ontwerpwedstrijd, waarvoor 74 verschillende voorgevels werden ingezonden. Helaas zat er volgens de juryleden geen enkel ontwerp bij dat paste bij de klassieke ideeën zoals onder anderen Michelangelo die had opgetekend. Ook in 1905 wordt nog een poging gedaan om via een ontwerpwedstrijd een gevel te realiseren, maar ook dan blijft een definitief resultaat uit. Maar mocht iemand zich geroepen voelen nog een ontwerp te maken…

Getagd met:
jan 20

Ferragamo is niet het enige modemuseum in Florence. Sinds eind vorig jaar kun je in de stad ook de geschiedenis van Gucci bewonderen. Het in oktober geopende museum in het enorme Palazzo della Mercanzia, aan Piazza della Signoria, toont de 90-jarige geschiedenis van het merk in alle mogelijke facetten.

Het museum beslaat maar liefst 1.700 vierkante meter en telt drie verschillende verdiepingen. Op de begane grond vind je het Gucci-café, een boekwinkel en een Icon Store waar je tassen, accessores en sieraden kunt kopen die speciaal voor het museum zijn ontworpen. Deze onderdelen zijn vrij toegankelijk. Voor het museum zelf moet je een kaartje kopen, maar dat is alleen al vanwege de behuizing de moeite waard.

Een tocht door het museum begint, net als de geschiedenis van Gucci, met de befaamde koffers en andere reisaccessoires. Op de eerste verdieping kun je je vergapen aan tassen en avondkleding, veelal gedragen en geshowd door beroemdheden. Op deze etage vind je ook Flora World, met het bekende Gucci Flora design dat in de jaren zestig door Vittorio Accornero is ontworpen en in 2005 helemaal is gerestyled door niemand minder dan Frida Giannini. De tweede verdieping van het museum is gewijd aan het bekende Gucci-monogram GG. Hier vind je eveneens de lifestyle- en sportruimte met onder meer een Gucci-picknickmand, -schaakspel, -kaarten en –sportitems.

Nog modieuzer is het museum dat Valentino recent opende. Niet alleen vanwege de collectie, maar ook en vooral omdat het een virtueel museum is. Een museum op internet dus, dat je gewoon thuis kunt bezoeken wanneer je maar wil. Het Valentino Garavani Virtual Museum, zoals de volledige naam van het online modemuseum luidt, is via deze link helemaal gratis en voor niets te downloaden.

Als je dat eenmaal hebt gedaan, maak je een virtuele wandeling langs circa 300 creaties, die je van alle kanten kunt bekijken en die allemaal van uitleg zijn voorzien. Hoe werd de jurk gemaakt, waar werd de creatie voor het eerst geshowd en wie was de gelukkige drager? Een van de topstukken is de jurk waarin Jackie Kennedy in 1968 met Aristoteles Onassis in het huwelijk trad. Je kunt de stof voor je gevoel bijna aanraken, en stapt in je verbeelding zo in haar schoenen…

Daarnaast omvat het museum ruim vijfduizend schetsen die Valentino gedurende zijn vijftig jarige carrière tekende, bijna honderd modeshows en een uitgebreide verzameling Valentino-foto’s en –campagnes.

Het is maar goed dat de modegoeroe hiervoor geen ruimte hoeft te huren in een van de dure palazzi in Florence, Rome of Milaan. Als het museum echt zou zijn gebouwd, zou het namelijk ruim 10.000 vierkante meter beslaan…

Al is het wel jammer dat je nu niet, zoals in het Gucci-museum, na een wandeling langs de collectie kunt neerstrijken in het museumcafé, om heerlijk te mijmeren over de verrassende creaties en na te genieten de inspirerende energie die zo’n museumbezoek altijd oplevert. Die stop ik nu, een beetje vervreemd na zo’n virtueel museumbezoek, dan maar in een virtueel blogstukje. En als jullie dan allemaal het museum bezoeken, kunnen we toch nog samen napraten! Ci vediamo da Valentino!

Getagd met:
jan 16

Voor de laatste rustplaats van Galileo Galileo reizen we naar Florence. Hier ligt de grote wetenschapper begraven in de Santa Croce, net als Michelangelo en Machiavelli. De plek waar nu zijn grafmonument herrijst, is echter niet de plek waar Galileo oorspronkelijk te ruste werd gelegd.

Galileo Galilei stierf op 8 januari 1642, na een langdurig ziekbed. Zijn wens was begraven te worden in de Santa Croce-kerk, en dan uiteraard in het familiegraf van de Galilei’s dat zich aan de linkerzijde van het enorme schip bevond. De groothertog van Toscane, Ferdinand II, wilde graag tegemoet komen aan deze laatste wens en Galileo een mooie uitvaart bezorgen. Hij werd echter teruggefloten door paus Urbanus VIII. Die liet vanuit Rome weten dat een luisterrijke begrafenis en een grafmonument in het schip van de Santa Croce veel te veel eer waren voor iemand die tijdens zijn leven zo sterk tegen de leer van de kerk was ingegaan. Dat zou een belediging zijn voor het pauselijk gezag.

Galileo werd uiteindelijk wel in de Santa Croce begraven, maar dan in een klein kamertje naast de achteraf gelegen Cappella dei Novizi. Bijna honderd jaar later, in 1737, werd hij echt in ere hersteld en kreeg hij alsnog een praalgraf in de basiliek. Er werd een indrukwekkende plechtigheid georganiseerd waarbij zijn stoffelijke resten opnieuw werden begraven.

Galileo rust nu in een schitterend praalgraf, tussen het eerste en het tweede altaar aan de linkermuur. Het ontwerp van het gehele grafmonument is van Giulio Foggini, maar deze kunstenaar ontwierp niet de beelden die op het graf te zien zijn. De buste van Galileo is van Giovanni Battista Foggini. Het beeld links, dat de astronomie voorstelt, is van de hand van Vincenzo Foggini, terwijl het beeld rechts, symbool voor de meetkunde, van Girolamo Ticciati is.

In hetzelfde graf liggen nog twee andere personen begraven; Vincenzo Viviani, een leerling van de natuurkundige, en een jonge vrouw, waarschijnlijk Galileo’s lievelingsdochter Virginia (die als zuster Maria Celeste in het klooster leefde – zie ook het stukje van 15 januari 2012).

Nog een luguber detail: tijdens de opgraving van Galileo’s lichaam in de Santa Croce werden om onverklaarbare redenen de duim en de middelvinger van zijn rechterhand afgehakt. Jarenlang waren deze vingers zoek, totdat ze tijdens een veiling boven water kwamen. De duim en de middelvinger bleken inderdaad van het genie Galileo te zijn. Na deze proeve van bekwaamheid kregen ze een plekje in het Museo Galileo, vlak bij de Galleria degli Uffizi, waar Galileo’s standbeeld nog altijd over de hoofden van de Florentijnen en toeristen uitkijkt.

Getagd met:
jan 08

Gisteren vertelde ik over de experimenten die Galileo Galilei zou hebben uitgevoerd in de kathedraal van Pisa, naast de bekende scheve toren. Volgens sommigen zou hij ook vanaf de toren zelf proeven hebben gedaan, maar daar is geen onomstotelijk bewijs voor te vinden. Dat neemt niet weg dat Galileo, die vandaag precies 369 jaar geleden (op 8 januari 1642) overleed, de toren een warm hart toedroeg.

Hoewel de Toren van Pisa misschien wel het meest gefotografeerde monument van Toscane is, is er over de geschiedenis van de toren niet zo veel bekend. Michiel van Straten, ontdekkingsschrijver, ging op onderzoek uit en neemt ons mee naar de bijzondere wortels van la torre pendente:

‘Bij het horen van de naam Pisa denk je vooral aan één ding: de scheve toren. Vrijwel onmiddellijk nadat men in 1173 met de bouw van de toren was gestart, zakte de toren scheef om nooit meer rechtop te komen. De ruim acht eeuwen die sindsdien verstreken zijn, kennen 17 commissies die als doel hadden om de toren te behouden. De climax wordt gevormd door een restauratieperiode die exact tien jaar geleden werd afgerond. Wat is er zo moeilijk aan die toren?

Hoe scheef de toren werkelijk is merk je pas goed wanneer je er je eerste stap in zet, de toegangsdeur door. Even sta je te wankelen, voel je je verraden door het spel dat de toren met zijn bezoekers lijkt te willen spelen: de deur, de drempel, de vloer, de muren – alles brengt je in verwarring. Je ogen en je evenwichtsorgaan krijgen hier hun eerste onenigheid te verwerken.

Sinds tien jaar mag het weer, de toren beklimmen. De tocht naar boven via de 296 marmeren traptreden heeft iets van een kermisattractie. Nergens is de trap gewoon een trap: dan weer steiler dan je verwacht, dan weer vlakker. Aan de oostkant kun je het gevoel krijgen in een tekening van Escher beland te zijn, wanneer je de trap op loopt maar bijna de sensatie ervaart van een daling.

Toren was een medaille
Op een zonnige dag wordt op alle grasvelden rond de monumenten op het Piazza dei Miracoli gelopen, gezeten, gefotografeerd en gepicknickt. Behalve op het grootste stuk naast de kathedraal, dat leeg blijft. De bezoekers lijken te beseffen dat het hier heilige grond betreft: de klokkentoren moest de gelovigen bij de bouw in 1173 herinneren aan de suprematie van het christendom. Het Middellandse Zeegebied was door de inwoners van Pisa teruggewonnen op de moslims, die hun macht er enkele eeuwen hadden mogen uitoefenen. Met hun snelle galeien hadden de Pisaners beslissende zeeslagen gewonnen. De meegenomen buit diende ter financiering van het eerste Christelijke monument, de kathedraal, waarnaast later de toren werd gebouwd.

Het lege grasveld geeft alle toeristen vrije ruimte voor het maken van hun foto’s. Het is dan ook een vrolijke boel, vooral aan de westzijde van de toren, waar je zijn scheve positie het beste kan zien. Op allerlei manieren proberen mensen hier de toren tegen te houden: met handen, voeten, of leunend met het hele lichaam. Voor de overbekende foto, uiteraard. Voor het werkelijk stoppen van het verval van de toren zijn andere maatregelen nodig.

Bouw werd snel gestopt
Vijf jaar nadat er een start was gemaakt met de bouw van de toren werd het werk stopgezet. De toren bevatte drie verdiepingen, maar stond direct al scheef. De constructie van de toren zelf was ingenieus: het midden is hol, de buitenkant is een herhaling van bogen die elkaar verticaal steunen, zeven verdiepingen van zuilen op elkaar.  

Het was de bouwers bekend dat het terrein uit relatief zachte grond bestond. Vandaar dat ze er voor gekozen hadden om een ronde toren te bouwen. Een vierkant gebouw zou de grootste druk op de ondergrond in de hoeken uitoefenen. Een ronde toren verdeelt de krachten evenredig. Bovendien zorgde men voor een fundering van drie meter diep. Het mocht allemaal niet baten, want al na de voltooiing van de eerste rij zuilen zakte de toren in richting zuiden.

Enigszins vreemd is, dat weliswaar bekend is wie de bouwers van de toren waren, maar niet wie de architect was. Dat maakt de zweem van mysterie rond de toren natuurlijk alleen nog maar aantrekkelijker. Er zijn eigenlijk alleen maar speculaties: was het Bonnanno Pisano, een plaatselijke beeldhouwer? Of Deotisalvi, die de nabij gelegen doopkapel had ontworpen? Er werd zelfs gefluisterd dat het om Willem van Innsbruck zou gaan, die de last droeg van een gebochelde rug; hij zou uit frustratie en woede over zijn aandoening de toren bewust hebben laten kantelen.

Hoe dan ook: na stopzetting van de bouw ging het geld en de aandacht van de inwoners van Pisa vooral uit naar de concurrentiepositie van Pisa ten opzichte van Genua en Venetië, en het nabij gelegen Florence. De bouw zou een eeuw lang stilliggen.

Toren verdrinkt en verzinkt
In 1272 werd er verder gegaan met de bouw. Zes jaar lang duurde het nu, totdat het werk voor een tweede keer werd stopgezet. Er waren nu zeven etages gebouwd, en dat had de schoonheid van de toren wel vergroot, maar zijn toestand niet verbeterd. Integendeel: de toren stond nu flink uit het lood. Een eerste commissie werd in 1298 ingesteld om zich met het probleem te bemoeien. Dat bestond uiteindelijk alleen uit het doen van metingen. De uitkomst: het besef dat de toren 1,4 meter uit het lood stond. Pas in 1370 werd er verder gebouwd, en in dat jaar was de toren officieel klaar.

In 1787 werd er weer gemeten: de toren stond nu ‘zes en een halve arm’ uit het lood (ongeveer 3,8 meter). ‘De toren staat scheef en zal nooit meer recht komen, dus we moeten er maar het beste van maken.’ Zoiets moet Alessandro Gherardesca gedacht hebben, toen hij het plan bedacht en uitvoerde om een loopplatform uit te graven rond de toren. Dat zou veel beter ogen, op het ruime plein. Het bleek een ramp: het grondwater kreeg vrij spel rond de toren en deed hem nog verder scheefzakken.

Mussolini wilde actie
In 1902 gebeurde er iets wat de Pisaners uit hun nare droom wekte: de klokkentoren op het San Marco plein in Venetië stortte in. Het effect op de toren van Pisa was… niets, behalve dat er een stroom van nieuwe commissies op gang komt: acht in de volgende dertig jaar. Die deden niet veel meer dan de vorige.

Benito Mussolini, sinds 1922 aan de macht, vond dat het maar eens afgelopen moest zijn met al dat meten en analyseren. Actie moest er komen voor de toren! In 1934 liet hij in 361 gaten 90 ton cement in de fundering injecteren. De toren werd er letterlijk draaierig van. Niet heel veel, millimeterwerk slechts, maar toch: er werden bewegingen op gang gebracht die niet controleerbaar en dus niet gewenst waren. Mussolini ging zich snel met andere zaken bezig houden…

17 keer is scheepsrecht
Na acht eeuwen en zestien commissies, die voornamelijk gevuld waren met radeloosheid als het gaat om het vinden van een definitieve oplossing voor de toren, toog in 1992 de zeventiende commissie aan het werk. Deze commissie nam geen halve maatregelen.

In juni 1992 werd er gestart met het verstevigen van de zwakste plaatsen, door het aanbrengen van enkele enorme hoepels. Dat was niet zozeer een oplossing voor de stand van de toren, maar wel voor de stevigheid van de hele constructie. Die had op plaatsen nogal te lijden gehad van de elementen. Hoepels van 4 mm dik roestvrij staal werden in een kunststof bescherming rond de eerste verdieping op spanning gebracht.

De volgende stap was wel gericht op het stoppen van verdere helling van de toren. Omdat de toren richting het zuiden helt, komt aan de noordkant de basis naar boven. Zoals iedereen die wel eens op een wip gezeten heeft zal kunnen bedenken, bedacht ook de commissie dat het aanbrengen van meer gewicht aan de noordzijde de toren zou kunnen helpen de goede kant op te bewegen. Nadat eerst een betonnen basis aan de toren was vastgemaakt, werd in 1993 hierop 700 ton lood geplaatst. Het was afdoende om de top van de toren 12 mm noordwaarts te doen bewegen! En nog belangrijker: de zuidwaartse beweging van de toren met een snelheid van circa 1 mm per jaar was hiermee stopgezet.

Maar 700 ton aan lood is niet iets waar je toeristen mee trekt. Er werd een plan gemaakt om een permanente oplossing te vinden die hetzelfde effect zou hebben maar onzichtbaar was. Daartoe werden er grondankers bedacht, die 45 meter diep zouden worden vastgeklonken aan de noordkant van de basis van de toren. Om te voorkomen dat tijdens het boren er grondwater zou gaan stromen, bedacht men een ingenieuze truc: de grond werd bevroren. Vloeibaar stikstof van -200º Celsius werd de grond in gespoten. Helaas reageerde de toren door op de bevroren bodem te gaan roteren. Weer millimeterwerk weliswaar, weer ongewenst. Direct werd met het vriezen gestopt. De grondankers zijn nooit geïnstalleerd.

Toren krijgt veiligheidsgordel
John Durland, een Engelse ingenieur die deel uitmaakte van de internationale commissie, had bij andere projecten goede ervaring opgedaan met het uitgraven van ondergrond. De gedachte hierbij is net zo eenvoudig als bij het loden contragewicht: als je grond weggraaft onder het omhooggekomen noordelijke deel, zal de toren uiteindelijk naar die kant neigen. Zo gezegd zo gedaan, maar niet zonder te testen. Talloze berekeningen werden gemaakt, computermodellen ontwikkeld, tot er uiteindelijk zelfs een betonnen model van 7 meter hoog werd gebouwd om de methode op uit te proberen. De tests waren succesvol, en er werd besloten om voorbereidingen te treffen voor het echte graafwerk. 

Maar: graven en boren had de commissie eerder voor onplezierige verrassingen gesteld. Hoewel de tests met het model positief waren, was men toch niet helemaal gerust op een vlekkeloze uitwerking. Om risico’s te minimaliseren werd er in 1998 een veiligheidsgordel aangebracht rond de toren, die via een stalen kabel 100 meter verderop aan de noordzijde verankerd werd. De veiligheidsgordel functioneerde precies zoals in een auto: je hebt hem wel, maar wilt hem niet gebruiken. De graafwerkzaamheden verliepen zo goed dat de gordels ontmanteld konden worden zonder in actie gekomen te zijn.

Toren krijgt injecties
Commissie #17 had met de uitgravingen aan de noordzijde de oplossing gevonden in het hol van de leeuw: in de grond, waar van nature ook het probleem van de scheve toren zat. Die zou overigens altijd scheef blijven: er was geen inwoner van Pisa die erover dacht om de toren helemaal rechtop te krijgen. Hoe rechter de toren, des te minder toeristen. Nee, het doel is altijd geweest om de helling tot stand te brengen, niet om die teniet te doen.

Het was tijd om de toren weer toonbaar te maken. De loden contragewichten werden geleidelijk verwijderd. De toren zelf werd nu structureel verstevigd. De tijdelijke hoepel – de eerste maatregel – werd vervangen door een permanent exemplaar, steviger en sterker. De toren was nog steeds een patiënt, zodat het toedienen van injecties op zijn plaats was: op enkele plaatsen aan de zuidzijde, waar de meeste druk op stond, werd verstevigend cement in daartoe geboorde gaten in het marmer van de toren gespoten. Tenslotte werden er stalen balken in de muren van de toren aangebracht, om de binnenzijde en de buitenzijde met elkaar te verankeren.

Hoe lang staat ie nog?
Het versterken van het loopplatform vormde in 2001 het slotstuk van het werk aan de toren. Een nieuwe ring van gewapend beton werd aangebracht, als versteviging van de toren aan zijn basis. De basis was nu niet alleen versterkt, maar zag er na het terugplaatsen van het verwijderde marmer weer uit als in zijn oorspronkelijke staat. En: dat gold nu voor de hele toren. De helling was met 40 centimeters teruggebracht. Dat lijkt misschien niet veel, maar is voldoende om de toren letterlijk in stand te houden. Althans, volgens Michele Jamiolkowski, de voorzitter van commissie #17: ‘Ik geloof dat de toren in goede gezondheid is en stabiel zal blijven gedurende lange tijd, voor meer dan 200 jaar.’ In het jaar 2200 weten we of hij gelijk heeft.’

De toren bezoeken
De Toren van Pisa is sinds 2001 weer open voor het publiek. Hoewel je het beste zicht hebt op de scheefheid van de toren vanaf de grond, biedt een beklimming je ook de lijfelijke ervaring van de bijzondere positie van het monument. De organisatie waarschuwt hartpatiënten voor de fysieke inspanning die de beklimming vergt.

Een kaartje kost € 15. Kinderen mogen de toren pas beklimmen vanaf 8 jaar, en als ze tussen 8 en 10 jaar oud zijn, hoeven ze nog niet te betalen. Je koopt de kaartjes bij het loket, even ten noorden van de toren op het Piazza del Duomo, ook wel Piazza dei Miracoli (Plein der Wonderen) genoemd. Je krijgt een toegangstijd toegewezen, omdat er maar dertig mensen tegelijk worden toegelaten. Het bezoek mag maximaal een half uur duren. Een audio guide is verkrijgbaar voor € 3. Meer informatie over het bezoeken van de toren en de andere gebouwen op het Piazza dei Miracoli is te vinden op www.opapisa.it.

© tekst en foto’s: Michiel van Straten

Michiel van Straten is een passievolle Ontdekkingsschrijver. Hij schrijft boeken en artikelen voor onder andere Italië Magazine, Grande, Waterkampioen, Zeilen, Quest en National Geographic Junior. Op twitter kun je @MichielvStraten volgen, op zijn website www.ontdekkingsschrijver.nl vind je meer informatie.

jan 06

Hoewel de Italianen vandaag meer uitkijken naar La Befana dan naar de drie wijzen uit het oosten, is de komst van de koningen niet aan de grote Italiaanse kunstenaars voorbijgegaan.

Zo begon Leonardo da Vinci ooit aan zijn Aanbidding der Wijzen, een doek dat nu in de Galleria degli Uffizi in Florence te zien is. Hij maakte het doek echter nooit af; vandaar de sombere kleuren van het geheel. Da Vinci kreeg de opdracht voor deze scène van de augustijner monniken, die de drie wijzen in volle bewondering rondom het kindje Jezus wilden zien. Aangezien hij tijdens het werk aan het schilderij naar Milaan afreisde, om daar aan het hof van de Sforza’s te werken, maakte hij het doek nooit af.

Ondanks het feit dat het werk onvoltooid is, is het wel baanbrekend te noemen. Voor het eerst staan de drie wijzen niet achter elkaar, in een soort van rijtje, maar hebben ze zich gelijkwaardig, zelfs symmetrisch, rondom Maria en het pasgeboren kindje geschaard. Rondom de drie wijzen schilderde Da Vinci een grote groep onwetenden, die in tegenstelling tot de drie koningen, geen idee hebben van het belang van deze gebeurtenis. Volgens de kunstcritici wil Leonardo da Vinci hiermee het geloof van het christendom uitdrukken dat Jezus’ geboorte een keerpunt in de geschiedenis markeert.

Iets verderop in Florence, in het Ospedale degli Innocenti, hangt nog een Aanbidding der Wijzen. Deze kleurrijke versie van het hoog bezoek is van de hand van Domenico Ghirlandaio. In 1485 gaf de toenmalige prior van het Ospedale degli Innocenti, het weeshuis, de schilder de opdracht een doek te maken met de aanbidding van de wijzen als onderwerp. Het werk moest binnen dertig maanden klaar zijn.

Maar dat niet alleen. Aangezien Ghirlandaio erom bekend stond dat hij veel werk uit liet voeren door zijn leerlingen, liet de prior van het weeshuis in een contract vastleggen dat de meester het werk zelf diende te schilderen. Eerst moest hij een schets ter goedkeuring inleveren, die direct in de smaak viel. De opdrachtgever had echter ook in het contract laten opnemen dat hij achteraf minder mocht betalen dan de overeengekomen 115 florijnen, als de schilder werk zou afleveren waarmee hij niet tevreden was. Gelukkig vielen de wijzen in de smaak, want Ghirlandaio ontving het gehele bedrag.

Het was overigens wel een hele uitdaging het doek binnen de beloofde tijd af te hebben, zeker gezien het aantal figuranten dat Ghirlandaio opvoerde. Opvallend zijn, naast de drie mooi geklede koningen, de twee kleine jongetjes, die niet alleen symbool staan voor de kinderen in het weeshuis maar ook voor de onschuldige kinderen die door het bevel van Herodes gedood werden. Wie goed kijkt, ziet namelijk dat ze gewond zijn.

Helemaal links knielt Johannes de Doper, met een gebaar dat de vingerwijzing van Leonardo da Vinci’s Johannes de Doper nabootst. Op de tweede rij, als derde van links, heeft Ghirlandaio zich zelf geplaatst.

Nog een ander grappig detail is dat Ghirlandaio de geboorte van Jezus in de buurt van de stad Rome plaatste. Wie goed kijkt, ziet links de contouren van onder andere het Colosseum, de Piramide van Cestius en de Zuil van Trajanus.

Voor de stad schilderde Ghirlandaio de Kindermoord van Bethlehem, waarbij Herodes opriep alle baby’s en kleine kinderen te vermoorden. Sommige kunstcritici betwijfelen of Ghirlandaio dit tafereel zelf heeft geschilderd en schrijven dit stuk doek toe aan een van zijn medewerkers. Misschien heeft Ghirlandaio zich dus toch niet zo braaf aan het contract gehouden als hij de prior van het Ospedale degli Innocenti heeft doen geloven…

dec 27

Diane Kuster vertelt vandaag over bijzondere onthullingen die ze op een winterse middag, na afloop van de markt bij de Porta Portese, te horen kreeg:

‘Ga je even mee?’ fluistert Elena.
‘Waar wil je dan naar toe?’ vraag ik.
‘Naar Porta Portese,’ antwoordt ze, nog steeds fluisterend.

‘Maar daar ben ik vanmorgen al geweest,’ is mijn verbaasde antwoord.

‘Nu is het anders, de markt is afgelopen en dan liggen er altijd stapels kleren die de marktlui niet meer meenemen. Vaak zitten er nog prachtige stukken tussen. Alleen, Sofia mag het niet horen. Zij schaamt zich anders voor mij,’ zegt ze met zachte stem.

Ik ben wel nieuwsgierig en besluit met haar mee te gaan. We zeggen gedag tegen haar dochter Sofia die hard aan het studeren is voor haar examen Grieks en Latijn. Het is maar een klein eindje lopen vanaf haar huis in Testaccio naar Porta Portese, waar de wekelijkse zondagmarkt in Rome gehouden wordt.
‘Hier is al een goede plek om te zoeken!’ Elena duikt in een stapel kleding die snel weggepakt wordt door twee hippe Japanse dames die op hetzelfde idee gekomen zijn.

Ik kijk verbaasd toe en ineens hoor ik een zwoele, zware stem achter me: ‘Vind jij dit leuk, wil jij het misschien hebben?’ Ik draai me om en kijk in het gezicht van een vrouw. Maar is het wel een vrouw? Ze heeft de stem van een man. Het blijkt een travestiet of transseksueel te zijn, ze spreekt Italiaans met een accent. Ze kijkt me vriendelijk aan en ik antwoord dat ik het toch niet zo mooi vind. Ik vraag waarom zij nu kleding aan het uitzoeken is.

‘Weet je,’ zegt ze met een omfloerste stem, ‘ik houd er zo van me te verkleden. Soms sta ik ’s morgens op en wil ik een prinses zijn, dan een heks, dan een sjieke tante en ga zo maar door. Ik heb geen geld om zoveel kleding te kopen, daarom zoek ik hier elke zondag zodat ik mijn grillen kan bevredigen.’ Ik glimlach om deze eerlijke, onthullende bekentenis. Elena is klaar met zoeken en we lopen weer verder tussen de resten van de markt.

Dan staat er ineens een non, gekleed in een blauw gewaad met een witte kap, voor onze neus. ‘Bent u ook aan het zoeken of er nog wat interessants bij is?’ vraagt Elena haar vriendelijk. ‘Nee, dat niet, ik loop hier elke zondag op dit tijdstip over de markt en verbaas me erover wat mensen allemaal weggooien. Het is een soort meditatie voor me om na te denken over de absurde ‘weggooicultuur’ in Europa. Ik vind het goed even stil te staan bij zoveel overvloed en de betekenisloze spullen. Dan weet ik weer wat echt belangrijk is in het leven.’ Ze vervolgt met rustige passen haar pad.

Elena en ik zijn er stil van, wat een vreemde ontmoetingen op deze winterse zondagmiddag. We lopen beiden in gedachten verzonken (en zonder kleding!) terug naar haar huis.

Getagd met:
dec 25

Voor jullie allemaal een heel fijn kerstfeest! Geniet vandaag en morgen van alle mooie momenten met familie en vrienden, van al het (Italiaanse) kerstlekkers en de magische sfeer die de wereld even in zijn greep houdt.

Op Ciao tutti vandaag, na al die annunciaties van vorige week, dan eindelijk het moment dat het kindje bewonderd mag worden. Voor mij heeft niemand dat zo mooi weergegeven als Domenico Ghirlandaio, met zijn doek De aanbidding der herders.

Ghirlandaio voltooide het werk in 1485, zoals ook te zien is op het kapiteel van de linkerzuil. Het schilderij was bedoeld voor het altaar van de Cappella Sassetti in de Santa Trinità in Florence, waar het nog steeds te zien is.

We zien Maria, die vol devotie naar de pasgeboren Jezus kijkt, en Jozef, die daarentegen naar de naderende stoet bezoekers en bewonderaars kijkt. Het kindje Jezus ligt voor een sarcofaag die dienst doet als kribbe. Een interessante keuze, niet in het minst vanwege de spreuk die in het marmer van de sarcofaag is gebeiteld.

Deze spreuk, ENSE CADENS SOLYMO POMPEI FVLVIVS/ AVGVR / NVMEN AIT QUAE ME CONTEG/IT/ VRNA DABIT, om precies te zijn, wordt toegewezen aan de Romeinse ziener Fulvius. Deze Fulvius voorspelde dat uit de sarcofaag waarin hij werd begraven ooit een god zou worden geboren – geen gekke gedachte van Ghirlandaio dus om deze sarcofaag als kribbe dienst te laten doen.

Helemaal rechts staan de herders, naar wie het schilderij is genoemd. De herder die naar het kindje Jezus wijst, zou niemand minder zijn dan Domenico Ghirlandaio zelf – een prachtig zelfportret. Linksboven zijn nog een paar andere herders en een schaapskudde te zien, die door een engel worden aangespoord te gaan kijken naar het pasgeboren kindje.

De stoet die in aantocht is wordt geleid door de drie wijzen uit het oosten, maar die laten we vandaag nog even op afstand. Die mogen immers pas 6 januari bij de kribbe aankomen om Jezus te bewonderen. Vandaag zijn wij aan de beurt, samen met de herders en de engelen…

preload preload preload